Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3665

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201209399/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadshagen I" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209399/1/T1/R1.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Zwolle,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Zwolle,

3. [appellant sub 3], wonend te Zwolle,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zwolle,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadshagen I" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], [appellant sub 2] en anderen en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2013, waar [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], bij monde van [appellant sub 1B], en de raad, vertegenwoordigd door J. Heerspink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de vereniging TC Stadshagen ’91, vertegenwoordigd door [gemachtigden], bestuursleden van de vereniging, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

3. Het plan voorziet in een actualisering van het juridisch-planologisch kader voor de wijk Stadshagen I, waarbij het uitgangspunt is de huidige structuur van deze wijk te behouden.

Ontvankelijkheid

4. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit als het aan de orde zijnde.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.1. [appellant sub 1B] woont op een afstand van ongeveer 2.300 m van het perceel aan de [locatie A], kadastraal bekend als sectie [.], perceelnummer [….], waartegen haar beroep is gericht. Vanuit haar woning heeft zij geen zicht op het betrokken plandeel. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 1B] bestreden plandeel mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 1B] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende. De ter zitting door [appellant sub 1B] aangedragen omstandigheid dat zij op het perceel wil wonen, maakt het voorgaande niet anders.

De conclusie is dat [appellant sub 1B] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], voor zover ingesteld door [appellant sub 1B], zal in de einduitspraak niet-ontvankelijk worden verklaard.

Formele bezwaren

5. [appellant sub 1A] voert aan dat zij in haar belangen is geschaad tijdens de raadsvergadering waarin het bestemmingsplan is vastgesteld. Zij wenste haar zienswijze mondeling toe te lichten, maar omdat zij uit een ambtelijk bericht had vernomen dat tussen de raadsleden, nadat zij van haar toelichting op haar zienswijze kennis zouden nemen en alvorens zij zouden besluiten over het voorgelegde ontwerpbestemmingsplan, geen overleg zou plaatsvinden, heeft [appellant sub 1A] van de mondelinge toelichting op haar zienswijze afgezien.

5.1. De Afdeling stelt voorop dat [appellant sub 1A] er zelf voor heeft gekozen af te zien van een mondelinge toelichting op haar zienswijze. Voorts heeft [appellant sub 1A] te kennen gegeven zij voor de desbetreffende raadsvergadering wel een schriftelijke toelichting op haar zienswijze heeft ingediend. De raad heeft ter zitting te kennen gegeven dat alvorens het plan is vastgesteld de raadsleden van die schriftelijke toelichting kennis hebben genomen.

De enkele omstandigheid dat de raadsleden in de raadsvergadering waarin het plan is vastgesteld onderling niet zouden overleggen over een mondelinge toelichting op de zienswijze, brengt niet met zich dat de raadsleden de schriftelijke toelichting van [appellant sub 1A] niet hebben meegenomen in hun keuze om al dan niet in te stemmen met het voorgelegde ontwerpbestemmingsplan en dat [appellant sub 1A] daardoor in haar belangen is geschaad. Het betoog faalt.

6. [appellant sub 3] heeft aangevoerd dat de publicatie van de kennisgeving van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan onjuist is. In die publicatie staat dat op het sportpark aan de [locatie E] een opblaasbare tennishal (hierna: blaashal) wordt toegestaan, maar volgens [appellant sub 3] had de publicatie moeten vermelden dat op voormeld perceel het bouwvlak ten opzichte van het ontwerpplan wordt uitgebreid en ter plaatse een bouwhoogte van maximaal 10 m wordt toegestaan.

Verder heeft [appellant sub 3] aangevoerd dat een milieuplanologisch onderzoek waarnaar de raad in de Nota zienswijzen als reactie op de zienswijze van TC Stadshagen ’91 verwijst, bestaande uit het rapport "Nieuwbouw bij tennisclub TC ’91 Stadshagen te Zwolle. Lichttechnisch onderzoek, resultaten meting", van adviesbureau Alcedo, van 31 maart 2010 (hierna: het onderzoek naar lichthinder) en het akoestisch onderzoek "Woningbouwlocatie nabij tennisclub ’91 Stadshagen Zwolle" van Alcedo van 5 oktober 2010 (hierna: het akoestisch onderzoek), ten onrechte niet met het vastgestelde plan ter inzage heeft gelegen.

