Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3637

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201110585/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2011, kenmerk 2040274/2786591, heeft het college van gedeputeerde staten (hierna: het college) besloten aan de raad van de gemeente Bergeijk een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad op 7 juli 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2013-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110585/1/R3.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te Bergeijk,

2. [appellante sub 2], wonend te Riethoven, gemeente Bergeijk,

3. het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk,

4. [appellant sub 4], wonend te Bergeijk,

5. [appellant sub 5], wonend te Valkenswaard, en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2011, kenmerk 2040274/2786591, heeft het college van gedeputeerde staten (hierna: het college) besloten aan de raad van de gemeente Bergeijk een aantal aanwijzingen te geven als bedoeld in artikel 3.8, zesde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) met betrekking tot het door de raad op 7 juli 2011 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011".

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellante sub 2], het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk (hierna: het gemeentebestuur), [appellant sub 4] en [appellant sub 5] en anderen beroep ingesteld.

Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college zijn besluit van 9 augustus 2011 gedeeltelijk ingetrokken.

[appellante sub 2], het gemeentebestuur, [appellant sub 5] en anderen, het college en [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen in enkelvoud: [belanghebbende]) hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2013, waar het gemeentebestuur, vertegenwoordigd door D. Nas-van Helvoort en drs. M. van den Hurk, beiden werkzaam bij de gemeente, [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 5], en het college, vertegenwoordigd door A.H.P. Bosmans, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. W. Krijger, als partij gehoord.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, gelezen in samenhang met het vierde lid, voor zover hier van belang, kan het college, onverminderd andere aan hem toekomende bevoegdheden, met betrekking tot een onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan waarover hij een zienswijze over het ontwerp heeft ingediend en deze niet volledig is overgenomen, aan de raad een aanwijzing geven als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Wro, ertoe strekkende dat dat onderdeel geen deel blijft uitmaken van het bestemmingsplan zoals het is vastgesteld. Het college vermeldt in de redengeving de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, omstandigheden en overwegingen die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan haar toekomende bevoegdheden te beschermen.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, kan, indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, het college aan de raad een aanwijzing geven om binnen een daarbij te bepalen termijn een bestemmingsplan vast te stellen overeenkomstig daarbij gegeven voorschriften omtrent de inhoud van dat bestemmingsplan.

Het besluit van 9 augustus 2011

2. Bij besluit van 9 augustus 2011, voor zover hier van belang, heeft het college besloten aan de raad een reactieve aanwijzing te geven die ertoe strekt dat geen deel blijven uitmaken van het vastgestelde plan:

- De bestemming "Bedrijf" inclusief de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 11" aan de [locatie 1] treedt niet in werking (aanwijzing 1);

- De bestemming "Wonen" opgenomen tussen de woning Boshovensestraat 4 en 3b, zoals elektronisch vastgelegd in deze aanwijzing, treedt niet in werking (aanwijzing 3);

- In verband met aanwijzing 1 treedt het onderdeel van de tabel voor de code Sb-11 in de regels van artikel 9 niet in werking (aanwijzing 11);

- Van de tekst in artikel 18.2.1, onder d, treden de volgende zinsneden niet in werking: "De inhoud van het hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 750 m³, indien", "reeds meer dan 750 m³ bedraagt" en "deze bestaande inhoud". Door deze aanwijzing luidt de te handhaven tekst onder 18.2.1, onder d, als volgt: "de bestaande inhoud geldt als de maximum toegestane inhoud" (aanwijzing 12).

Ontvankelijkheid van het beroep van [appellante sub 2]

3. [appellante sub 2] stelt zich op het standpunt dat de reactieve aanwijzing betreffende de gronden met de bestemming "Wonen" voor het perceel tussen de woning Boshovensestraat 4 en 3b te Riethoven (aanwijzing 3), ten onrechte is gegeven.

