Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3670

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201201233/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:28673, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 2 december 2010 heeft het college maatregelen genomen om de Kloksteeg en de Oude Delft, tussen Heilige Geestkerkhof en de kruising Binnenwatersloot/Peperstraat, zogenoemd autoluw-plus te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201233/1/A3.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de vereniging Belangenvereniging Stadshart Oude Delft (hierna: Stadshart), gevestigd te Delft,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 december 2011 in zaak nr. 11/7388 in het geding tussen:

Stadshart

en

het college van burgemeester en wethouders van Delft.

Procesverloop

Bij besluiten van 2 december 2010 heeft het college maatregelen genomen om de Kloksteeg en de Oude Delft, tussen Heilige Geestkerkhof en de kruising Binnenwatersloot/Peperstraat, zogenoemd autoluw-plus te maken.

Bij besluit van 25 juli 2011 heeft het college het door Stadshart daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 2 december 2010 herroepen, voor zover daarbij een gehandicaptenparkeerplaats ter hoogte van Oude Delft 102 is ingesteld, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2011 heeft de rechtbank het door Stadshart daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Stadshart hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Stadshart heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2013, waar Stadshart, vertegenwoordigd door haar [voorzitter], bijgestaan door mr. A.M.C. Marius-van Eeghen, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door A.M. Blufpand, drs. M. van Bokhorst en L. van Elteren, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de Wvw 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zo veel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

Ingevolge het tweede lid kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels voorts strekken tot:

a. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu, bedoeld in de Wet milieubeheer;

b. het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of de functie van objecten of gebieden.

Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (hierna: het Babw) moet de plaatsing of verwijdering van de hierna genoemde verkeerstekens geschieden krachtens een verkeersbesluit:

a. de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: het Rvv 1990), uitgezonderd de borden C22 en E9, alsmede de borden E4, E12 en E13, tenzij onder deze verkeersborden een onderbord als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, wordt aangebracht dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 8, derde lid;

[…].

Ingevolge artikel 21 vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 vermelde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 vermelde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2. Het college heeft de besluiten van 2 december 2010 genomen ter uitvoering van fase 4b van de door de raad van de gemeente Delft vastgestelde nota 'Een bereikbare binnenstad - Parkeerbeleid sleutel tot autoluw(plus)' (hierna: de beleidsnota). Volgens die nota is een gebied autoluw-plus indien het een voetgangersgebied is dat beperkt toegankelijk is voor bestemmingsverkeer en waarin parkeren niet is toegestaan. Om de Kloksteeg en het betrokken gedeelte van de Oude Delft autoluw-plus te maken, heeft het college onder meer besloten om pollers en palen te plaatsen dan wel te verwijderen en het gebied toe te voegen aan de in de binnenstad van Delft reeds bestaande voetgangerszone door het plaatsen van borden G7 en G8 van Bijlage 1 bij het Rvv 1990 en onderborden met de tekst "fietsers toegestaan, brom- en snorfietsers niet". Hierdoor zijn in voormelde straten 30 parkeerplaatsen vervallen.

3. Stadshart betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college heeft toegezegd dat binnen 200 tot 250 m van de woningen in de Kloksteeg en de Oude Delft voldoende parkeergelegenheid beschikbaar zal zijn. In dat verband wijst zij op een verslag van een op 1 december 2005 gehouden overleg tussen bewoners en vertegenwoordigers van de gemeente, een e-mailbericht van een medewerker van de gemeente van 22 september 2009 en een verklaring van bewoner van de Oude Delft [bewoner] van 29 februari 2012. Verder wijst zij erop dat het college in het verweerschrift in bezwaar heeft vermeld dat het juist is dat een maximale loopafstand van 200 tot 250 m wordt aangehouden voor parkeren. Voor zover de rechtbank in haar overwegingen heeft betrokken dat het college ter zitting heeft gesteld dat bij toepassing van die normafstand de basis aan de gehele beleidsnota zou komen te ontvallen, voert Stadshart aan dat deze stelling niet is onderbouwd, dat zij niet in staat was daar ter zitting op te reageren en dat deze stelling onjuist is.

3.1. In de beleidsnota is geen maximale loopafstand vermeld waarbinnen parkeergelegenheid beschikbaar moet zijn. Indien het college bij uitvoering van fase 4b van de beleidsnota wel een maximale loopafstand zou toepassen, zou het voor deze fase een uitzondering moeten hebben gemaakt op de beleidsnota. Uit de stukken en uit het door Stadshart gestelde kan niet worden opgemaakt dat het college tot het maken van een dergelijke uitzondering heeft besloten.

