Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3673

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201208495/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Slek 2010, 1e herziening 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208495/1/R1.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Slek, gemeente Echt-Susteren,

2. [appellanten sub 2], beiden wonend te Echt, gemeente Echt-Susteren,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Slek 2010, 1e herziening 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2013, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A.J. Likkel, werkzaam bij Likkel Juridisch Advies, [appellanten sub 2], bijgestaan door mr. R.A.M. Verkoijen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.J.H. Siega-Gulikers, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Bij uitspraak van 16 maart 2011 in zaak nr. 201004176/1/R3 heeft de Afdeling het besluit van de raad van de gemeente Echt-Susteren van 10 februari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Slek 2010" vernietigd voor zover het betreft de volgende plandelen:

- het plandeel op het perceel [locatie] met de bestemming "Detailhandel" en de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - groothandel in sportprijzen";

- het plandeel met de bestemming "Agrarisch", voor zover het betreft het perceel kadastraal bekend nummer [...].

Het voorliggende plan heeft mede betrekking op deze locaties.

3. [appellanten sub 2] betogen dat gezien de uitspraak van 16 maart 2011 de raad thans niet op goede gronden kan betogen dat het POL 2006 zich verzet tegen woningbouw op perceel [...], omdat de raad tijdens de zitting voorafgaande aan de uitspraak van 16 maart 2011 zich heeft beroepen op het POL 2006 en het desbetreffende betoog voor de Afdeling geen reden is geweest om het plan in stand te laten.

[appellanten sub 2] betogen voorts dat de raad zich niet mag beroepen op de krimpende woningbehoefte, omdat dit argument eveneens in de vorige beroepsprocedure aan de orde is geweest.

3.1. De Afdeling stelt vast dat het besluit van de raad van 10 februari 2010 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Slek 2010" voor zover het betreft perceel [...] niet is gebaseerd op het POL 2006 of op de krimpende woningbehoefte en dat in de uitspraak van 16 maart 2011 niet is ingegaan op de betekenis van het POL 2006 of op de krimpende woningbehoefte. De Wet ruimtelijke ordening, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) noch enig ander rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat raad na de uitspraak van 16 maart 2010 wat betreft perceel [...] bij het nemen van een nieuw besluit het POL 2006 of de krimpende woningbehoefte in aanmerking neemt. Dit betoog faalt.

4. [appellanten sub 2] stellen zich voorts op het standpunt dat het POL 2006 een erg globale indeling van het gebied geeft, zodat de uiteindelijke afweging in het kader van het bestemmingsplan dient te worden gemaakt.

Voorts betogen [appellanten sub 2] dat één woning in feite geen invloed heeft op de woningbehoefte. In dit verband hebben zij er op gewezen dat de krimpende woningbehoefte kennelijk geen rol speelt bij een groot woningbouwproject op het voormalige Star Potato-terrein.

4.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de Slekkerstraat, waaraan het perceel [...] is gelegen, geldt als een uitloper van de kern Slek, waar woonpercelen en agrarische gronden elkaar afwisselen. Het perceel is gelegen in het gebied dat in het Pol 2006 is aangeduid als perspectief 4 Vitaal landelijk gebied. Woningbouw is niet passend binnen perspectief 4 en de locatie is dan ook gelegen buiten de rode contouren voortvloeiend uit het provinciale contourenbeleid, aldus de raad. Ook het gemeentelijk beleid, zoals ten tijde van de vaststelling van het plan neergelegd in de gemeentelijke Strategische Visie 2020, dat in zoverre nauw aansluit bij het provinciale beleid, staat volgens de raad aan de herontwikkeling van het perceel [...] tot een woningbouwlocatie in de weg.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat gezien het beschikbare woningbouwvolume en de krimpende woningbehoefte zorgvuldig omgegaan dient te worden met het projecteren van woningbouwlocaties. De onderhavige locatie is geen voorkeurslocatie en handhaving van de huidige agrarische bestemming is wenselijk.

4.2. De raad heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd, dat het perceel [...] in het POL 2006 de aanduiding perspectief 4 Vitaal landelijk gebied heeft. In het POL 2006 wordt vermeld dat de inrichting in een dergelijk gebied in belangrijke mate wordt bepaald door landbouw en dat onder meer functiewijziging tot woongebied kan conflicteren met het provinciale beleid.

Ook het in aansluiting op het provinciale beleid gevoerde gemeentelijke beleid is gericht op het behoud van open ruimtes tussen de kernen en het voorkomen van verdere verdichting van de woonbebouwing in het overgangsgebied tussen twee kernen. In hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat het toekennen van een woonbestemming niet in overeenstemming is met het provinciale en gemeentelijke beleid. De Afdeling stelt voorts vast dat de raad zich bij de vaststelling van dit plan rekenschap heeft gegeven van de specifieke kenmerken van het perceel [...] aan de Slekkerstraat, zijnde een uitloper van de bestaande kern Slek, maar hieraan niet een zodanig gewicht heeft toegekend dat de door [appellanten sub 2] gewenste woonbebouwing op dit onbebouwde agrarische perceel in afwijking van het gevoerde beleid gerechtvaardid wordt geacht. In hetgeen [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad, gelet op de hem toekomende beleidsvrijdheid na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen.

4.3. Voor zover [appellanten sub 2] hebben betoogd dat gezien het woningbouwproject op het voormalige Star Potato-terrein de krimpende woningbehoefte kennelijk niet consequent in de besluitvorming wordt betrokken, overweegt de Afdeling dat volgens het verweerschrift het gaat om een project op de locatie van een voormalig aardappelverwerkend bedrijf, dat is verantwoord in het gemeentelijk woningbouwprogramma. Nu [appellanten sub 2] dat niet hebben weersproken gaat de Afdeling ervan uit dat de omstandigheden van het voormalige Star Potato-terrein wezenlijk anders zijn dan die van perceel [...]. Gelet hierop is geen sprake van gelijke gevallen.