3.1. Bij besluit van 11 oktober 2011 heeft het college besloten het aanwijzingsbesluit van 9 augustus 2011 in te trekken, onder meer voor zover het betreft aanwijzing 3. Gelet hierop is het desbetreffende plandeel bekend gemaakt en in werking getreden en moet worden geoordeeld dat [appellante sub 2] geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 9 augustus 2011.

Het beroep van [appellante sub 2] is niet-ontvankelijk.

Ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 5] en anderen

4. Wat betreft de belanghebbendheid van [appellant sub 5] en anderen ziet de Afdeling geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan de voorzitter heeft gedaan in zijn uitspraak van 11 januari 2012 in zaak nr. 201110585/2/R3. Gelet hierop zijn [appellant sub 5] en anderen geen belanghebbenden bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en kunnen zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wro, geen beroep instellen.

Het beroep van [appellant sub 5] en anderen is niet-ontvankelijk.

Het beroep van [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur

5. [appellanten sub 1], eigenaren van het perceel [locatie 1] te Bergeijk, en het gemeentebestuur stellen zich op het standpunt dat de reactieve aanwijzing betreffende de gronden met de bestemming "Bedrijf" inclusief de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 11" voor het perceel [locatie 1], ten onrechte is gegeven. Evenmin kunnen zij zich verenigen met de aanwijzing dat het onderdeel van de tabel voor de code "Sb-11" in de regels van artikel 9 van het plan niet in werking treedt.

[appellanten sub 1] voeren in dit verband aan dat het college in het verleden ten aanzien van dit perceel goedkeuring heeft onthouden aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1996". Op grond van het daarvóór geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening 1987" is een bouwvergunning verleend voor een agrarisch technisch hulpbedrijf. Ook het gemeentebestuur betoogt dat vanwege het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 1e herziening 1987" op het perceel diverse bedrijven per bouwvlak, met een eigen bedrijfswoning zijn toegestaan. Op basis van dit regime heeft hij aan Lommers een bouwvergunning verleend voor een agrarisch technisch hulpbedrijf en heeft de raad van de gemeente Bergeijk in het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011", naast een bestemmingsvlak voor een paardenhouderij, voor het perceel een bestemmingsvlak voor een agrarisch technisch hulpbedrijf opgenomen.

5.1. [belanghebbende], wonend aan [locatie 2] te Bergeijk, kan zich verenigen met het standpunt van het college tot het geven van de bedoelde aanwijzing. Omdat hij een bedrijfsbestemming op het naburige perceel ongewenst vindt, heeft hij hoger beroep ingesteld in verband met de genoemde bouwvergunning voor het agrarisch technisch hulpbedrijf.

5.2. In het besluit van 9 augustus 2011 staat dat de bestemming "Bedrijf" voor het perceel [locatie 1] in strijd wordt geacht met de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: Verordening 2011). Het college stelt zich in het besluit op het standpunt dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat na een onthouding van goedkeuring aan het bestemmingsplan "Buitengebied 1996" een nieuw zelfstandig bouwblok is ontstaan. Door de onthouding van goedkeuring heeft het bedrijf volgens de overwegingen van het besluit een groter bouwblok tot haar beschikking gekregen dan voorheen. Door de regeling in het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" zijn echter bouwblokken afgesplitst en zijn twee bestemmingsvlakken ontstaan, met elk bouwmogelijkheden voor een andere functie. Het college acht het vorenstaande in strijd met artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011. Vanwege de samenhang en de consistentie in de regels van het plan heeft het college daarnaast bepaald dat het onderdeel van de tabel voor de code "Sb-11" in artikel 9 van de planregels evenmin in werking treedt.

5.3. Ingevolge artikel 11.6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening 2011, voor zover hier van belang, kan een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, niet zijnde een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw, voorzien in een VAB-vestiging of een uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling, anders dan bepaald in de artikelen 11.1 tot en met 11.5, mits de beoogde ontwikkeling niet leidt tot twee of meer zelfstandige bedrijven.

