Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3654

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201200593/1/R2, 201205887/1/R2 en 201300402/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij brief van 26 januari 2011 heeft het college [belanghebbende A] meegedeeld dat zijn melding krachtens de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de stikstofverordening) van de wijziging van de melkvee- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie 1] te Valkenswaard is geaccepteerd en dat saldo uit de depositiebank is gereserveerd.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 19d
Natuurbeschermingswet 1998 19da
Natuurbeschermingswet 1998 19db
Natuurbeschermingswet 1998 19e
Natuurbeschermingswet 1998 19f
Natuurbeschermingswet 1998 19g
Natuurbeschermingswet 1998 19ke
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2013/2622
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/1892
BR 2013/117 met annotatie van H.E. Woldendorp
AB 2013/337 met annotatie van mr. R.H.W. Frins
M en R 2013/139 met annotatie van M.M. Kaajan
JOM 2013/551
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200593/1/R2, 201205887/1/R2 en 201300402/1/R2.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in de gedingen tussen:

1. de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., gevestigd te Nijmegen en [appellant sub 1], wonend te Valkenswaard (hierna: MOB en [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2], wonend te Erp, en anderen (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3. [appellanten sub 3] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 3]), wonend te Oirschot,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college),

verweerder.

Procesverloop

Bij brief van 26 januari 2011 heeft het college [belanghebbende A] meegedeeld dat zijn melding krachtens de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant (hierna: de stikstofverordening) van de wijziging van de melkvee- en vleesvarkenshouderij aan de [locatie 1] te Valkenswaard is geaccepteerd en dat saldo uit de depositiebank is gereserveerd.

Bij besluit van 13 december 2011, kenmerk C2016845/281607, heeft het college het door MOB en [appellant sub 1] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben MOB en [appellant sub 1] beroep ingesteld (zaak nr. 201200593/1/R2).

Bij brief van 16 november 2011 heeft het college [belanghebbende B] meegedeeld dat haar melding krachtens de stikstofverordening van de uitbreiding/wijziging van een pluimveebedrijf aan de [locatie 2] te Erp voor kennisgeving is aangenomen en dat geen saldering nodig is uit de depositiebank.

Bij besluit van 8 mei 2012, kenmerk C2060585/3013128, heeft het college het door [appellant sub 2] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 2] beroep ingesteld (zaak nr. 201205887/1/R2).

Bij brief van 3 april 2012 heeft het college [belanghebbende C] meegedeeld dat haar melding krachtens de stikstofverordening van de uitbreiding/wijziging van een varkenshouderij aan de [locatie 3] te Oirschot voor kennisgeving is aangenomen en dat geen saldering nodig is uit de depositiebank.

Bij besluit van 20 november 2012, kenmerk C2075966/3281205, heeft het college het door [appellant sub 3] hiertegen gemaakt bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant sub 3] beroep ingesteld (zaak nr. 201300402/1/R2).

Het college heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.

MOB en [appellant sub 1], [appellant sub 3] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken ter zitting gevoegd behandeld op 23 april 2013, waar MOB en [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college vertegenwoordigd door, mr. M. Uittenbosch, gemachtigde en ing. G. Leeuwerke, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn [belanghebbende A], vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, [belanghebbende B], vertegenwoordigd door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg en [belanghebbende C], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, daar gehoord.

Overwegingen

inleiding

1. Met de stikstofverordening wordt beoogd de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant terug te dringen onder meer door het stellen van technische eisen aan stallen en door het stellen van stikstofdepositie-eisen aan agrarische bedrijven. De stikstofverordening voorziet verder in de oprichting van een depositiebank. Daarin zijn stikstofdeposities opgenomen van milieuvergunningen die na 7 december 2004 zijn ingetrokken, van agrarische bedrijven die op 7 december 2004 nog aantoonbaar in werking waren.

De bouw van nieuwe stallen dient te worden gemeld bij het college. Het college beoordeelt of de stal aan de gestelde technische eisen voldoet, stelt een zogenoemd gecorrigeerd emissieplafond vast en beoordeelt of de stal leidt tot een toename van ammoniakemissie ten opzichte van het gecorrigeerd emissieplafond. Het gecorrigeerd emissieplafond is in de meeste gevallen de ammoniakemissie die voortvloeit uit de milieuvergunning die op 7 december 2004 gold, gecorrigeerd op basis van de eisen uit het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij (AMvB Huisvesting).

Als de ammoniakemissie niet hoger is dan het gecorrigeerd emissieplafond dan wordt de melding voor kennisgeving aangenomen. Is de ammoniakemissie hoger dan het gecorrigeerd emissieplafond en neemt daardoor de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied toe, dan wordt bezien of de toename gesaldeerd kan worden door het onttrekken van saldo uit de depositiebank. Als het saldo aanwezig is, wordt dit voor één jaar gereserveerd. De onttrekking wordt definitief als de omgevingsvergunning voor bouwen in werking treedt. Het gecorrigeerd emissieplafond voor het bedrijf wordt vervolgens aangepast aan de emissie na saldering.

wettelijk kader

2. Ingevolge artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn treffen de lidstaten passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben.

Ingevolge het derde lid, wordt voor elk plan of project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo’n gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Gelet op de conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied en onder voorbehoud van het bepaalde in lid 4, geven de bevoegde nationale instanties slechts toestemming voor dat plan of project nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied niet zal aantasten en nadat zij in voorkomend geval inspraakmogelijkheden hebben geboden.

2.1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) voor zover relevant, is het verboden zonder vergunning projecten en andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ingevolge artikel 19e, houden gedeputeerde staten bij het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, rekening met de gevolgen die een project of andere handeling, waarop de vergunningaanvraag betrekking heeft […] kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

Ingevolge artikel 19f wordt voor projecten die niet verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere projecten of plannen significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling.

Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, slechts worden verleend indien gedeputeerde staten zich op grond van de passende beoordeling ervan hebben verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.

2.2. Ingevolge artikel 19ke, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover van belang, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat passende maatregelen worden genomen om verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied te voorkomen.

Ingevolge het tweede en derde lid kunnen in categorieën van gevallen bij provinciale verordening verplichtingen worden opgelegd om binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn:

a. de nodige preventieve of herstelmaatregelen te treffen, met inachtneming van door het bevoegd gezag gegeven instructies;

b. de handeling te staken of te beperken;

c. informatie over de handeling te verstrekken.

Ingevolge artikel 19kf, tweede lid, kunnen provinciale staten in een dergelijke verordening de verplichting opleggen dat de stikstofdepositie op de voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied die wordt veroorzaakt door het desbetreffende handelen, geheel dan wel voor een bepaald deel, niet groter is dan de door gedeputeerde staten geregistreerde en voor dit handelen beschikbaar gestelde afname van stikstofdepositie op deze habitats als gevolg van de beëindiging van een of meer bepaalde andere handelingen. Ingevolge artikel 19ke, vijfde lid, is het verboden in strijd te handelen met een verplichting als bedoeld in het tweede lid.