Uit hetgeen [appellanten sub 2] aanvoeren, blijkt niet dat er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de raad een groter gewicht had moeten toekennen aan de belangen van [appellanten sub 2] dan aan het belang van instandhouding van de agrarische functie van het gebied zoals voorzien in het POL 2006.

5. Gezien het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond.

6. [appellant sub 1] die op 2 mei 2011 het bedrijf op het perceel [locatie] heeft overgenomen, voert aan dat het plan ten onrechte niet voorziet in uitbreiding van de bedrijfsruimte van zijn detail- en groothandel in handboogsportartikelen en sportprijzen op het perceel [locatie]. Hij wenst buiten het huidige bouwvlak een permanente opslag- en inpakruimte van maximaal 150 m2 te realiseren ter vervanging van de drie tijdelijke units die een oppervlakte van in totaal 125 m2 hebben. Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2006 (hierna: POL 2006) gaat er volgens hem van uit dat de kernen in het platteland ruimte bieden aan kleinschalige detailhandelsvoorzieningen met een lokale of regionale functie.

Volgens [appellant sub 1] is gezien de uitspraak van 16 maart 2011 ten onrechte niet ingegaan op de vraag of de continuïteit van het bedrijf is gewaarborgd zonder uitbreidingsmogelijkheden.

6.1. De raad betoogt dat [appellant sub 1] de noodzaak van uitbreiding van de detail- en groothandel in handboogsportartikelen en sportprijzen op het perceel [locatie] niet heeft aangetoond, dat een eventuele uitbreiding tot gevolg heeft dat het bedrijf niet passend is in de omgeving en dat uitbreiding naar verwachting planschade tot gevolg heeft. Verder is er volgens de raad een alternatief in de vorm van verplaatsing van het bedrijf naar het bedrijventerrein De Loop.

6.2. In de uitspraak van 16 maart 2011 is het volgende overwogen:

"De Afdeling stelt vast dat bij het besluit tot vaststelling van het plan niet is ingegaan op de vraag of de continuïteit van het bedrijf is gewaarborgd zonder enige uitbreidingsmogelijkheden. [naam] heeft erop gewezen dat zij meer opslag- en inpakruimte nodig heeft als gevolg van het steeds volumineuzer worden van de artikelen in de handboogsport en omdat importeurs steeds minder risico willen nemen bij de inkoop, waardoor zij genoodzaakt is grotere partijen te bestellen en op te slaan. De stelling van [naam] dat enige uitbreidingsmogelijkheden noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering en de continuïteit van het bedrijf, acht de Afdeling aannemelijk. Het plan maakt echter geen enkele uitbreiding mogelijk. Aangezien niet in geschil is dat niet is te voorzien dat het bedrijf binnen de planperiode op deze locatie zal worden beëindigd, heeft de raad een onderzoek naar de uitbreidingsmogelijkheden niet achterwege kunnen laten. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de functieaanduiding "specifieke vorm van detailhandel (sdh) - groothandel in sportprijzen (ghs)", gelezen in samenhang met artikel 10.1, onder b, van de planregels, zodanig specifiek is dat de mogelijkheden tot verkoop van de gronden en opstallen en daarmee verplaatsing van het bedrijf aanzienlijk worden beperkt, omdat ter plaatse uitsluitend detailhandel in handboogartikelen en een groothandel in sportprijzen is toegestaan. Voorts heeft de raad niet bezien of een bouwvlak met een functieaanduiding uitsluitend ten behoeve van de gewenste extra opslag- en inpakruimte kan worden toegekend teneinde, zoals de raad heeft betoogd, uitbreiding van de detailhandelsfunctie te voorkomen."

6.3. De Afdeling stelt vast dat de raad na de uitspraak van 16 maart 2011 geen onderzoek heeft gedaan naar de uitbreidingsmogelijkheden en of een bouwvlak met een functieaanduiding uitsluitend ten behoeve van extra opslag- en inpakruimte kan worden toegekend. De Afdeling merkt nog op dat [appellant sub 1] ter zitting heeft gesteld dat een uitbreiding met een oppervlakte van ongeveer 110 m2 in beginsel ook toereikend is en dat hij bereid is om een planschadeovereenkomst af te sluiten.

Voor zover de raad betoogt dat een verplaatsing naar het bedrijventerrein De Loop een mogelijkheid is, heeft [appellant sub 1] ter zitting onweersproken gesteld dat op dat bedrijventerrein kavels worden uitgegeven met een minimale oppervlakte van 1000 m2, welke oppervlakte meer dan het dubbele is van de oppervlakte van het huidige bedrij[appellant sub 1] heeft aannemelijk gemaakt dat een verplaatsing naar het bedrijventerrein De Loop in elk geval om die reden geen reële mogelijkheid is. Het betoog van de raad dat in geval het noodzakelijk is dat een bedrijf uit een kern moet vertrekken er altijd mogelijkheden bestaan voor vestiging op een bedrijventerrein, is niet onderbouwd.

7. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - groothandel in sportprijzen" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

8. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

9. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] ongegrond;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Echt-Susteren van 4 juli 2012 voor zover dit betreft het plandeel met de bestemming "Detailhandel" met de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - groothandel in sportprijzen";

IV. draagt de raad van de gemeente Echt-Susteren op om binnen vier weken na verzending van de uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Echt-Susteren tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 991,20 (zegge: negenhonderdeenennegentig euro en twintig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Echt-Susteren aan [appellant sub 1] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Melse

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

191.