5.4. Op 15 december 2009 heeft het gemeentebestuur een bouwvergunning eerste fase verleend voor het bouwen van een bedrijfswoning met een bedrijfsgebouw op het perceel plaatselijk bekend (nabij) [locatie 1] te Bergeijk. Met betrekking tot deze vergunning heeft de Afdeling het hoger beroep van [belanghebbende] behandeld. In de uitspraak van 14 november 2012, in zaak nr. 201204404/1/A1, heeft de Afdeling hierover overwogen:

"Het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant heeft bij onherroepelijk besluit van 22 december 1998, als blauw omlijnd aangegeven op de plankaart, goedkeuring onthouden aan de bestemming "Agrarisch gebied met aardkundige waarden", die deel uitmaakt van het bestemmingsplan 1996. De rechtbank is er terecht van uitgegaan dat, wanneer goedkeuring aan een plandeel is onthouden, voor dat deel het oude bestemmingsplan herleeft. Zij heeft tevens terecht overwogen dat de jurisprudentie van de Afdeling, inhoudende dat de beslissing goedkeuring te onthouden aan het plandeel waarop de aanvraag ziet, niet met zich brengt dat die beslissing tevens de onthouding van goedkeuring aan een medebestemming omvat, in dit geval niet van toepassing is, nu, naar ook [belanghebbende] ter zitting heeft erkend, op de gronden waar het bouwplan is voorzien en die in de stukken als 'de spie' worden aangeduid, geen nadere bestemming krachtens het bestemmingsplan 1996 rust. De rechtbank heeft daarom met juistheid overwogen dat het college het bouwplan terecht aan de voorschriften van het bestemmingsplan 1987 heeft getoetst."

5.5. Gelet op het vorenstaande staat vast dat de onthouding van goedkeuring door het college in zijn besluit van 22 december 1998, betrekking had op de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied met aardkundige waarden" rondom het agrarische bouwvlak aan de [locatie 1] als toegekend in het bestemmingsplan "Buitengebied 1996". Uit de genoemde overwegingen uit de uitspraak van 14 november 2012 volgt voorts dat daarmee de bestemming "technisch hulp- of nevenbedrijf t.d.v. een agrarisch bedrijf" uit het oude bestemmingsplan uit 1987 voor die gronden is komen te herleven. In het voorliggende bestemmingsplan is aan de desbetreffende gronden de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 11" toegekend. Gelet op de "Tabel Bedrijf" bij artikel 9 is op deze gronden een agrarisch technisch hulpbedrijf en maximaal één bedrijfswoning toegestaan. Ten opzichte van het bestemmingsplan uit 1987 is de bedrijfsbestemming niet vergroot. Gelet daarop is planologisch geen sprake van uitbreiding van een niet-agrarische ruimtelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 11.6 van de Verordening 2011. Naar het oordeel van de Afdeling had het college dit artikel derhalve niet aan zijn aanwijzing voor het plandeel ten grondslag mogen leggen en heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat provinciale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening het geven van de reactieve aanwijzing in zoverre noodzakelijk maken.

[belanghebbende] kan de uitvoerbaarheid eventueel aan de orde te stellen in de procedure tegen de desbetreffende planonderdelen, zodra deze naar aanleiding van de uitspraak - zie hetgeen hierna wordt overwogen onder 9 - alsnog bekend worden gemaakt.

De beroepen van [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur slagen.

Het beroep van [appellant sub 4]

6. [appellant sub 4] betoogt dat de reactieve aanwijzing betreffende enkele zinsneden in de tekst in artikel 18, lid 18.2.1, onder d, van de planregels, ten onrechte is gegeven. Hij stelt dat door de aanwijzing de uitbreidingsmogelijkheden voor zijn woning aan de [locatie 3] te Bergeijk ten onrechte worden beperkt. [appellant sub 4] voert voorts aan dat niet valt in te zien waarom de uitbreidingsmogelijkheden tot 750 m³ het provinciaal belang schaden. Volgens hem wil het college met deze aanwijzing op een oneigenlijke manier zijn rol versterken, terwijl juist in de Wro een beperkte rol aan het provinciebestuur is toebedeeld.