De Afdeling overweegt dat deze beroepsgronden betrekking hebben op twee mogelijke onregelmatigheden van na de datum van het bestreden besluit en reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet kunnen aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheden kunnen geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Perceel [locatie A]

7. [appellant sub 1A] richt zich tegen de bestemming "Tuin" die aan haar perceel aan de [locatie A], kadastraal bekend als sectie [.], perceelnummer [….], is toegekend, omdat zij ter plaatse een woning wil bouwen. Het standpunt van de raad dat dat niet kan worden toegestaan omdat het perceel in een geluidzone ligt, snijdt volgens haar geen hout, omdat mogelijke geluidhinder met eenvoudige maatregelen kan worden voorkomen. Daarnaast heeft de raad woningbouw op percelen aan de Voorsterweg en Stinsweg, die ook in die geluidzone liggen, in het verleden wel toegestaan. Verder heeft de raad volgens [appellant sub 1A] in het verleden toegezegd dat medewerking zou worden verleend aan het mogelijk maken van een woning op haar perceel.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat woningbouw op het perceel van [appellant sub 1A] niet kan worden toegestaan, omdat het perceel in een geluidzone ligt vanwege het nabijgelegen bedrijventerrein Voorst. Het desbetreffende deel van de geluidzone kan niet worden verschoven in de richting van het bedrijventerrein, omdat ter plaatse reeds sprake is van een gesaneerde zone industrielawaai. De geluidruimte binnen de geluidzone van 50 dB(A) en 55 dB(A) wordt voor het overgrote deel volledig benut door de bedrijven op het bedrijventerrein. Om te kunnen voldoen aan die gesaneerde zone hebben deze bedrijven reeds vergaande maatregelen moeten treffen en de raad acht het niet reëel in zoverre nog meer investeringen van de bedrijven te verlangen.

Ten aanzien van het beroep op het gelijkheidsbeginsel stelt de raad zich op het standpunt dat uit milieuplanologisch onderzoek volgt dat de geluidsituatie aan de Voorsterweg en de Stinsweg niet gelijk is aan die aan de [locatie A]. De raad heeft toegelicht dat het perceel van [appellant sub 1A] dichter bij de Katwolderhaven ligt, waar bedrijven in hoge milieucategorieën zijn gevestigd, dan de percelen aan de Voorsterweg en het perceel [locatie B]. Daarnaast is bij de industriehaven sprake van piekgeluiden, die volgens de raad doorgaans als zeer storend worden ervaren door omwonenden.

Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat nimmer een toezegging is gedaan aan [appellant sub 1A] om medewerking te verlenen aan de realisatie van een woning op haar perceel.

7.2. Aan het perceel van [appellant sub 1A] zijn de bestemming "Tuin" alsmede de aanduiding "geluidzone - industrie 1" toegekend.

Ingevolge artikel 16, lid 16.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdgebouwen.

Ingevolge artikel 33, lid 33.1, onder a, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "geluidzone - industrie 1", behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede aangewezen voor het tegengaan van een te hoge geluidbelasting van geluidsgevoelige gebouwen vanwege het bedrijventerrein Voorst, omdat op dit bedrijventerrein geluidszoneringsplichtige inrichtingen zijn toegestaan.

Ingevolge het bepaalde onder b mag de geluidbelasting vanwege het bedrijventerrein Voorst, voor zover de grens van de aanduiding "geluidzone - industrie 1" niet samenvalt met de plangrens, buiten deze grens de waarde van 50 dB(A) niet te boven gaan.

7.3. Het bedrijventerrein Voorst ligt op een afstand van ten minste ongeveer 200 m van het perceel van [appellant sub 1A], op een afstand ten minste ongeveer 30 m van het perceel [locatie B] en op een afstand van ten minste ongeveer 145 m van de percelen aan de Voorsterweg.

De industriehaven Katwolderhaven, die deel uitmaakt van het bedrijventerrein Voorst, ligt op een afstand van ongeveer 400 m van het perceel van [appellant sub 1A], op een afstand van ongeveer 680 m van het perceel [locatie B] en op een afstand van ongeveer 700 m van de percelen aan de Voorsterweg.