2.3. Ingevolge artikel 2 van de stikstofverordening, zoals deze luidde ten tijde van belang, draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk drijver van de betrokken inrichting ervoor zorg dat bij het realiseren van een nieuwe stal voldaan is aan de vereisten opgenomen in Bijlage 1 bij deze verordening.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, meldt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de betrokken inrichting, het voornemen tot het realiseren van een of meer nieuwe stallen bij gedeputeerde staten.

Ingevolge het tweede lid, wordt, indien door het realiseren van de nieuwe stallen een saldering als bedoeld in de artikelen 23 tot en met 29 noodzakelijk is, een daartoe strekkend verzoek gelijktijdig met de melding ingediend.

Ingevolge artikel 9 besluiten gedeputeerde staten naar aanleiding van de melding:

a. indien nieuwe stallen voldoen aan de vereisten als opgenomen in Bijlage 1 bij deze regeling en geen overschrijding van het gecorrigeerd emissieplafond optreedt, de melding voor kennisgeving aan te nemen;

b. indien voldaan is aan vereisten als opgenomen in Bijlage 1 bij deze regeling en het gecorrigeerd emissieplafond overschreden wordt bij een bedrijf vallend onder categorie A of B als bedoeld in artikel 17, over de mogelijkheid van saldering overeenkomstig de artikelen 23 tot en met 29;

c. indien onvoldoende mogelijkheden bestaan voor de onder b. genoemde saldering, over een aanschrijving tot het beperken van de bedrijfsomvang, dan wel het treffen van technische voorzieningen waardoor de depositie het niveau overeenkomend met het gecorrigeerd emissieplafond niet meer overschrijdt met inachtneming van het bepaalde in artikel 19ke Nbw 1998.

d. indien het gecorrigeerd emissieplafond overschreden wordt bij een bedrijf vallend onder categorie C als bedoeld in artikel 17, over een aanschrijving tot het beperken van de bedrijfsomvang, dan wel het treffen van technische voorzieningen, waardoor de depositie het niveau overeenkomend met het gecorrigeerd emissieplafond niet meer overschrijdt met inachtneming van artikel 19ke Nbw 1998.

e. indien het gaat om een bedrijf vallend onder categorie D als bedoeld in artikel 17, over een aanschrijving tot het beperken van de bedrijfsomvang, dan wel het treffen van technische voorzieningen, waardoor:

1e bij een ten tijde van het inwerkingtreden van deze regeling reeds bestaande piekbelasting de depositie binnen een redelijke termijn daalt tot beneden 200,00 mol N/ha/jr.

2e bij een nieuw optredende piekbelasting de depositie onmiddellijk teruggebracht wordt tot de waarde, die overeenkomt met het gecorrigeerd emissieplafond, indien de uitgangssituatie van het bedrijf in categorie C valt, dan wel tot ten hoogste 50,0 mol N/ha/jr, indien de uitgangssituatie van het bedrijf in categorie A of B valt. In de laatstgenoemde situatie wordt rekening gehouden met de eventueel mogelijke saldering.

Ingevolge artikel 17 worden bedrijven al naar gelang hun maximale N-depositie op een N-gevoelig habitat binnen een Natura 2000-gebied, op basis van de door de initiatiefnemer, onderscheidenlijk door de drijver van de betrokken inrichting beoogde situatie, ingedeeld in de volgende categorieën:

A. Bedrijven met een N-depositie van 5,0 mol/ha/jr of minder

B. Bedrijven met een N-depositie boven 5,0 maar niet meer dan 50,0 mol/ha/jr.

[..]

Ingevolge artikel 18 draagt de initiatiefnemer, onderscheidenlijk de drijver van de inrichting die valt onder categorie A zorg dat:

a. de N-depositie niet toeneemt boven de waarde, die correspondeert met een emissie overeenkomend met het gecorrigeerd emissieplafond, of

b. een toename van de N-depositie boven het onder a. bedoelde niveau aangemeld wordt voor saldering als aangegeven in de artikelen 23 tot en met 29.

Ingevolge artikel 22 wordt ten behoeve van saldering, bedoeld in artikel 23, een referentie-emissie op bedrijfsniveau vastgesteld, die

a. indien een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet is verleend, overeenkomt met de emissie behorend bij de bedrijfssituatie die aan deze vergunning ten grondslag ligt, nadat deze is gecorrigeerd voor de vereisten van de AMvB Huisvesting;

b. indien een vergunning krachtens de Natuurbeschermingswet ontbreekt, overeenkomt met de emissie volgens de bedrijfssituatie die ten grondslag ligt aan de op 7 december 2004 geldende vergunning krachtens de Wet milieubeheer, of melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer, nadat deze gecorrigeerd is voor de vereisten van de AMvB Huisvesting.

Ingevolge artikel 24 vindt saldering uitsluitend plaats met de N-deposities die opgenomen zijn in de depositiebank als bedoeld in artikel 12 van deze regeling.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, stemmen gedeputeerde staten, behoudens de uitzonderingen bedoeld in de artikelen 33 en 35, naar aanleiding van een verzoek als bedoeld in artikel 6, tweede lid, uitsluitend in met de saldering indien de depositiebank voldoende en op geschikte locaties gelegen depositierechten bevat om de saldering uit te voeren.

Ingevolge artikel 30, eerste lid, vindt de onttrekking van de depositierechten aan de depositiebank plaats op de datum dat de melding, bedoeld in artikel 6, in behandeling genomen wordt.

Ingevolge het tweede lid is de onttrekking tijdelijk voor een periode van ten hoogste een jaar en wordt definitief op het moment dat de bouwvergunning of daarmee overeenkomende omgevingsvergunning in werking treedt. Ingevolge het derde lid kan, indien een tijdelijke onttrekking eindigt door tijdsverloop een verzoek tot verlenging van de termijn ingediend worden. Ingevolge het vierde lid, kunnen aan een tijdelijke onttrekking, dan wel een lopend verzoek voor termijnverlenging geen rechten ontleend worden.

Ingevolge artikel 32 geldt de N-emissie van het bedrijf na het definitief worden van de saldering, bedoeld in artikel 30, tweede lid, vanaf dat moment als nieuwe waarde voor het gecorrigeerd emissieplafond.

Ingevolge artikel 34 kunnen gedeputeerde staten in individuele gevallen bepalingen vastgesteld bij of krachtens deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, mits dit geen negatieve invloed heeft op het streven naar algemene depositieafname.

het besluitkarakter van de beslissingen op grond van de stikstofverordening

3. De Afdeling ziet zich in de eerste plaats voor de vraag gesteld of de schriftelijke reactie van het college op een melding krachtens de stikstofverordening een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waartegen bezwaar openstaat.

