Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3667

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201111570/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Garderen Zuidrand" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet ruimtelijke ordening
Wet ruimtelijke ordening 3.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1887
JBO 2013/113 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201111570/1/R2.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Barneveld,

2. [appellanten sub 2], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te [woonplaats], gemeente Barneveld,

en

de raad van de gemeente Barneveld,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Garderen Zuidrand" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 mei 2012, waar [appellant sub 2], bijgestaan door mr. J.J. Slump, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door J.P. Buist, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende] verschenen.

Bij tussenuitspraak van 1 augustus 2012, nr. 201111570/1/T1/R2, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

De raad heeft verzocht de gestelde termijn te verlengen. Bij beschikking van 16 januari 2013, nr. 201111570/1/T2/R2, heeft de Afdeling de termijn verlengd.

De raad heeft bij brief van 27 februari 2013 te kennen gegeven met een aanvullend bodem- en archeologisch onderzoek en een nadere motivering de gebreken in het besluit van 21 september 2011 te hebben hersteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [appellant sub 2] een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening en evenmin voor het oordeel dat het besluit van 21 september 2011 anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

2. Naar aanleiding van het beroep van [appellant sub 2] heeft de Afdeling in de tussenuitspraak overwogen dat het plan, voor zover dit ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen-1" op de gronden direct ten westen van de percelen aan de [locaties], is vastgesteld in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Gelet hierop is het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 21 september 2011 gegrond, zodat dat besluit op dit punt wegens strijd met genoemde bepaling dient te worden vernietigd.

2.1. De Afdeling heeft de raad in de tussenuitspraak opgedragen alsnog, met inachtneming van hetgeen daartoe in die uitspraak is overwogen, te motiveren in hoeverre bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met de belangen van [appellant sub 2] en te motiveren op welke wijze het plandeel met de bestemming "Wonen-1" op de gronden direct ten westen van de percelen aan de Beukenlaan 8 tot en met 14 in stedenbouwkundig opzicht passend is in de omgeving. Tevens heeft de Afdeling de raad opgedragen om zo nodig aan de hand van - verkennend - bodemonderzoek en/of onderzoek naar de archeologische situatie, alsnog te motiveren dat hij er in redelijkheid van heeft mogen uitgaan dat voldoende informatie omtrent de kwaliteit van de bodemgesteldheid dan wel omtrent de archeologische situatie ter plaatse van de onderhavige locatie beschikbaar is om een bij het plan uitvoerbare bestemming te kunnen aanwijzen.

2.2. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak een verkennend bodemonderzoek alsmede een archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek ter plaatse van het bestreden plandeel laten verrichten door Econsultancy. De conclusie in het verkennend bodemonderzoek is dat de bodemkwaliteit van het perceel geen belemmeringen oplevert voor woningbouw. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat tijdens het inventariserend veldonderzoek, uitgevoerd in verband met de archeologische verwachting ter plaatse, geen resten zijn aangetroffen die in die mate overtuigend zijn waardoor sprake is van een archeologische vindplaats. Er wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. De raad heeft op 26 februari 2013 de conclusies uit deze onderzoeken aangenomen als nadere motivering van het besluit van 21 september 2011.

2.3. [appellant sub 2] richt zich in zijn zienswijze niet tegen de conclusies van de alsnog uitgevoerde bodem- en archeologische onderzoeken ter plaatse van de gronden direct ten westen van de percelen aan de Beukenlaan 8 tot en met 14. Gelet daarop en gelet op hetgeen is overwogen onder 2.2 ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de door de raad gegeven motivering waarop het besluit berust in zoverre niet toereikend is.

2.4. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht in de tussenuitspraak voorts op 26 februari 2013 ingestemd met een nadere onderbouwing van de stedenbouwkundige inpassing en de locatiekeuze van de bestreden voorziene woning, neergelegd in de memo "Garderen Zuidrand (nadere motivering)" ter aanvulling op het besluit van 21 september 2011 en met de reactienota op deze memo.

