Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201106140/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hanzeweg e.o." (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201106140/1/R2.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2. [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerrein Hanzeweg e.o." (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

De raad heeft zijn zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellante sub 1], [appellante sub 2] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2012, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. P.P.A. Bodden, advocaat te Nijmegen, bijgestaan door ing. H. Wijnmaalen, [appellante sub 2], vertegenwoordigd door mr. L.J. Wildeboer, advocaat te Utrecht, bijgestaan door ir. A.C.W.M. Appels, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.P. Terwindt en mr. M.H.J. van Driel, beiden advocaat te Amsterdam, ing. G.J.M. Gilissen en ing. G.H. Hiddink, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door ing. B.H. Willighagen en ir. B. Hoekstra, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 28 november 2012 in zaak nr. 201106140/1/T1/R2; hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen twaalf weken het daarin omschreven gebrek in het besluit van 4 april 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft het gebrek in het besluit van 4 april 2011 hersteld door het plan bij besluit van 11 februari 2013 opnieuw, gewijzigd vast te stellen.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. Daarop zijn geen zienswijzen naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de raad het besluit van 4 april 2011 vervangen. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

2. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen twaalf weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van rechtsoverweging 11.6 het daar omschreven gebrek te herstellen en;

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

3. De Afdeling heeft in rechtsoverweging 11.6 van de tussenuitspraak overwogen dat volgens de plantoelichting wat betreft het aspect geur is getoetst aan de streefwaarden, richtwaarden en bovenwaarden voor wonen en werken uit het Gelders geurbeleid. Gelet op het dynamische karakter van dit gebied achtte de raad ten tijde van de vaststelling van het plan de richtwaarde van 0,5 ouE/m3 voor geur voor woongebieden uit het Gelders geurbeleid aanvaardbaar.

Na de vaststelling van het plan heeft de raad mede gelet op de bijzondere regeling voor diervoederindustrie in paragraaf 3.3, onder A3, van de NeR een geurbelasting van de voorziene woningen in het plangebied van 0,7 ouE/m3 aanvaardbaar geacht.

De raad stelt zich in zoverre op een ander standpunt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan. Dit klemt te meer nu in artikel 15, lid 15.1, onder b, aanhef en onder 3, van de planregels wordt verwezen naar het Gelders milieubeleid. Nu niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

3.1. Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de raad het plan opnieuw vastgesteld met de volgende wijziging:

Artikel 15, lid 15.1, onder b, aanhef en onder 3, van de planregels - aangaande de verwijzing naar het Gelders milieubeleid - is geschrapt. Artikel 15, lid 15.1, onder b, aanhef en onder 4 tot en met 11, is vernummerd.

In de toelichting is een nadere motivering ten behoeve van het aspect geur opgenomen. Hetgeen hieromtrent was vermeld in de toelichting behorende bij het vaststellingsbesluit van 4 april 2011 komt te vervallen.

3.2. [appellante sub 1] en [appellante sub 2] hebben naar aanleiding van het besluit van 11 februari 2013 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellante sub 1] en [appellante sub 2] geen bezwaren hebben tegen het besluit van 11 februari 2013. De van rechtswege ontstane beroepen zijn ongegrond.

Slotoverwegingen

4. Het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 4 april 2011 is gelet op de tussenuitspraak gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd, voor zover het betreft de in artikel 15, lid 15.1, onder b, alsmede lid 15.2, onder a, van de planregels opgenomen wijzigingsbevoegdheden waarmee woningbouw kan worden mogelijk gemaakt. Het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 4 april 2011 is ongegrond. De van rechtswege ontstane beroepen tegen het besluit van 11 februari 2013 zijn ongegrond.

5. Het college dient ten aanzien van [appellante sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellante sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 1] tegen het besluit van 4 april 2011 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Lochem van 4 april 2011, kenmerk 2010-000980, voor zover het betreft artikel 15, lid 15.1, onder b, alsmede lid 15.2, onder a, van de planregels;

III. verklaart het beroep van [appellante sub 2] tegen het besluit van 4 april 2011 ongegrond;

IV. verklaart de beroepen tegen het besluit van 11 februari 2013 ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Lochem tot vergoeding van bij [appellante sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Lochem aan [appellante sub 1] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

579.