7.4. De Afdeling stelt vast dat de geluidzone, op de verbeelding aangeduid met "geluidzone - industrie 1", in 1991 is vastgesteld als gevolg van het nabijgelegen bedrijventerrein Voorst. De Afdeling overweegt dat de raad in het plan als uitgangspunt heeft gehanteerd binnen deze geluidzone naast de bestaande geluidgevoelige functies geen nieuwe geluidgevoelige functies toe te staan.

Wat betreft het beroep van [appellant sub 1A] op het gelijkheidsbeginsel overweegt de Afdeling het volgende. De raad heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het perceel van [appellant sub 1A] niet in alle opzichten vergelijkbaar is met de percelen aan de Voorsterweg en het perceel [locatie B], omdat de geluidsituatie op de percelen en de omgeving waarin de percelen liggen verschillend is. [appellant sub 1A] stelt weliswaar terecht dat de percelen aan de Voorsterweg en het perceel [locatie B] dichter bij het bedrijventerrein Voorst liggen dan het perceel van [appellant sub 1A], maar de raad heeft aannemelijk gemaakt dat op het perceel van [appellant sub 1A] een hogere geluidbelasting optreedt. De raad heeft in dat verband toegelicht dat op het deel van het bedrijventerrein Voorst in de nabijheid van de percelen Voorsterweg en het perceel [locatie B] slechts bedrijven tot en met milieucategorie 3.1 zijn toegestaan en ter plaatse voornamelijk in gesloten gebouwen gewerkt wordt. Het perceel van [appellant sub 1A] ligt dichter bij de nabijgelegen industriehaven Katwolderhaven, die deel uitmaakt van het bedrijventerrein Voorst, dan de percelen aan de Voorsterweg en het perceel [locatie B]. De raad heeft toegelicht dat in de Katwolderhaven bedrijven zijn toegestaan in de milieucategorieën 4.1 tot en met 5.1, vrachtschepen in de open lucht laden en lossen en de ter plaatse gevestigde bedrijven storende piekgeluiden kunnen veroorzaken. [appellant sub 1A] heeft het voorgaande niet bestreden. Het betoog van [appellant sub 1A] dat uit navraag bij omwonenden van de Katwolderhaven blijkt dat zij geen hinder ondervinden van piekgeluiden en [appellant sub 1A] zelf ter plaatse dergelijke geluiden niet heeft waargenomen, maakt niet dat die geluiden niet kunnen optreden en geen hinder kunnen veroorzaken. De Afdeling acht daarbij van belang dat de raad ter zitting heeft toegelicht dat aan enkele bedrijven ter plaatse in het verleden milieuvergunningen zijn verleend voor activiteiten die piekgeluiden kunnen veroorzaken. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de percelen aan de Voorsterweg, anders dan het perceel van [appellant sub 1A], deel uitmaken van een woongebied, en die percelen derhalve ook om die reden niet vergelijkbaar zijn.

Over het betoog van [appellant sub 1A] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat [appellant sub 1A] niet aannemelijk heeft gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan de bouw van een woning op haar perceel zou toestaan. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld.

In de plantoelichting staat dat in het hiervoor geldende bestemmingsplan "Stadshagen, 2e partiële herziening" uit 2009 de grens van de geluidscontour is teruggelegd in de richting van het bedrijventerrein Voorst, zodat meer ruimte kon worden gecreëerd voor woningbouw in Stadshagen. Dit was mogelijk door het door het college van gedeputeerde staten vastgestelde saneringsprogramma, waarbij de bedrijven op het bedrijventerrein Voorst maatregelen hebben getroffen om de geluidsemissie in de gesaneerde zone te beperken. De raad heeft in de stukken noch ter zitting kunnen toelichten waarom het niet redelijk zou zijn opnieuw van die bedrijven te verlangen dat zij maatregelen treffen om woningbouw op het perceel van [appellant sub 1A] mogelijk te maken. De Afdeling acht in dat verband van belang dat ter zitting is gebleken dat de raad niet heeft onderzocht welke maatregelen dat zouden moeten zijn. Bovendien heeft de raad niet onderzocht of maatregelen aan de woning van [appellant sub 1A] zelf, bijvoorbeeld door de aanleg van een dove gevel zoals - zo volgt uit het verweerschrift - ook is gerealiseerd bij de woning op het perceel [locatie B], een aanvaardbaar geluidniveau kan worden bereikt. Voorts is van andere redenen waarom de raad een woning niet mogelijk wil maken, niet gebleken.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het besluit van de raad om de bouw van een woning op het perceel van [appellant sub 1A] niet mogelijk te maken niet op een deugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Tennispark aan de [locatie E]