In het besluit op het bezwaarschrift van MOB en [appellant sub 1] is het college ervan uitgegaan dat zijn reactie inhoudende dat de melding is geaccepteerd en saldo is gereserveerd een besluit is. In het besluit op het bezwaarschrift van [appellant sub 2] heeft het college aangenomen dat de reactie inhoudende dat een melding voor kennisgeving wordt aangenomen en dat geen saldering nodig is een besluit is. In het besluit op het bezwaarschrift van [appellant sub 3] stelt het college zich op het standpunt dat de reactie inhoudende dat de melding voor kennisgeving wordt aangenomen en dat geen saldering nodig is geen besluit is.

3.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

3.2. De Afdeling is van oordeel dat de aanschrijvingen die het college in reactie op een melding krachtens artikel 9, onder c, d en e, van de stikstofverordening kan geven besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Deze aanschrijvingen leggen verplichtingen op aan de initiatiefnemer of drijver van een inrichting en zijn daarmee op rechtsgevolg gericht.

3.3. Voor de beoordeling of de mededelingen als bedoeld in artikel 9, onder a en b, van de stikstofverordening besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb is het volgende van belang. De initiatiefnemer of drijver van een inrichting dient ingevolge artikel 18 van de stikstofverordening ervoor zorg te dragen dat de N-depositie van het bedrijf niet toeneemt boven de waarde die correspondeert met een emissie overeenkomend met het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie, dat door het college op grond van artikel 22 wordt vastgesteld. Leidt de ingebruikname van een nieuwe stal tot een overschrijding van het gecorrigeerd emissieplafond en neemt daardoor de stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied toe, dan dient verzocht te worden om saldering. Als saldo beschikbaar is, wordt dit gereserveerd. Nadat de saldering definitief is geworden wordt ingevolge artikel 32 het gecorrigeerd emissieplafond voor het bedrijf aangepast. Dit aangepaste gecorrigeerde emissieplafond geldt voor een bedrijf bij een volgende uitbreiding als uitgangssituatie.

3.4. De Afdeling overweegt dat de beslissing van het college op grond van artikel 9, onder a en b allereerst de vaststelling van de hoogte van het gecorrigeerd emissieplafond inhoudt. Die beslissing vergt een berekening en beoordeling van de uitgangssituatie. Als de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie niet hoger is dan het vastgestelde gecorrigeerde emissieplafond, dan is geen saldering nodig en geldt het vastgestelde gecorrigeerde emissieplafond ook voor een volgende uitbreiding als uitgangssituatie. Op grond van artikel 9, onder a, wordt de melding dan voor kennisgeving aangenomen. Als de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie hoger is dan het vastgestelde gecorrigeerde emissieplafond en de stikstofdepositie neemt toe, dan wordt, indien mogelijk, saldo gereserveerd uit de depositiebank. Na het definitief worden van de saldering, wordt het vastgestelde gecorrigeerde emissieplafond aangepast. Het aangepaste gecorrigeerde emissieplafond geldt vervolgens als uitgangssituatie voor de beoordeling van een volgende uitbreiding. Op grond van artikel 9, onder b, wordt de melding geaccepteerd en saldo gereserveerd.

De mededelingen op grond van artikel 9, onder a en b, bevatten derhalve beide een beslissing over de hoogte van het gecorrigeerd emissieplafond en de uitgangssituatie voor een volgende uitbreiding van een agrarisch bedrijf. Deze beslissingen zijn naar het oordeel van de Afdeling op rechtsgevolg gericht en zijn aan te merken als besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

verhouding tot Nbwvergunning: geconcentreerde rechtsbescherming?

4. In de gevallen waarin op grond van de stikstofverordening een melding moet worden gedaan is ook een vergunning op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 vereist. De bouw van een stal die stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied tot gevolg heeft is immers een project dat een verslechterend effect op een Natura 2000-gebied kan hebben.

Het college heeft in zijn nadere reactie van 10 april 2013 gesteld dat de salderingsbeslissing op grond van de stikstofverordening in een vergunningprocedure als mitigerende maatregel kan worden ingebracht. Door MOB en [appellant sub 1] is verzocht om in de situatie waarin de salderingsbeslissing op grond van de stikstofverordening wordt ingebracht in de Nbwvergunning, al dan niet met toepassing van artikel 6:3 van de Awb, uit te gaan van geconcentreerde rechtsbescherming, in de zin dat de salderingsbeslissing op grond van de stikstofverordening niet zelfstandig, maar tegelijk met de vergunning appellabel is.

4.1. Ingevolge artikel 6:3 van de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

4.2. In de nadere reactie van 10 april 2013 stelt het college dat de salderingsbeslissing op grond van de stikstofverordening weliswaar kan worden gebruikt in een vergunningprocedure, maar dat de salderingsbeslissing niet slechts een beslissing is ter voorbereiding van de vergunningverlening. Doel en functie van saldering op grond van de stikstofverordening en in het kader van de vergunning zijn volgens het college zodanig verschillend, dat beide vormen van saldering volledig los van elkaar staan.

4.3. De stikstofverordening is gebaseerd op artikel 19ke van de Nbw 1998, op grond waarvan het bevoegd gezag ervoor zorg draagt dat passende maatregelen worden genomen om verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied te voorkomen. Artikel 19ke van de Nbw 1998 en de stikstofverordening zijn instrumenten ter implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Met de stikstofverordening, met daarin de mogelijkheid van saldering, wordt beoogd de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant te verminderen ten opzichte van 7 december 2004. Voor de beoordeling of een nieuwe stal leidt tot een toename van ammoniakemissie en saldering nodig is, is relevant of de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie ten opzichte van het gecorrigeerd emissieplafond toeneemt. Dit gecorrigeerd emissieplafond is in de meeste gevallen de ammoniakemissie die op 7 december 2004 was vergund krachtens de Wet milieubeheer, gecorrigeerd voor de eisen van de AMvB Huisvesting. Bij stallen die op 7 december 2004 zijn vergund krachtens de Wet milieubeheer en die nog niet zijn aangepast aan de eisen van de AMvB Huisvesting, betekent dit dat de emissiereductie die wordt verkregen door aanpassing van deze bestaande stallen aan de eisen van de AMvB Huisvesting, niet kan worden ingezet voor de bouw van een nieuwe stal. De reductie die door deze aanpassingen kan worden behaald is verrekend in het gecorrigeerd emissieplafond, dat bij stallen die nog niet aan de huisvestingseisen voldoen derhalve lager is dan de ammoniakemissie die volgt uit de vergunde situatie op 7 december 2004. Een toename van ammoniakemissie ten opzichte van het gecorrigeerd emissieplafond, dient als deze ook leidt tot een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied gesaldeerd te worden.