6.1. In het besluit van 9 augustus 2011 staat dat artikel 18.2.1, onder d, van de planregels voorziet in een rechtstreeks recht tot vergroting van een of meer woningen tot 750 m³. Dit artikel is volgens het besluit in strijd met artikel 2.2 van de Verordening 2011, omdat in het bestemmingsplan een verantwoording ontbreekt waarom sprake is van een kwaliteitsverbetering van het landschap. Ook is de desbetreffende planregel in strijd met artikel 11.1, vierde lid, van de Verordening 2011, omdat ten onrechte een verantwoording ontbreekt waaruit blijkt dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de vergroting van woningen te verzekeren, zo staat in het besluit.

6.2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid van de Verordening 2011 draagt een bestemmingsplan dat voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied bij aan de zorg voor het behoud en de bevordering van de ruimtelijke kwaliteit van het daarbij betrokken gebied en de naaste omgeving, in het bijzonder aan het principe van zorgvuldig ruimtegebruik. De toelichting bij dat plan bevat daaromtrent een verantwoording.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan, als bedoeld in artikel 2.1, een verantwoording van de wijze waarop financieel, juridisch en feitelijk is verzekerd dat de realisering van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft of van het gebied waarvan de gemeente de voorgenomen ontwikkeling in de hoofdlijnen heeft beschreven.

Ingevolge artikel 11.1, vierde lid, bevat de toelichting bij een bestemmingsplan dat is gelegen in de groenblauwe mantel of agrarisch gebied, met inbegrip van een landbouwontwikkelingsgebied of een vestigingsgebied glastuinbouw en dat voorziet in de vergroting van een of meer woningen, een verantwoording waaruit blijkt dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van deze vergroting te verzekeren, onverlet het bepaalde in artikel 2.2 in verband met de kwaliteitsverbetering van het landschap.

6.3. In de toelichting op het bestemmingsplan "Buitengebied Bergeijk 2011" is aangegeven dat een bedrijfswoning (zonder bijgebouwen) een inhoud mag hebben van maximaal 750 m³. Voorts staat in de toelichting op het plan dat de provincie de normstelling voor burgerwoningen tegenwoordig overlaat aan de gemeente en dat voor een woning wordt uitgegaan van een norm van maximaal 750 m³. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de toegestane maat van bedrijfswoningen. In de praktijk levert het hanteren van twee verschillende inhoudsmaten voor één type functie, namelijk wonen, volgens de plantoelichting veel vragen en onduidelijkheden op. Een agrarisch bedrijf dat omgezet is in burgerbewoning zou wel een grotere woning mogen hebben. Ruimtelijk gezien is de impact zeer beperkt omdat het bestaande percelen betreft welke reeds voorzien zijn van erfbeplanting, zo staat in de plantoelichting verwoord.

6.4. In de toelichting van het bestemmingsplan wordt weliswaar een motivering gegeven voor de in het plan opgenomen inhoudsmaat voor burgerwoningen, echter een verantwoording dat een vergroting van de woningen tot maximaal 750 m³ gepaard gaat met een aantoonbare en uitvoerbare fysieke verbetering van de aanwezige of potentiële kwaliteiten van bodem, water, natuur, landschap of cultuurhistorie of van de extensieve recreatieve mogelijkheden van het gebied waarop de ontwikkeling haar werking heeft, ontbreekt, zoals het college terecht stelt. Evenmin bevat de toelichting een verantwoording waaruit blijkt dat het bestemmingsplan de nodige voorwaarden bevat om een goede landschappelijke inpassing van de vergroting van woningen te verzekeren. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat aldus inbreuk is gemaakt op artikel 2.2, eerste lid, alsmede artikel 11.1, vierde lid, van de Verordening 2011. Het college behoefde geen aanleiding te zien voor het oordeel dat de aanwijzing in het algemeen, dan wel in het geval van [appellant sub 4], tot onnodige beperkingen leidt. In dit verband overweegt de Afdeling dat ter zitting is gebleken dat [appellant sub 4] geen concrete plannen heeft om zijn woning te vergroten. Voorts is van belang dat de bestaande inhoud van de woning toegestaan blijft.