8. [appellant sub 3], bewoner van het perceel [locatie C], en [appellant sub 2] en anderen, bewoners van de percelen [locaties D], richten zich tegen de gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover op het tennispark ten opzichte van het ontwerpplan een vergroting van het bouwvlak mogelijk is gemaakt en daarvoor een maximale bouwhoogte van 10 m geldt. Zij zijn tegen de realisering van een indoor-tennisbaan, in de vorm van een blaashal dan wel in de vorm van een tennishal als gebouw, die met voormelde wijziging mogelijk wordt gemaakt.

9. Aan het perceel [locatie E] (hierna: het tennispark) is de bestemming "Sport" toegekend en is een bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van ongeveer 2.590 m². Aan een oppervlak van 1.970 m² is de aanduiding "maximale bouwhoogte 10 m" toegekend en aan een oppervlak van 620 m², waar de bestaande kantine is gevestigd, de aanduiding "maximale bouwhoogte 7 m".

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Sport" aangewezen gronden bestemd voor:

a. sportterreinen;

b. gebouwen ten behoeve van sportvoorzieningen, zoals een kantine;

[…]

met de daarbij behorende;

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge lid 15.2.1 gelden voor het bouwen van gebouwen, fietsenstallingen en tribunes de volgende regels:

a. bergingen en fietsenstallingen met een grotere gezamenlijke oppervlakte per bestemmingsvlak dan 300 m², andere gebouwen met een grotere oppervlakte dan 15 m² en tribunes mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

[…]

c. binnen het bouwvlak mag ter plaatse van de aanduiding "maximale bouwhoogte (m)" de bouwhoogte in meters van een gebouw, een fietsenstalling en een tribune niet meer dan de aangegeven bouwhoogte bedragen.

10. In het ontwerpplan was aan het tennispark eveneens de bestemming "Sport" toegekend en was een bouwvlak opgenomen met een oppervlakte van ongeveer 620 m² en met de aanduiding "maximale bouwhoogte 7 m". De planregels bij het ontwerpplan verschilden op dit punt niet van de planregels bij het vastgestelde plan.

11. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen vrezen als gevolg van het plan, voor zover dat voorziet in een uitbreiding van de bouwmogelijkheden op het tennispark, voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

[appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat voor hun percelen als gevolg van de voorziene blaashal ten onrechte geen onderzoek naar geluidhinder als gevolg van het plan is verricht. [appellant sub 2] en anderen voeren in dat verband aan dat zij onaanvaardbare geluidhinder zullen ondervinden van de luchtcompressor die dag en nacht aan moet staan om de druk van de blaashal op peil te houden.

[appellant sub 2] en anderen betogen voorts dat de hoeveelheid uitstraling van licht afkomstig van de voorziene blaashal hun woon- en leefklimaat zal aantasten.

[appellant sub 2] en anderen betogen verder dat het plan in zoverre tot een onaanvaardbare aantasting van hun vrije uitzicht leidt.

11.1. De raad stelt zich ten aanzien van de gevreesde geluidhinder op het standpunt dat de afstand van het tennispark tot de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen in overeenstemming is met de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure). Bij de gewijzigde vaststelling is alleen het bestaande bouwvlak uitgebreid, waarvoor geen nader akoestisch onderzoek dan het akoestisch onderzoek dat in 2010 is verricht, hoefde te worden verricht, aldus de raad.

De raad stelt zich voorts op het standpunt dat een blaashal een positieve invloed heeft op de lichtinstraling. Wanneer sprake is van directe lichtinstraling, neemt deze na de realisatie van de hal af en is daarvan feitelijk geen sprake meer, aldus de raad.

11.2. Volgens de VNG-brochure geldt voor tennisbanen (met verlichting) wat betreft het maatgevende aspect geluid een richtafstand van 50 m.

Voor de installatie van luchtcompressoren geldt een aan te houden richtafstand van 30 m.

De richtafstand wordt volgens de VNG-brochure bepaald vanaf de grens van de bestemming die het bedrijf toelaat tot de uiterste situering van de gevel van een woning die volgens het plan mogelijk is.