4.4. De vergunningplicht voor het realiseren van een project zoals opgenomen in artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, is een implementatie van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. In de vergunningprocedure zal de aanvrager moeten aantonen dat zijn initiatief de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Voor het antwoord op die vraag is relevant of een toename van stikstofdepositie plaatsvindt ten opzichte van de vergunde situatie op de referentiedatum. De referentiedatum is de datum waarop artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn van toepassing werd op een Natura 2000-gebied. Voor Habitatrichtlijngebieden is dat in de regel 7 december 2004. Voor Vogelrichtlijngebieden is dat de datum waarop het aanwijzingsbesluit van kracht werd, tenzij die datum voor 10 juni 1994 ligt. In die gevallen geldt 10 juni 1994 als referentiedatum. Als de bouw van een stal ten opzichte van de vergunde situatie op de referentiedatum tot een toename van stikstofdepositie leidt, dan kan een vergunning worden verleend als de toename door mitigerende maatregelen, bijvoorbeeld saldering, wordt weggenomen. In een passende beoordeling dient het effect van de mitigerende maatregel inzichtelijk te worden gemaakt.

4.5. Uit het voorgaande volgt dat in veel gevallen de afweging inzake de toename van de ammoniakemissie van een nieuwe stal in het kader van de stikstofverordening en de afweging inzake een vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998 op een andere wijze plaatsvindt. De datum van 7 december 2004 is voor de vergunningprocedure niet in alle gevallen de relevante referentiedatum en in de vergunningprocedure wordt niet gerekend met een gecorrigeerd emissieplafond. Dit betekent, zoals het college ook inzichtelijk heeft gemaakt in zijn nadere reactie van 10 april 2013, dat in bepaalde gevallen op grond van de stikstofverordening saldering nodig is, terwijl dat voor de vergunning niet het geval is. Ook als zowel in het kader van de stikstofverordening als de vergunningprocedure gesaldeerd moet worden, is niet gezegd dat de saldering op grond van de stikstofverordening toereikend is voor het oordeel in het kader van de vergunningverlening, dat de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Voor de vergunning is dan, buiten het systeem van de verordening om, aanvullende saldering nodig. Het is aan de aanvrager van de vergunning of hij de saldering krachtens de stikstofverordening betrekt in de passende beoordeling die ten grondslag wordt gelegd aan de vergunningaanvraag.

4.6. Voorts volgt uit 4.3 en 4.4 dat het doel van saldering in het kader van de stikstofverordening en de vergunning verschillend is. De stikstofverordening, waarvan de saldering een onderdeel is, is bedoeld als passende maatregel in de zin van artikel 19ke van de Nbw 1998, terwijl de saldering in de vergunningprocedure als mitigerende maatregel wordt betrokken in de passende beoordeling op grond van artikel 19f van de Nbw 1998.

De saldering op grond van de verordening moet worden beoordeeld in het licht van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn op grond waarvan het bevoegd gezag passende maatregelen moet nemen om onder meer verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats in een Natura 2000-gebied te voorkomen.

Een saldering die als mitigerende maatregel wordt betrokken in een passende beoordeling ten behoeve van een vergunning moet worden beoordeeld in het licht van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Dat betreft een voorafgaande passende beoordeling van een project dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied.

4.7. Deze verschillende beoordelingskaders, alsmede het overwogene in 4.5, vormen grond voor het oordeel dat de salderingsbeslissing krachtens de stikstofverordening geen beslissing is inzake de procedure ter voorbereiding van een ander besluit, in dit geval een Nbwvergunning. De salderingsbeslissing is derhalve geen beslissing als bedoeld in artikel 6:3 van de Awb. Ook anderszins bestaan er, gelet op 4.5 en 4.6, naar het oordeel van de Afdeling geen redenen uit te gaan van een concentratie van rechtsbescherming in de zin dat de salderingsbeslissing op grond van de verordening niet zelfstandig appellabel is, maar uitsluitend in het kader van de Nbwvergunning aan de orde zou kunnen worden gesteld.

4.8. Het voorgaande betekent dat tegen de besluiten die krachtens artikel 9, onder a en b, van de stikstofverordening worden genomen naar aanleiding van een melding, bezwaar en vervolgens - nu de verordening berust op de Nbw 1998 - beroep in eerste en enige aanleg bij de Afdeling open staat.

Als een saldering op grond van de stikstofverordening als mitigerende maatregel wordt betrokken in een passende beoordeling voor een Nbwvergunning, dan kan de saldering in die procedure in bezwaar en beroep aan de orde worden gesteld. De saldering als mitigerende maatregel zal dan worden beoordeeld in het licht van artikel 19f van de Nbw 1998 en artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn. Gelet op de verschillen in de beoordelingskaders zoals weergeven in 4.6 is in de procedure over de Nbwvergunning niet relevant of de saldering ook in het kader van de stikstofverordening is aangevochten. Verder brengen deze verschillen mee dat het oordeel van de Afdeling over een salderingsbeslissing in een procedure op grond van de stikstofverordening uitsluitend betekenis heeft voor de toepassing van de verordening.

Verhouding artikel 19ke van de Nbw 1998 en stikstofverordening tot artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn

5. MOB en [appellant sub 1] betogen dat artikel 19ke van de Nbw 1998, waarop de stikstofverordening is gebaseerd, onverbindend is wegens strijd met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Voorts betogen zij dat de Nbw 1998 en de stikstofverordening ten onrechte niet voorzien in de beoordeling van effecten van in Noord-Brabant gevestigde bedrijven op gebieden in België.

5.1. Uit vaste rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de uitvoering van een richtlijn de volledige toepassing ervan moet verzekeren. Het Hof heeft overwogen dat de vaststelling van nationale maatregelen die een richtlijn naar behoren uitvoeren, niet tot gevolg heeft dat de richtlijn niet langer gevolgen heeft, en dat een lidstaat ook na vaststelling van deze maatregelen gehouden blijft daadwerkelijk de volledige toepassing van de richtlijn te verzekeren. Derhalve kunnen particulieren zich voor de nationale rechter tegenover de staat beroepen op bepalingen van een richtlijn die inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende precies zijn, in alle gevallen waarin de volledige toepassing van de richtlijn niet daadwerkelijk verzekerd is, dit wil zeggen niet alleen in geval van niet-uitvoering of onjuiste uitvoering van deze richtlijn, maar ook ingeval de nationale maatregelen die de betrokken richtlijn naar behoren uitvoeren niet zodanig worden toegepast dat het met de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt (arrest C-62/00, Marks & Spencer, Jur. 2002, p. I-6325 e.v. op p. 6358-6359, ov. 26-27).