Uit de door Stadshart overgelegde stukken volgt dat de maximale loopafstand tot parkeergelegenheid verscheidene malen aan de orde is gesteld in contacten tussen bewoners en de gemeente en dat daarbij door bewoners afstanden van 100 tot 200 m dan wel 200 tot 250 m als maximum zijn genoemd. Het e-mailbericht van een medewerker van de gemeente van 22 september 2009 bevat opmerkingen over een concept van een door Stadshart opgesteld verslag van een bijeenkomst van 17 september 2009, alwaar bewoners en medewerkers van de gemeente hebben gesproken over het autoluw-plus maken. In het e-mailbericht geeft de medewerker van de gemeente te kennen bezwaar te hebben tegen de zinsnede dat in een overleg aan het einde van 2005 door de gemeente niet is weersproken dat - althans in een woongebied - parkeerplaatsen voor auto's op maximaal 100-200 meter afstand gevonden moeten kunnen worden. In dat verband wijst zij erop dat in het door aanwezigen goedgekeurde verslag van bedoelde bijeenkomst in december 2005 is vermeld dat bewoners een afstand van 200 tot 250 m als voorwaarde hebben gesteld. Uit de omstandigheid dat de betrokken medewerker die afstand in het e-mailbericht aanduidt als "resultaat van het onderhandelen tijdens de bijeenkomst", volgt niet dat het college ondubbelzinnig heeft toegezegd die afstand bij de besluitvorming te zullen toepassen. De zinsnede in het verweerschrift van het college in de bezwaarfase dat het een norm van 200 tot 250 m als maximale loopafstand toepast, kan evenmin als een dergelijke toezegging worden aangemerkt, nu tijdens de hoorzitting in bezwaar van de zijde van het college uitdrukkelijk te kennen is gegeven dat het parkeerbeleid geen maximale loopafstand bevat.

Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat Stadshart niet aannemelijk heeft gemaakt dat het college uitlatingen heeft gedaan waaraan zij het gerechtvaardigde vertrouwen mocht ontlenen dat het college bij het autoluw-plus maken van de Kloksteeg en het betrokken gedeelte van de Oude Delft zou waarborgen dat binnen 200 tot 250 m van de woningen in die straten voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is. Daar kan niet aan afdoen dat, naar Stadshart stelt, het college ter zitting bij de rechtbank ten onrechte heeft gesteld dat de gehele beleidsnota over het autoluw dan wel autoluw-plus maken van de binnenstad onuitvoerbaar zou zijn indien een maximale loopafstand van 200 tot 250 m zou worden toegepast.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt Stadshart dat de rechtbank heeft miskend dat de beleidsnota niet mag worden toegepast voor zover deze in strijd is met de later opgestelde Nota Parkeren en Stallen. In die nota is voor gebieden met wonen als hoofdfunctie een maximale loopafstand tot parkeergelegenheid van 400 m vermeld.

4.1. De Nota Parkeren en Stallen bevat normen waaraan het college bij aanvragen om een omgevingsvergunning voor bouwen toetst om vast te stellen of wordt voldaan aan het vereiste dat moet worden voorzien in voldoende parkeerruimte. Nu geen omgevingsvergunningen voor bouwen, maar verkeersbesluiten aan de orde zijn, was het college niet gehouden de in deze nota opgenomen maximale loopafstanden toe te passen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het college ter zitting bij de Afdeling uiteen heeft gezet dat het die loopafstanden niet toepast ten aanzien van bestaande bouw, maar slechts ten aanzien van nieuwbouw of verandering van functie van een gebouw.

Het betoog faalt.

5. Stadshart betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college in redelijkheid tot beide verkeersbesluiten, met inbegrip van het laten vervallen van 30 parkeerplaatsen, heeft kunnen komen. Zij voert aan dat het college in strijd met artikel 21 van het Babw heeft nagelaten te kennen te geven op welke wijze de bij de besluitvorming betrokken belangen tegen elkaar zijn afgewogen. Verder voert Stadshart aan dat binnen aanvaardbare afstand en tegen aanvaardbare kosten geen vervangende parkeergelegenheid beschikbaar is. Ook heeft het college dit aspect onvoldoende onderzocht, aldus Stadshart. Voorts is de rechtbank volgens haar ten onrechte voorbijgegaan aan door haar opgestelde berekeningen en een e-mailbericht van verkeerskundig adviesbureau Ligtermoet & partners. In elk geval hadden de betrokken maatregelen moeten worden uitgesteld tot na realisatie van het project Spoorzone, aangezien ook daardoor parkeerplaatsen zijn vervallen, aldus Stadshart.

5.1. Vooropgesteld wordt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 december 2012 in zaak nr. 201110918/1/A3), aan het college bij het nemen van een verkeersbesluit beoordelingsruimte toekomt bij de uitleg van begrippen als 'veiligheid op de weg', 'bruikbaarheid (van de weg)' en 'vrijheid van het verkeer'. Voorts is het aan het college om de verschillende belangen die betrokken moeten worden bij het nemen van een dergelijk besluit tegen elkaar af te wegen om te bepalen wanneer de in artikel 2 van de Wvw 1994 vermelde belangen het nemen van welke verkeersmaatregel vergen. De rechter dient zich bij de toetsing van een dergelijk besluit terughoudend op te stellen en te toetsen of de uitleg die het bestuur aan deze begrippen heeft gegeven, de grenzen van redelijke wetsuitleg te buiten gaat, of het besluit niet anderszins in strijd is met wettelijke voorschriften en of de afweging van de betrokken belangen zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

