Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3678

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201209730/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Visserweert 58 Roosteren" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBO 2013/114 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209730/1/R1.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Roosteren, gemeente Echt-Susteren,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Visserweert 58 Roosteren" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door drs. C.M.L. Willems-Dekkers, werkzaam bij Das Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door M.L.M. Eijpe, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [partij] als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een paardenhouderij op het perceel Visserweert 58 te Roosteren.

3. Het plangebied heeft de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" en de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie II". Aan de oost- en noordoostzijde van het plangebied heeft een strook tevens de dubbelbestemming "Waterstaat - Bergend Regime".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder 40, van de planregels wordt onder een paardenhouderij verstaan een agrarisch bedrijf dat uitsluitend of in hoofdzaak is gericht op het houden, fokken, trainen, africhten en verhandelen van paarden, alsmede het stallen en verzorgen van paarden, waarbij tevens als ondergeschikte nevenactiviteit is toegestaan het geven van instructie aan ruiter en paard.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" bestemd voor:

a. de uitoefening van één paardenhouderij, waaronder begrepen:

1. het (op)fokken van paarden;

2. het inrijden en trainen van paarden;

3. het geven van dressuurinstructies voor paarden;

4. een paardenpension;

5. het geven rijlessen aan derden als ondergeschikte nevenactiviteit;

b. agrarisch grondgebruik;

c. waterhuishoudkundige voorzieningen

[…];

met de daarbijbehorende

d. bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen

[…]

j. bouwwerken geen gebouwen zijnde, waaronder een paardenrijbaan.

4. In het vorige bestemmingsplan "Grensmaas", dat op 29 juni 2006 door de raad was vastgesteld, had het plangebied de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden". Het bouwvlak voor het perceel Visserweert 58 was gelijk aan het bouwvlak in het voorliggende plan.

Ingevolge artikel 12, lid I, van de voorschriften bij het bestemmingsplan "Grensmaas" waren de gronden met de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" bestemd voor agrarische doeleinden ten behoeve van agrarische bedrijven.

5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het plan de nieuwvestiging van een bedrijf mogelijk maakt, omdat het bouwblok in het bestemmingsplan "Grensmaas" was gekoppeld aan het bouwblok op het perceel [locatie].

5.1. De Afdeling stelt vast dat in het in rechte onaantastbare bestemmingsplan "Partiële herziening bestemmingsplan Grensmaas - [locatie] te Roosteren" de koppeling tussen de bouwblokken voor de percelen [locatie] en [..] is verwijderd. Aangezien bij het desbetreffende besluit de planologische binding tussen de agrarische bestemmingen op deze percelen is beëindigd, heeft het voorliggende plan niet tot gevolg dat een extra agrarisch bedrijf mogelijk wordt gemaakt of dat sprake is van nieuwvestiging van een agrarisch bedrijf.

6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat niet de feitelijke situatie wordt bestemd, omdat gezien de mogelijke omvang van rijlessen ook een manege mogelijk wordt gemaakt. Daarbij zijn [appellant A] en [appellant B] van mening dat het begrip "ondergeschikte nevenactiviteiten" onvoldoende duidelijk is.

6.1. De raad betoogt dat de bij het bestemmingsplan toegestane bedrijfsvoering niet is gelijk te stellen aan een manege omdat bij een manege de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak bestaan uit het geven van instructie aan derden en maneges doorgaans beschikken over een niet zelfstandige horecafunctie.

6.2. Naar het oordeel van de Afdeling blijkt uit artikel 3, lid 3.1, van de planregels voldoende duidelijk dat het geven van paardrijlessen slechts is toegestaan. Voor zover deze activiteit ondergeschikt is aan de agrarische hoofdactiviteiten, zoals omschreven in artikel 1,aanhef en onder 40, van de planregels. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een manege niet is toegestaan.

7. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het opnemen van een nieuw bouwvlak in strijd is met het rijksbeleid "Beleidslijn grote rivieren".