11.3. De Afdeling overweegt dat de VNG-brochure uitgaat van het beginsel van gemotiveerd toepassen. De raad heeft toegelicht dat hij de VNG-brochure heeft toegepast, omdat in de brochure richtafstanden zijn opgenomen voor tennisbanen en voor luchtcompressoren. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat de luchtcompressor binnen het bouwvlak wordt geplaatst. De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand van de uiterste situering van de gevel van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen tot het bouwvlak op het tennispark ongeveer 70 m is en die afstand in overeenstemming is met de richtafstanden genoemd in de VNG-brochure. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen hebben geen akoestisch onderzoek overgelegd waaruit volgt dat de geluidbelasting ter hoogte van hun woningen als gevolg van de luchtcompressor niet aanvaardbaar zou zijn. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat als gevolg van de voorziene blaashal en de daarbij behorende luchtcompressor geen onaanvaardbare geluidhinder zal worden ondervonden ter plaatse van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen.

Voorts overweegt de Afdeling dat zij het standpunt van de raad over de door [appellant sub 2] en anderen gevreesde lichthinder niet onjuist acht. [appellant sub 2] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de lichtinstraling in hun woningen als gevolg van de realisering van een blaashal zal toenemen. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat als gevolg van de realisering van de blaashal geen ernstige aantasting door licht zal plaatsvinden ter plaatse van de woningen van [appellant sub 2] en anderen.

Wat betreft het uitzicht is de Afdeling van oordeel dat niet op voorhand kan worden uitgesloten dat voor [appellant sub 2] en anderen enig verlies aan uitzicht zal optreden. De raad heeft daaraan echter bij de afweging van de belangen van [appellant sub 2] en anderen bij het behoud van hun uitzicht en het belang van het realiseren van een tennishal als gebouw geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen, nu geen blijvend recht op vrij uitzicht bestaat. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de kortste afstand van de woningen van [appellant sub 2] en anderen tot het bouwvlak op het tennispark waar de blaashal mogelijk wordt gemaakt ongeveer 70 m is. Derhalve faalt dit betoog.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen tot gevolg heeft.

12. [appellant sub 2] en anderen betogen dat de grote financiële betrokkenheid van de raad bij de tennisvereniging ten onrechte een rol heeft gespeeld bij de beslissing van de raad het verzoek van de tennisvereniging voor de blaashal te honoreren.

12.1. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de tennissport in Zwolle volledig geprivatiseerd is, hetgeen betekent dat investeringskosten in beginsel voor rekening komen van de tennisverenigingen zelf. Dat in het verleden garant is gestaan voor TC Stadshagen ’91, zodat de bouw van een nieuw tennispark kon worden gefinancierd, staat volgens de raad los van zijn besluit medewerking te verlenen aan het verzoek van de tennisvereniging om een blaashal mogelijk te maken. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen in zoverre hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat louter financiële motieven een rol hebben gespeeld bij het mogelijk maken van de blaashal.

13. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat de bouwmogelijkheden voor een blaashal of tennishal als gebouw door de vergroting van het bouwvlak en de daarbij vastgestelde maximale bouwhoogte leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het open en groene polderlandschap in de omgeving. Volgens hen volgt uit de verkoopbrochure van de wijk Stadshagen en de plantoelichting bij het voorliggende plan dat het uitgangspunt van de raad is om de groene, laaggelegen gronden tussen de terpen niet te bebouwen. De bouwmogelijkheden voor het tennispark zijn daarmee in strijd, aldus [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen.

13.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de wijk Stadshagen I ongeveer 8.500 woningen worden gebouwd en aansluitend Stadshagen II, waarvoor in 2006 een bestemmingsplan is vastgesteld, zal worden ontwikkeld ten noorden en westen van de locatie van het tennispark waar ongeveer 4.000 woningen zijn voorzien. Het tennispark komt door deze voorziene ontwikkelingen in het stedelijk woongebied genaamd de Weteringzone te liggen. Die zone vormt volgens de raad weliswaar de centraal liggende groene drager voor de omliggende woonbuurten, maar de Weteringzone omvat een groter gebied dan alleen het tennispark, zodat de uitbreiding van het bouwvlak niet leidt tot het volledig bebouwen van de open groene ruimtes, aldus de raad.