5.2. De artikelen 19a, 19c, 19d, eerste lid, 19ke, 21, 22 en 43, tweede lid, van de Nbw 1998 zijn een implementatie van de in artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn neergelegde verplichting dat passende maatregelen moeten worden getroffen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de Natura 2000-gebieden niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen, voor zover die factoren gelet op de doelstellingen van de richtlijn een significant effect zouden kunnen hebben. Gelet op het bepaalde in artikel 1, onder n, gelezen in samenhang met artikel 2 van de Nbw 1998 kunnen deze instrumenten door gedeputeerde staten van de provincie waarin deze gebieden geheel of grotendeels zijn gelegen worden ingezet ten aanzien van gebieden die op grond van artikel 10a van de Nbw 1998 zijn aangewezen of gebieden die op de lijst van gebieden van communautair belang zijn geplaatst. Deze instrumenten kunnen derhalve worden ingezet voor de Nederlandse Natura 2000-gebieden.

Niet is gebleken dat de Habitatrichtlijn in zoverre onjuist is geïmplementeerd. De Afdeling betrekt daarbij dat artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn het aan de lidstaat overlaat de vorm en middelen te kiezen teneinde dit resultaat te bereiken. Verder geeft hetgeen MOB en [appellant sub 1] aanvoeren geen aanleiding voor het oordeel dat de volledige toepassing van de Habitatrichtlijn in zoverre niet daadwerkelijk is verzekerd. Daarbij wordt overwogen dat artikel 19ke van de Nbw 1998 anders dan MOB en [appellant sub 1] stellen niet voorziet in een legalisatie van projecten die niet vooraf zijn beoordeeld. Artikel 19ke laat de vergunningplicht krachtens artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, in welk kader wordt beoordeeld of het project significante gevolgen kan hebben en daarom passend beoordeeld moet worden, onverlet. Gezien het voorgaande kan in zoverre geen rechtstreeks beroep worden gedaan op artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

5.3. MOB en [appellant sub 1] wijzen er terecht op dat artikel 19ke van de Nbw 1998 noch andere daarin opgenomen bepalingen verplichten tot het treffen van passende maatregelen ten aanzien van niet in Nederland gelegen Natura 2000-gebieden. De Nbw 1998 voorziet in zoverre niet in een correcte implementatie van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn.

Onder verwijzing naar de uitspraken van 31 maart 2000, nr. E01.97.0178 (AB 2000, 302) en 1 mei 2013, in zaak nr. 201011080/1/A4, overweegt de Afdeling dat voor de nationale rechter een rechtstreeks beroep op deze bepaling kan worden gedaan, zodat die rechter kan toetsen of de bevoegde nationale autoriteiten binnen de grenzen van de bij die bepaling vastgestelde beoordelingsmarge zijn gebleven.

De Afdeling is van oordeel dat het college met het bestreden besluit de grenzen van de beoordelingsmarge niet heeft overschreden. Zij betrekt daarbij dat de stikstofverordening verplichtingen oplegt aan agrarische bedrijven in Noord-Brabant waarmee een reductie van stikstofdeposities wordt beoogd, en dat, zoals het college terecht heeft gesteld, niet valt in te zien waarom deze verplichtingen niet tevens als passende maatregel ten aanzien van niet in Nederland gelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden aangemerkt. MOB en [appellant sub 1] hebben hun standpunt ter zake ook niet nader onderbouwd. Anders dan MOB en [appellant sub 1] kennelijk veronderstellen strekt de toepassing van artikel 19ke van de Nbw 1998 en de daarop gebaseerde stikstofverordening niet tot de beoordeling of de wijziging of uitbreiding van een agrarisch bedrijf significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Die beoordeling vindt plaats in het kader van de vergunning die op grond van artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 is vereist. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 24 augustus 2011, in zaak nr. 200900425/1/R2 en 200902744/1/R2 dient het bevoegd gezag daarbij eveneens te beoordelen of vergunningverlening voor een project dat gevolgen kan hebben voor een niet in Nederland gelegen Natura 2000-gebied in overeenstemming is met artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn.

Het betoog dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn slaagt niet.

verhouding stikstofverordening tot artikel 19ke van de Nbw 1998

6. MOB en [appellant sub 1] betogen dat de stikstofverordening geen passende maatregel is en daarom in strijd is met artikel 19ke van de Nbw 1998. Zij voeren in dat verband aan dat de beoordeling van de ammoniakemissie na realisering van een stal ten onrechte wordt bezien ten opzichte van de ammoniakemissie die vergund was voor 7 december 2004. Daardoor wordt geen rekening gehouden met een mogelijke toename van ammoniakemissie op gebieden die voor die datum als Vogelrichtlijngebied zijn aangewezen. De stikstofverordening is voorts geen passende maatregel omdat uitvoering daarvan niet zal leiden tot een afname van de stikstofdepositie tot onder de kritische depositiewaarde. Verder voeren zij aan dat saldering waarin de verordening voorziet geen passende maatregel is, omdat saldering per definitie niet bijdraagt aan het voorkomen van verslechtering van stikstofgevoelige habitats.

6.1. Aan een algemeen verbindend voorschrift, zoals neergelegd in de stikstofverordening kan verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, in dit geval de Nbw 1998, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

6.2. Met de stikstofverordening wordt beoogd een afname van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant te realiseren. De verordening voorziet daartoe onder meer in de volgende verplichtingen. Nieuwe stallen dienen direct te voldoen aan technische eisen die bij de stikstofverordening zijn gesteld; bestaande stallen dienen uiterlijk per 1 januari 2028 aan deze eisen te zijn aangepast. Deze eisen voorzien in emissie armere stallen dan thans landelijk voorgeschreven op grond van de AMvB Huisvesting. Volgens de toelichting op de stikstofverordening ligt de emissieafname uit de stallen als gevolg van deze maatregelen in de orde van grootte van 60% ten opzichte van de huidige emissie uit stallen.

Verder wordt de ammoniakemissie als gevolg van een nieuwe stal beoordeeld ten opzichte van een zogenoemd gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie. Het gecorrigeerd emissieplafond is in de meeste gevallen de op 7 december 2004 krachtens de Wet milieubeheer vergunde emissie gecorrigeerd voor de eisen van de AMvB Huisvesting. Bij stallen die op 7 december 2004 zijn vergund krachtens de Wet milieubeheer en die nog niet zijn aangepast aan de eisen van de AMvB Huisvesting, betekent dit dat de emissiereductie die wordt verkregen door aanpassing van de bestaande stallen aan de eisen van de AMvB Huisvesting, anders dan in het kader van de verlening van een vergunning op grond van artikel 19d van de Nbw 1998, niet kan worden ingezet voor de bouw van een nieuwe stal. De reductie die door deze aanpassingen kan worden behaald is verrekend in het gecorrigeerd emissieplafond, dat bij stallen die nog niet aan de huisvestingseisen voldoen derhalve lager is dan de ammoniakemissie die volgt uit de vergunde situatie op 7 december 2004. Een toename van ammoniakemissie ten opzichte van het gecorrigeerd emissieplafond, die leidt tot een toename van stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied dient op grond van de stikstofverordening te worden gesaldeerd.