2.5. [appellant sub 2] richt zich in zijn zienswijze tegen de uitgewerkte stedenbouwkundige onderbouwing. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad de woning wederom ten onrechte als een vaststaand gegeven aangenomen en heeft de raad nog steeds niet gemotiveerd waarom het eerder door de gemeente ingenomen standpunt, dat de door [belanghebbende] gewenste extra woning niet past in de stedenbouwkundige visie voor het gebied, redelijkerwijs kon worden verlaten. [appellant sub 2] voert in dit verband aan dat de voorziene woning geen enkele relatie heeft met de omliggende bebouwing. Voorts wijst [appellant sub 2] erop dat naar aanleiding van de inspraakreactie van gemeentewege is gesteld dat de reeds aan andere gronden van [belanghebbende] toegekende woonbestemming ruimschoots voldoende is ter compensatie van het tijdelijk in gebruik geven van zijn gronden voor algemene doeleinden. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad in het licht hiervan onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van [belanghebbende] bij een extra woning zwaarder weegt dan de belangen van omwonenden.

2.6. In de memo "Garderen Zuidrand (nadere motivering)" die de raad heeft aangenomen als aanvullende onderbouwing van het besluit van 21 september 2011 is ter zake van de beoordeling van de stedenbouwkundige inpassing vermeld dat: "Gegeven de wens om een extra vrijstaande woning in het plan op te nemen, is gezocht naar een zodanige situering en vormgeving dat de bestaande ruimtelijke kwaliteiten optimaal tot hun recht komen en dat de ruimtelijk-visuele impact op de directe woonomgeving zo klein mogelijk is. (…) Uiteindelijk is ervoor gekozen om de nieuwe woning te positioneren tegen de achterzijde van de percelen aan de Beukenlaan (variant C)". Naar [appellant sub 2] terecht stelt, is de extra woning naast de voorziene twee-onder-één kap woning op de gronden van [belanghebbende] aldus in de aanvullende onderbouwing als vaststaand gegeven beschouwd en heeft de raad zich beperkt tot het nader ingaan op de diverse varianten betreffende de situering van een derde woning op de gronden van [belanghebbende]. De raad heeft niet aangegeven hoe deze extra vrijstaande woning zich verhoudt tot hetgeen met betrekking tot de woningen die [belanghebbende] in het plangebied mag bouwen is vermeld in de "Ruimtelijke visie Zuidrand Garderen" van 27 september 2010, zoals weergegeven in overweging 2.7.3 van de tussenuitspraak. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat op de afbeelding op pagina 3 van het "Stedenbouwkundig Plan Garderen Zuidrand", opgesteld door Hammarlund Bergmann Stedenbouw (Amsterdam) in april 2010 en waarop de raad in het kader van de locatiekeuze van de woning wijst, de gronden van [belanghebbende] waarop de voorziene twee-onder-één-kap woning is gesitueerd zijn aangeduid als "bouwclaim" doch de gronden waarop de voorziene vrijstaande woning is gesitueerd niet als zodanig zijn aangeduid. Voor zover de raad wijst op de wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van woningbouw aan de zuidzijde van Garderen die was opgenomen in het voorheen geldende bestemmingsplan "Garderen", vastgesteld door de raad bij besluit van 8 mei 2007 en goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 11 december 2007, overweegt de Afdeling dat, blijkens de in de memo opgenomen uitsnede van de bij dat plan behorende verbeelding, deze wijzigingsbevoegdheid zich niet uitstrekte tot de gronden waarop de extra vrijstaande woning thans is voorzien. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het in de tussenuitspraak in 2.7.3 geconstateerde gebrek niet is hersteld. De raad heeft met de memo "Garderen Zuidrand (nadere motivering)" en de reactienota als aanvullende onderbouwing van het bestreden besluit immers niet nader gemotiveerd dat en waarom een extra vrijstaande woning op de gronden direct ten westen van de percelen aan de Beukenlaan 8 tot en met 14 in stedenbouwkundig opzicht passend en gewenst is, mede met inachtneming van alle daarbij betrokken belangen.

3. Gelet op hetgeen in 2.6 is overwogen, ziet de Afdeling geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

4. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijke plannen.nl.

5. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellant sub 1] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Barneveld van 21 september 2011, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1" op de gronden direct ten westen van de percelen aan de [locaties];

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente Barneveld op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Barneveld tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.215,12 (zegge: twaalfhonderdvijftien euro en twaalf cent), waarvan € 1.180,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Barneveld aan [appellanten sub 2] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Y.M. van Soest-Ahlers, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Van Soest-Ahlers

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

343.