13.2. In de plantoelichting staat dat de Weteringzone een groene strategische zone is in de wijk Stadshagen. Voorts staat er dat de Weteringzone een landschappelijke inrichting heeft en de aansluiting vormt op de polder Mastenbroek. Deze zone bestaat uit recreatieve voorzieningen, scholen en grote terpen met meerdere vrijstaande woningen. De Oude Wetering maakt deel uit van de Weteringzone en vormt de centrale groene drager voor de omliggende woonbuurten. Daarbij is de karakteristiek van de Oude Wetering met zijn verhoogde terpen, waarop bebouwing staat, versterkt door de introductie van nieuwe terpen, elk bestaande uit vier tot vijf vrijstaande woningen. Langs de Oude Wetering zijn dichte clusters bebouwing op terpen te zien en open groene gebieden op lagere delen daartussen.

13.3. Voor zover [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en anderen wijzen op een verkoopbrochure overweegt de Afdeling dat dat geen gemeentelijk beleid is en daaraan derhalve bij de beoordeling van dit plan geen betekenis kan worden toegekend.

De Afdeling overweegt dat bij de beoordeling van het plan met betrekking tot de landschappelijke inpasbaarheid moet worden uitgegaan van de maximale planologische invulling van dat plan. Gelet op de bestemmingsomschrijving in artikel 15, lid 15.1, in samenhang met lid 15.2.1, aanhef en onder c, van de planregels staat het plan er niet aan in de weg dat op het tennispark, naast de bestaande kantine waarvoor een maximale bouwhoogte van 7 m geldt, een gebouw met een oppervlakte van ongeveer 1.970 m² wordt gerealiseerd waarvoor een maximale bouwhoogte van 10 m geldt.

Voor zover [appellant sub 2] en anderen met het open en groene polderlandschap, naast de Weteringzone, ook doelen op het gebied buiten de Weteringzone, overweegt de Afdeling dat de raad in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat het tennispark vanwege het in 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Stadshagen II", dat thans in rechte onaantastbaar is en dat voorziet in 4.000 woningen, in het stedelijk woongebied komt te liggen en de bouwmogelijkheden voor het tennispark derhalve geen inbreuk maken op een dergelijk gebied.

Ten aanzien van de Weteringzone overweegt de Afdeling dat de raad die zone aanmerkt als de centraal liggende groene drager voor de omliggende woonbuurten. De raad heeft in de stukken en ter zitting onvoldoende toegelicht waarom de in het plan opgenomen bebouwingsmogelijkheden, waar wordt gedoeld op de situatie waarin al dan niet jaarrond een blaashal op het tennispark staat en de situatie waarin een tennishal in de vorm van een gebouw wordt gerealiseerd, geen inbreuk vormen op de Weteringzone. Het standpunt van de raad dat de Weteringzone een groter gebied omvat dan het tennispark, zodat de Weteringzone niet volledig bebouwd zal worden, acht de Afdeling onvoldoende, omdat uit de plantoelichting volgt dat de Weteringzone wordt gekenmerkt door de bebouwde terpen en daartussen de open groene delen, waarvan het tennispark deel uitmaakt. Voorts is met het standpunt van de raad niets gezegd over de landschappelijke aanvaardbaarheid van de maximale bouwhoogte ter plaatse. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het besluit van de raad om voormelde bouwmogelijkheid in het plan op te nemen niet op een deugdelijke motivering berust. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

14. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat geen behoefte bestaat aan indoor-tennismogelijkheden op het tennispark. Volgens hen zijn er in Zwolle andere tennisparken waar indoor kan worden getennist, waarbij zij wijzen op de tennisverenigingen PAF Zwolle en ZLTB Zwolle.

Daarnaast voeren zij aan dat TC Stadshagen ’91 in haar zienswijze enkel heeft verzocht om een blaashal gedurende wintermaanden, maar staat het plan er ten onrechte niet aan in de weg dat jaarrond gebruik kan worden gemaakt van een indoor-tennismogelijkheid.

14.1. TC Stadshagen ’91 heeft in haar zienswijze, naar aanleiding waarvan het plan op dit punt gewijzigd is vastgesteld, aan de raad verzocht de plaatsing van een opblaasbare tennishal gedurende het winterseizoen (oktober tot en met maart) op het tennispark planologisch mogelijk te maken.