7.1. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan rijksbeleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken. De raad heeft met het aspect van afvoer van rivierwater rekening gehouden door aan een deel van het plangebied de dubbelbestemming "Waterstaat - Bergend regime" toe te kennen. Wat betreft het bouwvlak waarop niet bedoelde dubbelbestemming rust, stelt de raad zich op het standpunt dat het bouwvlak gelijk is aan het bouwvlak in het bestemmingsplan "Grensmaas". Gebleken is dat het in dat plan aangewezen bouwvlak daadwerkelijk is bebouwd. Gelet hierop ziet de Afdeling in hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het standpunt, dat de raad op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met de "Beleidslijn grote rivieren".

8. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat er sprake is van strijd met het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL 2006), omdat bestemmingswijzigingen in het op de bij het POL 2006 behorende kaart 3b Nationaal Landschap en Rijksbufferzones aangegeven gebied alleen zijn toegelaten voor zover daarbij de kernkwaliteiten worden behouden of versterkt.

Volgens [appellant A] en [appellant B] leidt het plan tot verdere verstening zodat de raad er ten onrechte vanuit is gegaan dat het Limburgs Kwaliteitsmenu niet van toepassing is

8.1. De raad betoogt dat het plangebied in het POL 2006 de kwalificatie perspectief 2 Provinciale ontwikkelingszone groen (hierna: POG) heeft. Volgens de raad staat het POL 2006 niet in de weg aan de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat het Limburgs Kwaliteitsmenu niet van toepassing is, omdat sprake is van een functiewijziging binnen een vergelijkbare bestemming.

8.2. Volgens het POL 2006 omvat de POG vooral landbouwgebieden als buffer rond de Ecologische hoofdstructuur. Het POL 2006 geeft onder meer aan dat in de POG landbouw zich kan ontwikkelen in combinatie met een goede landschappelijke inpassing en indien aan de orde "compensatie" van verloren gaande omgevingskwaliteiten.

In paragraaf 5.2 "Is het kwaliteitsmenu van toepassing" van het Limburgs Kwaliteitsmenu is het volgende aangegeven:

"De soorten van ontwikkelingen waarvoor het Limburgs Kwaliteitsmenu geldt staan beschreven in het POL 2006 en de POL aanvulling Verstedelijking, Gebiedsontwikkeling en Kwaliteitsverbetering. Het kenmerkende voor deze ontwikkelingen is dat het (nieuwe) functies zijn die een nieuw ruimtebeslag leggen op het "maagdelijke" buitengebied en/of met nieuwe verstening en verglazing gepaard gaan. We hebben het dan over nieuwe woningen, nieuwe woongebieden, uitbreidingen van agrarische bedrijven, nieuwe agrarische bedrijven, glastuinbouw, R&T functies, niet agrarische bedrijven en bedrijventerreinen. Het gaat daarbij zowel om situaties waarbij de bestemming gewijzigd wordt van een ‘landelijke’ naar een ‘stedelijke’ bestemming als om situaties waar door de bestemmingswijziging (bijvoorbeeld door toevoegen van een bouwvlak) mogelijkheden voor nieuwe bebouwing, verstening en verglazing ontstaan."

8.3. De Afdeling overweegt dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan het provinciaal beleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, hetgeen betekent dat dit beleid in de belangenafweging dient te worden betrokken.

De Afdeling stelt vast dat het plangebied in het POL 2006 als POG is aangemerkt. De omstandigheid dat de bestemming "Agrarische bedrijfsdoeleinden" in het plan "Grensmaas" in het voorliggende plan is gewijzigd in de bestemming "Agrarisch - Paardenhouderij" is niet in strijd met het POL 2006. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het bouwvlak niet wordt gewijzigd en de bestaande bebouwingsmogelijkheden niet toenemen. Nu er sprake is van een ontwikkeling die niet leidt tot nieuwe verstening en gelet op de aard van de functiewijziging heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling zich terecht op het standpunt gesteld dat het Limburgs Kwaliteitsmenu niet van toepassing is.