Ten aanzien van het betoog van [appellant sub 4] dat onduidelijk is waarom de uitbreidingsmogelijkheden voor woningen tot 750 m³ het provinciaal belang schaden, overweegt de Afdeling dat het provinciebestuur zich in redelijkheid het belang van het voorkomen van een inbreuk op de kwaliteit van het buitengebied als provinciaal belang heeft mogen aantrekken. Voor zover [appellant sub 4] nog heeft betoogd dat het college met de aanwijzing in strijd heeft gehandeld met de Wro, wordt geoordeeld dat het systeem van de Wro, zoals dat tot uitdrukking komt in artikel 3.8, zesde lid, van de Wro, zich niet verzet tegen het geven van een reactieve aanwijzing als de onderhavige met betrekking tot een planregel of delen van een planregel.

Het betoog faalt.

Conclusie

7. In hetgeen [appellanten sub 1] en het gemeentebestuur hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de reactieve aanwijzing, voor zover deze betrekking heeft op de bestemming "Bedrijf" inclusief de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 11" aan de [locatie 1] en het daarmee samenhangende onderdeel van de "Tabel Bedrijf" voor de code Sb-11 in de regels van artikel 9, is gegeven in strijd met artikel 3.8, zesde lid, gelezen in samenhang met artikel 4.2, eerste lid, van de Wro. Hun beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

8. In hetgeen [appellant sub 4] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat provinciale belangen het geven van de reactieve aanwijzing met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken en dat sprake is van omstandigheden die de provincie beletten het betrokken provinciaal belang met inzet van andere aan hem toekomende bevoegdheden te beschermen.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

9. Ter voorlichting aan partijen merkt de Afdeling het volgende op. Naar aanleiding van deze uitspraak dient het gemeentebestuur het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, voor zover dat betrekking heeft op de bestemming "Bedrijf" inclusief de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 11" aan de [locatie 1] en het daarmee samenhangende onderdeel van de "Tabel Bedrijf" voor de code Sb-11 in de regels van artikel 9, onverwijld met inachtneming van de daarvoor geldende voorschriften bekend te maken, waarna daartegen, gedurende de in artikel 6:7 van de Awb genoemde termijn voor het indienen van een beroepschrift, voor belanghebbenden beroep bij de Afdeling openstaat.

Proceskosten

10. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van [appellanten sub 1] en van de proceskosten van [appellante sub 2] te worden veroordeeld.

Ten aanzien van het gemeentebestuur is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, niet gebleken.

Ten aanzien van [appellant sub 4], [appellant sub 5] en anderen en [belanghebbende], die daar om had verzocht, bestaat voor een proceskostenvergoeding geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 5] en anderen en [appellante sub 2] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en het beroep van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 9 augustus 2011, kenmerk 2040274/2786591, voor zover het betreft de aanwijzing met betrekking tot de bestemming "Bedrijf" inclusief de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - 11" aan de [locatie 1] en het daarmee samenhangende onderdeel van de "Tabel Bedrijf" voor de code Sb-11 in de regels van artikel 9;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 4] ongegrond;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

- ten aanzien van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- ten aanzien van [appellante sub 2] een bedrag van € 437,00 (zegge: vierhonderdzevenendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant het voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- ten aanzien van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- ten aanzien van [appellante sub 2] ten bedrage van € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro);

- ten aanzien van het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk ten bedrage van € 302,00 (zegge: driehonderdtwee euro).

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Konings

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013