14.2. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat geen behoefte bestaat aan een blaashal op het tennispark gedurende de wintermaanden. Ter zitting heeft TC Stadshagen ’91 verklaart dat zij thans haar thuiswedstrijden in de najaarscompetitie in nabijgelegen dorpen op tennisparken met indoor-tennisbanen moet spelen, terwijl zij dat graag op de eigen locatie zou willen doen. De Afdeling acht die wens niet onredelijk, nu tegenwoordig relatief veel tennisparken over een indoor-tennismogelijkheid beschikken, omdat leden in de winter onder slechte weersomstandigheden ook willen tennissen. De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat de tennisparken waar [appellant sub 2] en anderen op wijzen op ongeveer 3,5 km onderscheidenlijk 6 km afstand van het tennispark van TC Stadshagen ’91 liggen, zodat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de nabije omgeving van TC Stadshagen´91 geen aanbod aan indoor-tennisbanen bestaat.

14.3. Ter zitting is gebleken dat TC Stadshagen ’91 de blaashal reeds in bezit heeft en hem in het verleden reeds verscheidene malen heeft gebruikt. TC Stadshagen ’91 heeft toegelicht dat deze blaashal een hoogte heeft van ongeveer 7 m en dat zij niet voornemens is een nieuwe blaashal aan te schaffen met een hoogte van meer dan 7 m. De Afdeling stelt vast dat het plan meer mogelijk maakt dan de plaatsing van de blaashal, nu in de planregels een maximale bouwhoogte van 10 m is opgenomen en het gebruik en de aanwezigheid van het bouwwerk daarin niet zijn beperkt tot de maanden oktober tot en met maart. Ter zitting heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat hij voor een dergelijke regeling heeft gekozen, omdat hij voor TC Stadshagen ’91 wil voorzien in een mogelijkheid om in de toekomst een tennishal te bouwen waarin jaarrond kan worden getennist. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat uit stedenbouwkundig oogpunt geen aanleiding bestaat het gebruik te beperken tot de wintermaanden. Desgevraagd heeft TC Stadshagen ’91 ter zitting echter te kennen gegeven dat zij binnen de planperiode geen behoefte heeft aan een indoor-tennismogelijkheid in de vorm van een gebouw en dat de blaashal alleen noodzakelijk is voor de periode oktober tot en met maart.

Nu niet is gebleken dat behoefte bestaat aan een blaashal waarin jaarrond kan worden getennist en nu voorts niet is gebleken dat behoefte bestaat aan een indoor-tennismogelijkheid in de vorm van een gebouw met een hoogte van 10 m, is de Afdeling van oordeel dat het plan in zoverre zonder noodzaak in te ruime bouwmogelijkheden voorziet. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3.1 van de Wro.

Conclusie

15. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 46, zesde lid, van de Wet op de Raad van State, zoals dit luidde ten tijde van belang, op te dragen de gebreken in het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Tuin" voor het perceel aan de [locatie A], kadastraal bekend als sectie [.], perceelnummer [….], en voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Sport" voor het perceel [locatie E], voor zover een bouwvlak groter dan 620 m² is toegekend en voor zover ter plaatse ingevolge de planregeling een hogere maximale bouwhoogte geldt dan 7 m, binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

Wat betreft het plandeel met de bestemming "Tuin" aan de [locatie A] dient de raad daartoe met inachtneming van overweging 7.4 alsnog te onderzoeken welke maatregelen zouden kunnen worden getroffen om woningbouw op het perceel van [appellant sub 1A] mogelijk te maken en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek het besluit met inachtneming van alle betrokken belangen alsnog toereikend te motiveren dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

Wat betreft het plandeel met de bestemming "Sport" voor het perceel [locatie E], voor zover een bouwvlak groter dan 620 m² is toegekend en voor zover ter plaatse ingevolge de planregeling een hogere maximale bouwhoogte geldt dan 7 m, dient de raad daartoe met inachtneming van de overwegingen 13.3 en 14.3 het besluit alsnog toereikend te motiveren, dan wel het besluit, zonder dat daarbij toepassing behoeft te worden gegeven aan afdeling 3.4 van de Awb, te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling. In het laatste geval dient het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt te worden.

16. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Zwolle op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van overwegingen 7.4, 13.3 en 14.3 de daar omschreven gebreken te herstellen;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en eventueel een gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Michiels w.g. Huszar

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

533-668.