9. [appellant A] en [appellant B] betogen dat niet is onderzocht of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

9.1. De raad stelt dat het voorziene gebruik in feite gelijk is aan het in het bestemmingsplan "Grensmaas" toegestane en het bestaande gebruik. Volgens de raad is er geen aanknopingspunt om ervan uit te gaan dat de bodem niet geschikt is voor het met de beperkte bestemmingswijziging voorziene gebruik.

9.2. De Afdeling stelt vast dat in de plantoelichting is ingegaan op het bestaande gebruik. Nu het plan niet voorziet in een wezenlijk ander gebruik en [appellant A] en [appellant B] hun stelling niet hebben onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel, dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bodemkwaliteit niet in de weg staat aan de toegekende bestemming.

10. Verder is volgens [appellant A] en [appellant B] het onderzoek naar de luchtkwaliteit ontoereikend, omdat van de feitelijke situatie wordt uitgegaan in plaats van de beoogde planologische situatie en er ten onrechte van wordt uitgegaan dat er geen of nauwelijks toename is van verkeer.

10.1. De raad is in de plantoelichting ingegaan op de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit. Uit de desbetreffende berekening blijkt dat wordt uitgegaan van een toename van het aantal verkeersbewegingen tot 336 verkeersbewegingen per week waarvan 20% vrachtverkeer.

10.2. Anders dan [appellant A] en [appellant B] stellen is de raad niet uitgegaan van de feitelijke situatie. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad een onjuist uitgangspunt wat betreft de toename van het aantal verkeersbewegingen heeft gehanteerd.

11. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het feit dat wordt voldaan aan de normen van het Besluit landbouw milieubeheer (hierna: Blm) niet betekent dat hun woonklimaat niet wordt aangetast. Zij vrezen voor geluidoverlast.

11.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de paardenhouderij voldoet aan de normen van het Blm en dat de paardenhouderij daarom geen onaanvaardbare geluidhinder tot gevolg heeft.

11.2. Het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geldende Blm bevat geluidnormen ter bescherming van geluidgevoelige bestemmingen zoals woningen. Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, dat nu kan worden voldaan aan de geluidnormen van het Blm een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden bereikt.

12. [appellant A] en [appellant B] stellen dat een watertoets ontbreekt.

12.1. De raad is in de plantoelichting ingegaan op de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

12.2. Nu [appellant A] en [appellant B] hun betoog niet hebben onderbouwd, ziet de Afdeling hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dit punt ontoereikend onderzoek heeft gedaan.

13. Voorts betogen [appellant A] en [appellant B] dat het archeologisch onderzoek en het onderzoek naar cultuurhistorische waarden ontoereikend zijn.

13.1. De raad heeft volgens de plantoelichting onderzoek gedaan op basis van de Archeologische Monumenten Kaart en is tot de conclusie gekomen dat het plangebied binnen een historische kern ligt en een hoge archeologische en cultuurhistorische waarde heeft. In verband hiermee is de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie II" toegekend en zijn in het plan regels opgenomen strekkende tot het voorkomen van verstoring van de bodem, het verbinden van voorwaarden aan een omgevingsvergunning voor bouwen, het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden en de mogelijkheid van het stellen van nadere eisen. Volgens de raad was het niet nodig om ten behoeve van de vaststelling van het plan een aanvullend archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek uit te voeren omdat het plan voorziet in een beperkte wijziging van de agrarische functie en het overnemen van de huidige bouwmogelijkheden waarbij een rijhal wordt gerealiseerd op de bestaande fundering van het te slopen bedrijfsgebouw, zodat geen verstoring van de bodem wordt voorzien.

13.2. Nu [appellant A] en [appellant B] hun betoog niet hebben onderbouwd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte heeft afgezien van aanvullend archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek.

14. [appellant A] en [appellant B] betogen dat het uitgevoerde flora- en faunaonderzoek onvoldoende diepgaand is.

14.1. De raad is in de plantoelichting ingegaan op het Flora- en faunaonderzoek.

14.2. Nu [appellant A] en [appellant B] hun betoog niet hebben onderbouwd, ziet de Afdeling hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ontoereikend onderzoek naar de flora en fauna heeft gedaan.

15. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

191.