6.3. Met het samenstel van de verplichtingen waarin de stikstofverordening voorziet wordt beoogd een afname van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant te realiseren. De uitvoering van de verordening levert daarmee een bijdrage aan het voorkomen van verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied. Dat de stikstofverordening met name tot doel heeft een reductie van stikstofdepositie te bereiken ten opzichte van 7 december 2004 en dat daarom deze datum bepalend is voor de beoordeling van de toename van de stikstofdepositie ten gevolge van de bouw of renovatie van een stal, betekent niet dat de stikstofverordening niet als passende maatregel kan worden aangemerkt. Daarvoor is relevant dat de verordening een bijdrage levert aan de afname van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Zoals hiervoor al is overwogen is het bevoegd gezag vrij in de keuze van de vorm en de middelen waarmee het de verslechtering van de natuurlijke kwaliteit van habitats voorkomt.

Artikel 19kf, tweede lid, van de Nbw 1998 voorziet bovendien expliciet in de mogelijkheid om in het kader van de op te leggen verplichtingen te voorzien in een systeem van saldering op grond van een depositiebank. De mogelijkheid van saldering op grond van de stikstofverordening is dan ook niet in strijd met de artikelen 19ke en 19kf van de Nbw 1998. Voor zover MOB en [appellant sub 1] betogen dat saldering geen passende maatregel is, omdat saldering niet bijdraagt aan een afname van stikstofdepositie, wordt het volgende overwogen. Relevant is dat het samenstel van verplichtingen dat in de stikstofverordening is opgenomen en waarvan saldering een onderdeel is, zal bijdragen aan de afname van de stikstofdepositie op voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. In de nadere reactie van het college van 10 april 2013 is gesteld dat uit een analyse van de werking van de stikstofverordening in de periode 2010 - 2012 volgt dat de verordening heeft geleid tot een lagere toename van emissie, zowel per bedrijf, als voor de groep als geheel, dan zonder de verordening het geval zou zijn geweest. Nu aannemelijk is dat de toepassing van de stikstofverordening zal bijdragen aan de afname van stikstofdeposities in Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant is de stikstofverordening met de daarin opgenomen mogelijkheid van saldering, een passende maatregel. MOB en [appellant sub 1] worden dan ook niet gevolgd in hun betoog dat een maatregel slechts passend is als deze leidt tot een stikstofdepositie onder de kritische depositiewaarde.

6.4. Het betoog van MOB en [appellant sub 1] dat de stikstofverordening niet kan worden beschouwd als passende maatregel en daarom in strijd is met artikel 19ke en artikel 19kf van de Nbw 1998, slaagt niet.

de depositiebank

7. MOB en [appellant sub 1] voeren als algemeen bezwaar tegen de depositiebank aan dat niet inzichtelijk is hoe de saldering tot stand komt. Uit de stukken kan volgens hen niet worden afgeleid of er voldoende saldo in de depositiebank aanwezig is en kan niet worden afgeleid van welke bedrijven het saldo afkomstig is.

7.1. Het college heeft in de nadere reactie van 10 april 2013 uiteengezet dat voor ieder van de stikstofgevoelige habitats in de Brabantse Natura 2000-gebieden is geïnventariseerd waar deze voorkomen en wat de oppervlakte daarvan is. Voor ieder stikstofgevoelige habitat per Natura 2000-gebied is een registratie in de depositiebank opgenomen, waarin bijgehouden wordt welke deposities door intrekking van milieuvergunningen na 7 december 2004 vervallen zijn en welke toename van depositie plaatsvindt door de voor saldering aangemelde projecten. De registratie werkt op basis van het rekening courant systeem: een chronologische tabel met opeenvolgende mutaties, bestaande uit toevoegingen en onttrekkingen.

Bij invoer van een na 7 december 2004 ingetrokken milieuvergunning in de depositiebank wordt met behulp van Aagrostacks berekend wat de depositie is op ieder meet/rekenpunt binnen een straal van 25 kilometer rond de bron. Deze deposities per meet/rekenpunt worden per habitat per Natura 2000-gebied gesommeerd. Deze bijdrage wordt op de verwerkingsdatum geregistreerd, gekoppeld aan een mutatienummer, de postcode en het huisnummer van de bronlocatie. De sommatie van deze deposities levert per habitat in ieder van de Natura 2000-gebieden een voor (her)uitgifte beschikbaar saldo, waarvan de herkomst bekend is, aldus het college.

Bij de uitgifte van saldo wordt op dezelfde wijze, dus met hetzelfde rekenprogramma en op dezelfde meet/rekenpunten, berekend wat de depositie van het saldovragende bedrijf is op de habitats binnen een straal van 25 kilometer rond dat bedrijf en vervolgens wordt nagegaan of op ieder van de betrokken habitats in de depositiebank voldoende saldo aanwezig is. Als dat het geval is dan wordt een onttrekking aan de bank geregistreerd, eveneens op mutatienummer, postcode, huisnummer en onttrekkingsdatum.

7.2. De Afdeling ziet in hetgeen MOB en [appellant sub 1] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat niet duidelijk is hoe de berekening van de omvang van de op te nemen en de te onttrekken deposities tot stand komt. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de hierboven uiteengezette wijze van berekening en het gebruik van het rekenmodel Aagrostacks is vastgelegd in het Protocol Depositiebank versie 13 juli 2010, dat door het college krachtens artikel 16 van de stikstofverordening is vastgesteld.

In de depositiebank worden de postcode en het huisnummer van het bedrijf waarvan de depositie in de depositiebank wordt opgenomen geregistreerd, zodat de herkomst van het saldo bekend is. Op grond van deze gegevens en de daarbij behorende milieuvergunningdossiers, kan controle van de invoer in de depositiebank, indien gewenst, plaatsvinden. Datzelfde geldt voor de registratie van de onttrokken deposities voor de saldovragende bedrijven. Het betoog van MOB en [appellant sub 1] dat de herkomst van de saldi niet duidelijk en niet controleerbaar is, slaagt niet.

zaak 20100593/1/R2 beroepsgronden over de toepassing van de verordening in dit geval

8. MOB en [appellant sub 1] hebben ter zitting de beroepsgrond dat de milieuvergunning van 13 september 2004 ten onrechte ten grondslag is gelegd aan de berekening van de uitgangssituatie ingetrokken.

9. Het college heeft bij het bestreden besluit de melding geaccepteerd en met toepassing van de hardheidsclausule saldo gereserveerd uit de depositiebank.

