Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3624

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201205220/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2012:409, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het adres van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Zwolle ambtshalve gewijzigd in [locatie] te Zwolle.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205220/1/A3.

Datum uitspraak: 19 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Zwolle,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 april 2012 in zaak nr. 11/2242 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2011 heeft het college het adres van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens van de gemeente Zwolle ambtshalve gewijzigd in [locatie] te Zwolle.

Bij besluit van 22 september 2011 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 april 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2013, waar [appellant] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A.W. voor ‘t Hekke, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: Wet gba) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder woonadres:

a. het adres, waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand- of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres, waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;

b. het adres, waar, bij het ontbreken van een adres, als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten;

briefadres:

het adres, waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken;

adres:

het woonadres, dan wel bij het ontbreken hiervan of bij toepassing van artikel 67, het briefadres.

Ingevolge artikel 47, tweede lid, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte. Het is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, kan degene die zijn woonadres heeft in een instelling die is aangewezen op grond van het derde of het vierde lid, in afwijking van de artikelen 65, eerste lid, en 66, eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen en daarvan overeenkomstig de genoemde bepalingen aangifte doen.

Ingevolge het derde lid kan Onze Minister categorieën van instellingen dan wel instellingen afzonderlijk aanwijzen, voor zover het betreft:

a. instellingen voor gezondheidszorg;

b. instellingen op het gebied van kinderbescherming;

c. penitentiaire instellingen.

2. Het college heeft aan het besluit van 29 maart 2011 ten grondslag gelegd dat [appellant] ingevolge artikel 1 van de Wet gba slechts bij het ontbreken van een woonadres of bij verblijf in een instelling, vermeld in artikel 67 van de Wet gba, met een briefadres kan worden ingeschreven. Nu [appellant] in een zienswijze van 17 februari 2011 heeft gesteld dat hij hooguit drie maanden op de [locatie] woont, voldoet hij aan de termijn, gesteld in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet gba en moet hij op dat woonadres worden ingeschreven, aldus het college.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het college zijn adres terecht heeft gewijzigd, heeft miskend dat hij niet in de woning woont, maar er slechts af en toe verblijft. Hij verblijft meestal in het buitenland of bij vrienden en bekenden. Door te overwegen dat hij niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt of heeft toegelicht, waar hij verblijft, gedurende de periode dat hij in Nederland is, anders dan op [locatie], heeft zij voorts miskend dat hij niet verplicht is op te geven, waar hij verblijft.

Hij voert voorts aan dat de gestelde aanwijzingen dat hij aan [locatie] zou wonen, zoals de aanvraag van een douchestoel op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, een parkeervergunning ten behoeve van zijn mantelzorger, een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een terrasoverkapping en zijn bezwaar tegen een afgegeven bouwvergunning, niet zien op slechts ‘zijn woongenot’ en ‘zijn mantelzorger’. De rechtbank heeft aan deze termen teveel waarde gehecht, aangezien hij zijn woning, die geheel rolstoelvriendelijk is, vaak ruilt met andere rolstoelgebruikers. De douchestoel, terrasoverkapping en parkeervergunning zijn derhalve niet slechts gericht op zijn woongenot, maar op het genot van ieder die van zijn woning gebruik maakt.

[appellant] stelt verder dat de rechtbank de omstandigheid dat hij de onroerende zaakbelasting en rioolheffing van de woning betaalt ten onrechte ziet als aanwijzing dat [locatie] zijn woonadres is, nu hij de eigenaar van de woning is. Dat wil echter nog niet zeggen dat hij in de woning woont, aldus [appellant].

3.1. De rechtbank heeft terecht in het in beroep aangevoerde geen grond gevonden voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft aangenomen dat [appellant] zijn woonadres heeft op [locatie]. Zo heeft [appellant] in zijn zienswijze van 17 februari 2011 vermeld dat hij nooit langer dan hooguit drie maanden op [locatie] verblijft. Het college heeft hierin op goede gronden een aanwijzing gezien dat hij voldoet aan de in artikel 1, aanhef en onder b, van de Wet gba voor inschrijving op dat woonadres gestelde termijn.

De rechtbank heeft het college evenzeer terecht gevolgd in het oordeel dat er ook andere aanwijzingen zijn ter ondersteuning van het vermoeden dat [appellant] aan [locatie] gedurende drie maanden ten minste twee derden van de tijd zal overnachten. Aan [appellant] is onder meer voor de woning aan [locatie] een voorziening toegekend in de vorm van een douchestoel. Voorts heeft [appellant] het adres [locatie] in 2001 en 2007 gebruikt in onderscheidenlijk een schrijven dat is gericht tegen de aanschrijving tot verwijdering van een illegaal bouwwerk en een verzoek aan de rechtbank Zwolle-Lelystad een voorlopige voorziening te treffen. Verder volgt uit een brief van [appellant] van 24 mei 2010 over zijn aanvraag voor een parkeerkaart ten behoeve van zijn mantelzorger dat hij veel in het buitenland verblijft, of in Assendorp, de Zwolse wijk waarin de Groeneweg is gelegen. Uit die brief volgt verder dat hij vanwege bijzondere omstandigheden op papier niet op het adres in Assendorp zou wonen, maar dat daar wel mantelzorg krijgt. [appellant] heeft in deze brief niet vermeld dat de parkeerkaart is bedoeld voor verschillende gebruikers van zijn woning, doch slechts dat het gaat om mantelzorg ten behoeve van hem. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college derhalve aannemelijk mocht achten dat [appellant] de zorg in zijn woning aan [locatie] ontvangt.

3.2. Het in beroep bestreden besluit houdt geen verplichting in voor [appellant] op te geven, waar hij verblijft. De enkele ontkenning dat hij op [locatie] woont heeft het college echter terecht niet voldoende geacht om dat aan te nemen. Het was aan [appellant] zijn stelling aannemelijk te maken. Nu hij dit niet heeft gedaan, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college op grond van de hiervoor aangehaalde aanwijzingen heeft mogen concluderen dat [appellant] zijn woonadres aan [locatie] heeft.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Sparreboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 juni 2013

97-773.