Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3618

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201304700/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201304700/1/V3.

Datum uitspraak: 14 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 21 mei 2013 in zaak nr. 13/11748 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 mei 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat de vreemdeling niet in zijn belangen is geschaad, hoewel de staatssecretaris - in strijd met paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) - alvorens de maatregel van bewaring is opgelegd geen contact heeft gehad met de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND). Er heeft contact met de bewaringscoördinator van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de Kmar) plaatsgevonden en dit doet recht aan het beleid van de staatssecretaris om in het geval van inbewaringstelling van een asielzoeker een overleg- en toetsingsmoment te hebben en de belangen over en weer af te wegen, aldus de rechtbank.

In de enige grief klaagt de vreemdeling onder meer, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat in het geval van inbewaringstelling van asielzoekers het dossier zowel uit een oogpunt van kenbaarheid als uit een oogpunt van toetsbaarheid stukken dient te bevatten die uitdrukkelijk blijk geven van de verrichte belangenafweging die volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 is vereist. Uit het proces-verbaal van gehoor (M110-B) waarnaar de rechtbank verwijst, blijkt echter geenszins dat een dergelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. De enkele vermelding in dit proces-verbaal dat er contact is geweest met de Kmar en dat er voldoende bewaringsgronden zijn, is daartoe onvoldoende, aldus de vreemdeling.

1.1. Ten tijde van de inbewaringstelling op 24 april 2013 was de door de rechtbank en de vreemdeling aangehaalde paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 vervangen door paragraaf A6/6.1 van de Vc 2000.

Volgens paragraaf A6/6.1 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, mag de bewaring op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voor vreemdelingen van wie de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd nog niet is afgewezen, uitsluitend plaatsvinden en voortduren op grond van een daartoe strekkende belangenafweging. De ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, die ook hulpofficier van justitie is, neemt over de belangenafweging contact op met de IND. In model M110a of in een proces-verbaal wordt verslag gedaan van dit overleg en de belangenafweging die heeft geleid tot het opleggen of voortduren van de bewaring ondanks de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De bewaring bij vreemdelingen die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd willen indienen of ingediend hebben, moet zo beperkt mogelijk geschieden.

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2012 in zaak nr. 201203503/1/V3) dient het dossier zowel uit een oogpunt van kenbaarheid als uit een oogpunt van toetsbaarheid stukken te bevatten die uitdrukkelijk blijk geven van de verrichte belangenafweging die volgens paragraaf A6/5.3.3.5 van de Vc 2000 (thans na wijziging: A6/6.1 van de Vc 2000) is vereist, indien een asielzoeker in bewaring wordt gesteld.

1.3. In het proces-verbaal van gehoor van 24 april 2013 is, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:

"U deelt mij mede dat ik vanochtend in het kader van de identiteitsvaststelling, met behulp van een telefonische tolk, door uw collega's ben gewezen op mijn rechten. U geeft aan dat ik in dat gesprek heb aan[ge]geven dat ik in Nederland asiel wilde aanvragen. U deelt mij mede dat u daarom vandaag, 24 april 2013, omstreeks 10:30 uur contact heb[t] opgenomen met de bewaringscoördinator […] van de Koninklijke Marechaussee te Schiphol. U deelt mij mede dat, de bewaringscoördinator op voorhand geen beletsel zag om mij in vreemdelingenbewaring te stellen en dat er voldoende gronden aanwezig zijn.

U deelt mij mede dat u een aantal vragen heeft om te kunnen beoordelen of ik inderdaad in vreemdelingenbewaring gesteld moet worden."

1.4. Uit dit proces-verbaal, de maatregel van bewaring en de andere op de zaak betrekking hebbende stukken blijkt niet dat de staatssecretaris voorafgaand aan de inbewaringstelling op 24 april 2013 een concrete afweging met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de door de vreemdeling geuite asielwens heeft gemaakt. In het licht van het geldende beleid, als omschreven in overweging 1.1., kan de staatssecretaris niet volstaan met de constatering dat geen beletsel tegen de inbewaringstelling van de vreemdeling bestaat, maar dient hij duidelijk te motiveren waarom ondanks de door de vreemdeling geuite asielwens tot inbewaringstelling moet worden overgegaan. Dat de staatssecretaris in voormeld proces-verbaal slechts heeft verwezen naar de gronden van de maatregel van bewaring is daartoe onvoldoende. De rechtbank heeft derhalve ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris in overeenstemming heeft gehandeld met zijn beleid. De bewaring is van meet af aan onrechtmatig.

De grief slaagt reeds hierom.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen overigens in de grief is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 24 april 2013 van de staatssecretaris, gelet op overweging 1.4., alsnog gegrond verklaren. De vrijheidsontnemende maatregel dient te worden opgeheven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 24 april 2013 tot heden, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

3. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Roermond, van 21 mei 2013 in zaak nr. 13/11748;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. bepaalt dat de vrijheidsontnemende maatregel krachtens artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000 ingaande heden wordt opgeheven;

V. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 4.155,00 (zegge: vierduizend honderdvijfenvijftig euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Laar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013

551-737