Uit het bestreden besluit blijkt dat de feitelijke emissie in de uitgangssituatie 2249 kg NH3/jr is. Het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie bedraagt 2789 kg NH3/jr. In de aangevraagde situatie bedraagt de feitelijke emissie 2446 kg NH3/jr. Het gecorrigeerd emissieplafond bedraagt in die situatie 3504 kg NH3/jr. Het gecorrigeerd emissieplafond is in dit geval hoger dan de feitelijke emissie omdat het bedrijf beschikt over een milieuvergunning voor ‘betere’ (emissie armere) stallen dan vereist op grond van de AMvB Huisvesting. Uit het voorgaande volgt dat de feitelijke emissie in de aangevraagde situatie (2446 kg NH3/jr) lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie (2789 kg NH3/jr). Dit betekent dat op grond van de stikstofverordening geen saldering nodig is en dat de melding voor kennisgeving kan worden aangenomen.

10. MOB en [appellant sub 1] betogen dat het college in de berekening van de beoogde situatie voor de wijziging van de melkvee- en vleesvarkenshouderij van [belanghebbende A] is uitgegaan van een verkeerde emissiefactor voor koeien. Zij voeren aan dat voor koeien zonder weidegang met een hogere factor moet worden gerekend. Voor de aangevraagde situatie is volgens hen saldering op grond van de stikstofverordening nodig.

10.1. Onder verwijzing naar de uitspraak 16 januari 2013, in zaaknr. 201105852/1/A4 wordt overwogen dat [belanghebbende A] heeft toegelicht dat hij 9 hectare grond tot zijn beschikking heeft voor de beweiding van koeien. De niet nader onderbouwde stelling van MOB en [appellant sub 1] dat 9 hectare te weinig grond is om de koeien te beweiden, biedt onvoldoende grondslag om te oordelen dat het beweiden van de te houden koeien niet mogelijk is. Het college is dan ook terecht uitgegaan van de emissiefactor voor koeien met beweiding. Het betoog van MOB en [appellant sub 1] dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen saldering nodig is op grond van de stikstofverordening, slaagt niet.

11. In dit geval heeft het college met toepassing van artikel 34 van de verordening, de hardheidsclausule, saldo toegekend uit de depositiebank. Volgens het college is een onbedoeld neveneffect van de verordening dat bedrijven die voor 7 december 2004 aan strengere staleisen voldeden dan de AMvB Huisvesting en die daarom op grond van de verordening niet hoeven te salderen maar voor de Nbwvergunning veelal wel, geen saldo uit de depositiebank ontvangen dat zij kunnen inzetten voor de Nbwvergunning. Deze categorie bedrijven kan daarom toch saldo ontvangen uit de depositiebank dat zij kunnen gebruiken voor de Nbwvergunning. Het saldo is afgestemd op de toename van de feitelijke emissie in de aangevraagde situatie ten opzichte van feitelijke emissie in de uitgangssituatie.

11.1. De Afdeling overweegt dat in deze procedure uitsluitend ter beoordeling kan staan of het college in redelijkheid met toepassing van de hardheidsclausule saldo heeft kunnen toekennen uit de depositiebank.

Als een op grond van de hardheidsclausule toegekende saldering als mitigerende maatregel wordt betrokken in een passende beoordeling voor een Nbwvergunning, dan kan de saldering in die procedure in bezwaar en beroep aan de orde worden gesteld.

11.2. De bezwaren van MOB en [appellant sub 1] tegen de salderingsbeslissing hebben betrekking op de (on)toereikendheid van het saldo voor de verlening van de Nbwvergunning. Deze bezwaren kunnen niet in deze procedure, maar in de procedure voor de Nbwvergunning, aan de orde worden gesteld.

12. Het beroep van MOB en [appellant sub 1] is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

zaak 201205887/1/R2 beroepsgronden over de toepassing van de verordening in dit geval

14. [appellant sub 2] betoogt dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat voor de uitbreiding/wijziging van het pluimveebedrijf van [belanghebbende B] geen saldering nodig is op grond van de stikstofverordening. In dat verband voert zij aan dat de uitbreiding van het pluimveebedrijf leidt tot een toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel. Zij vindt het onjuist dat het college depositietoenames van 0,05 mol niet saldeert, te meer nu uit de toelichting op de stikstofverordening blijkt dat 32% van de bedrijven een depositie kleiner dan 0,05 mol heeft. Bij de drempelwaarde is bovendien geen rekening gehouden met deposities van bedrijven buiten Noord-Brabant.

14.1. Uit het bestreden besluit blijkt dat het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie 2887,72 kg NH3/jr bedraagt. In de aangevraagde situatie zal de emissie 3797,94 kg NH3/jr bedragen. Aangezien de ammoniakemissie in de aangevraagde situatie hoger is dan het gecorrigeerd emissieplafond in de uitgangssituatie is een salderingsberekening uitgevoerd. Uit deze berekening volgt dat de toename van emissie leidt tot een depositie die - op alle punten binnen de voor stikstofgevoelige habitats in de verschillende Brabantse Natura 2000-gebieden - lager is dan de drempelwaarde van 0,051 mol NH3/ha/jr. Deposities beneden deze drempelwaarde worden niet gesaldeerd omdat een depositie beneden deze waarde geen fysische betekenis meer heeft, aldus het college. Gelet daarop heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen saldering nodig is op grond van de verordening.

14.2. Ingevolge artikel 21 van de stikstofverordening vindt saldering slechts plaats in situaties waarbij:

a. de N-depositie op een of meer N-gevoelige habitats binnen een Natura 2000-gebied de kritische depositiewaarde overschrijdt, en tevens

b. de maximale depositie van het betrokken bedrijf op het dichtstbijzijnde punt van een dergelijk N-gevoelig habitat (na afronding) ten minste 0,1 mol N/ha/jr bedraagt.

14.3. In het Protocol Depositiebank (versie 13 juli 2010), vastgesteld door het college op basis van artikel 16 van de stikstofverordening, zijn nadere regels gesteld over de wijze waarop de depositiebank gevuld wordt en depositierechten worden uitgegeven.

Paragraaf 4, onder 6 van het Protocol Depositiebank luidt als volgt: "In het kader van de depositiebank wordt de depositie berekend als de depositie op het centrum van een vlak op een grid met cellen van 25x25 m, welke geheel of gedeeltelijk overlappen met een habitat in een Natura 2000-gebied. Op basis van alle berekende waarden wordt de maximale depositie bepaald in mol/ha/jr. De totale depositie wordt berekend door het ruimtebeslag van individuele habitats op individuele gridcellen te vermenigvuldigen met de berekende waarde en deze waarden te sommeren over habitats per Natura 2000-gebied, voor alle habitas en alle Natura 2000-gebieden. Alleen gridcellen met een depositie > 0,051 mol/ha/jr worden bij de sommering meegenomen. Alleen habitats met een totale depositie > 0,051 mol worden als input of te salderen beschouwd".

14.4. In de nadere reactie van 10 april 2013 heeft het college de keuze om deposities kleiner dan 0,051 mol/ha/jr buiten beschouwing te laten toegelicht. Het college stelt dat bij depositieberekeningen diverse fysische grootheden worden ingevoerd in het programma Aagrostacks, waarbij iedere grootheid een bepaalde onzekerheidsmarge heeft. Deze onzekerheden planten zich voort in de berekening en veroorzaken door het iteratieve karakter van die berekeningen een met de afstand tot de bron groter wordende onzekerheidsmarge in het rekenresultaat.