Het college behoeft niet de absolute noodzaak van een verkeersbesluit aan te tonen. Voldoende is dat met het verkeersbesluit de eraan ten grondslag gelegde belangen, bedoeld in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994, worden gediend en dat inzichtelijk is gemaakt op welke wijze deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

5.2. Het college heeft in de besluitvorming betrokken dat het autoluw-plus maken van de Oude Delft en de Kloksteeg een kwaliteitsimpuls vormt voor de Delftse binnenstad, waarmee de unieke historische waarden van de binnenstad worden behouden en versterkt. Verder heeft het autoluw-plus maken volgens het college verbetering van de kwaliteit van het verblijfsklimaat, versterking van het economisch functioneren en afname van de hinder en het ruimtebeslag van zowel rijdende als geparkeerde auto's tot gevolg. Daarbij heeft het college, in overeenstemming met artikel 21 van het Babw, te kennen gegeven welke belangen uit artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 aan het besluit ten grondslag liggen, te weten het verzekeren van de veiligheid op de weg, het beschermen van weggebruikers en passagiers, het voorkomen van door het verkeer veroorzaakte overlast en het voorkomen van de door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of de functie van het gebied.

5.3. Het college heeft het belang van de bewoners bij behoud van de parkeerplaatsen onderkend. In dat verband heeft het college onweersproken gesteld dat in het geheel van de binnenstad na uitvoering van de thans aan de orde zijnde besluiten, die de laatste fase vormen van het autoluw(-plus) maken van de binnenstad, meer parkeerplaatsen beschikbaar zijn dan voorafgaand aan het autoluw(-plus) maken. Het college heeft aangegeven dat de bewoners na het vervallen van de parkeerplaatsen zowel op korte afstand in de Phoenixgarage als op langere afstand op diverse parkeerterreinen kunnen parkeren. Dat aan het parkeren in de Phoenixgarage buiten de avond- en nachturen, naar gesteld, aanzienlijke kosten zijn verbonden en dat andere parkeergelegenheden van enige omvang op 400, 600, 800 en 1300 m afstand zijn gelegen, maakt niet dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat op deze wijze is voorzien in voldoende vervangende parkeergelegenheid voor bewoners van de Oude Delft. Daarbij heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college niet redelijk mocht achten dat bij deze in de binnenstad gelegen woningen een grotere maximale loopafstand wordt aangehouden, om zo ruimte te bieden aan andere functies van de binnenstad. Anders dan Stadshart stelt, heeft de rechtbank in dit verband de door haar overgelegde berekeningen in de overwegingen betrokken, zij het dat deze niet tot de door haar gewenste conclusies hebben geleid.

Het door Stadshart overgelegde e-mailbericht van Ligtermoet & partners bevat slechts enkele algemene opmerkingen over de informatie die Stadshart over de parkeersituatie aan de Oude Delft heeft verschaft alsmede enkele aspecten die daarbij volgens Ligtermoet & partners zouden kunnen worden onderzocht. Aangezien dit bericht geen concrete gegevens bevat over de beschikbaarheid dan wel kosten van parkeergelegenheid rondom de Oude Delft en in dit bericht evenmin concreet te kennen is gegeven dat de besluiten van het college onjuiste gegevens bevatten, heeft de rechtbank daarin terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de besluitvorming door het college onvoldoende zorgvuldig is verlopen. Nu Stadshart voorts slechts heeft gesteld dat binnen 400 m onvoldoende parkeerruimte beschikbaar is en niet heeft bestreden dat op de door het college aangeduide parkeerterreinen voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is, heeft de rechtbank voorts terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college nauwkeuriger had moeten onderzoeken hoeveel parkeerplaatsen tegen welke kosten beschikbaar zijn in de omgeving van de Oude Delft.

5.4. Met de rechtbank ziet de Afdeling dan ook geen grond voor het oordeel dat de afweging van voormelde belangen uit artikel 2, eerste en tweede lid, van de Wvw 1994 tegen het belang van de bewoners van de Oude Delft om op korte afstand van hun woning te parkeren, zodanig onevenwichtig is dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om door het instellen van een voetgangerszone parkeerplaatsen op te heffen. Evenmin bestaat grond voor het oordeel dat de afweging van de betrokken belangen in strijd met artikel 21 van het Babw onvoldoende kenbaar is.

5.5. De thans aan de orde zijnde besluiten hebben geen betrekking op de uitvoering van het project Spoorzone. Dat bij de uitvoering van dit project parkeerplaatsen in de omgeving van de Oude Delft komen te vervallen, hetgeen hinder oplevert voor de bewoners van de Oude Delft, wordt dan ook niet veroorzaakt door deze besluiten. Nu het college bovendien onweersproken heeft gesteld dat de in verband met de uitvoering van dat project vervallen parkeerplaatsen elders worden gecompenseerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college de uitvoering van de besluiten had moeten uitstellen tot na de afronding van het project Spoorzone.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. H. Herweijer, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

640.