Op die grotere afstanden, corresponderend met lage getalwaarden in het rekenresultaat, treedt dan het verschijnsel op, dat de onzekerheidsmarge in het rekenresultaat groter is dan het berekende getal. De berekening heeft dan geen fysische betekenis meer, maar is een louter cijfermatige exercitie geworden.

Bij de gebruikelijke onzekerheden in de invoergegevens doet dit verschijnsel zich in Aagrostacks berekeningen volgens het college voor als het rekenresultaat kleiner is dan 0,5 tot 0,1 mol/ha/jr. Rekening houdend met een zekere veiligheidsmarge rond deze waarden is er voor gekozen om de rekenwaarden kleiner dan 0,051 mol/ha/jr, die zeker geen fysische betekenis meer hebben buiten de beoordeling te laten.

14.5. De Afdeling is van oordeel dat het college de drempelwaarde van 0,051 mol/ha/jr toereikend heeft gemotiveerd. Bij de toepassing van de stikstofverordening kan het college toepassing geven aan deze drempelwaarde, zodat het college zich in dit geval terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen saldering op grond van de stikstofverordening nodig is. Het betoog van [appellant sub 2] dat de drempelwaarde willekeurig is gekozen en deposities onder deze waarde ook gesaldeerd moeten worden, faalt derhalve. De verordening ziet uitsluitend op bedrijven die in Noord-Brabant gevestigd zijn, zodat het betoog van [appellant sub 2] dat ten onrechte geen rekening is gehouden met bedrijven buiten de provincie niet tot een ander oordeel leidt.

15. Het betoog van [appellant sub 2] dat bij de berekening van de uitgangssituatie ten onrechte is uitgegaan van de vergunde situatie in 2004, omdat de Habitatrichtlijn al eerder van toepassing was op het Natura 2000-gebied Deurnsche Peel & Mariapeel, slaagt gelet op het in 6.3 overwogene niet.

16. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat het college bij de beoordeling van de melding ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het beschermd natuurmonument De Moerkuilen, terwijl het bedrijf ook effecten zal veroorzaken op dit gebied. Volgens [appellant sub 2] bestaat voorts onzekerheid over de betekenis van de melding in relatie tot de vergunningplicht krachtens artikel 16 van de Nbw 1998.

16.1. De stikstofverordening heeft uitsluitend betrekking op Natura 2000-gebieden, zodat het college bij de beoordeling van de melding op grond van de stikstofverordening het beschermd natuurmonument De Moerkuilen terecht buiten beschouwing heeft gelaten.

Verder overweegt de Afdeling dat de vraag of [belanghebbende B] voor de uitbreiding/wijziging van het pluimveebedrijf waarop de melding betrekking heeft een vergunning nodig heeft op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 niet aan de orde is in deze procedure. De melding op grond van de stikstofverordening en de vergunningplicht op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 staan naast elkaar.

17. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

zaak 201300402/1/R2 beroepsgronden over de toepassing van de verordening in dit geval

19. [appellant sub 3] betoogt dat het college zijn bezwaar tegen de reactie op de melding van de wijziging/uitbreiding van een varkenshouderij van [belanghebbende C] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De reactie op de melding, die in dit geval inhoudt dat de melding voor kennisgeving is aangenomen en dat geen saldering nodig is uit de depositiebank, is volgens [appellant sub 3] een besluit waartegen bezwaar open staat.

19.1. Onder verwijzing naar 3.4 overweegt de Afdeling dat de mededeling op de melding van het college een besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, waartegen bezwaar open staat. Het beroep van [appellant sub 3] is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 1:3 van de Awb.

19.2. In het kader van definitieve geschilbeslechting overweegt de Afdeling het volgende.

19.3. [appellant sub 3] heeft in bezwaar aangevoerd dat het college voor de berekening van de uitgangssituatie ten onrechte is uitgegaan van de revisievergunning krachtens de Wet milieubeheer van 8 mei 2001. Deze vergunning voorziet in het aanbrengen van een koeldeksysteem in de bestaande stallen 1 en 2, uitbreiding met een nieuw te bouwen stal 3 met een emissie arm stalsysteem en een bouwtechnische verbinding tussen de bestaande stal 2 en de nieuw te bouwen stal 3. Volgens [appellant sub 3] zijn stal 3 en de verbinding tussen stal 2 en 3 nooit gerealiseerd, waardoor de revisievergunning voor stal 2 en 3 is vervallen. Aangezien dat is gebeurd voor 7 december 2004, de relevante beoordelingsdatum voor de uitgangssituatie, mag de voor deze stallen vergunde emissie niet worden betrokken bij de berekening van de uitgangssituatie. Volgens [appellant sub 3] is saldering noodzakelijk.

19.4. Uit het besluit van 3 april 2012 volgt dat de uitgangssituatie is afgeleid uit de revisievergunning van 8 mei 2001. Die vergunning zag op drie stallen, waarvan er volgens het college één niet binnen drie jaar is gerealiseerd (stal 3), zodat de revisievergunning daarvoor in april 2004 is vervallen. Bij de berekening van de uitgangssituatie is de in 2001 vergunde emissie uit deze stal buiten beschouwing gelaten. Het bezwaar van [appellant sub 3] dat de vergunde emissie van deze stal ten onrechte bij de berekening van de uitgangssituatie is betrokken mist derhalve feitelijke grondslag.

Verder is niet bestreden dat de veranderingen in stal 1 en 2 tijdig zijn gerealiseerd, zodat de vergunning daarvoor niet is vervallen.

Het feit dat de verbinding tussen stal 3 en 2 niet is gebouwd betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat de revisievergunning voor stal 2 is vervallen. Het college heeft de vergunde emissie voor deze stal dan ook terecht bij de berekening van de uitgangssituatie betrokken.

19.5. De Afdeling ziet in het voorgaande geen aanleiding om zelf te voorzien op het bezwaar. Dat houdt verband met het volgende. Op 29 maart 2013 is de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 in werking getreden. Deze verordening, die bij het alsnog te nemen besluit op bezwaar het toepasselijke recht is, bevat een andere beoordelingssystematiek voor de bouw van nieuwe stallen en saldering. Het college zal bij het te nemen besluit op bezwaar de melding van [belanghebbende C] en het bezwaar van [appellant sub 3], met inachtneming van het voorgaande, op basis van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 dienen te beoordelen.

20. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 3] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 20 november 2012, kenmerk C2075966/3281205;

III. verklaart het beroep van MOB en [appellant sub 1] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 13 december 2011, kenmerk C2016845/281607, ongegrond

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 8 mei 2012, kenmerk C2060585/3013128, ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten sub 3] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten sub 3] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Verbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

388.