Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3616

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201204661/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:8003, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 6 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204661/1/V2.

Datum uitspraak: 13 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 april 2012 in zaken nrs. 11/31426 en 11/31427 in de gedingen tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2] en tezamen: [de vreemdelingen], mede voor hun minderjarige kinderen,

en

de minister.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 6 september 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.

Bij uitspraak van 10 april 2012 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdelingen hebben een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn argumenten ter onderbouwing van het standpunt dat het relaas van de vreemdelingen positieve overtuigingskracht mist, niet steekhoudend zijn en dat het besluit daarom ondeugdelijk gemotiveerd is. Hij betoogt hiertoe dat de rechtbank ten onrechte en in strijd met het terughoudende toetsingskader haar eigen standpunt in de plaats van dat van de staatssecretaris heeft gesteld en dat zij gezien de meerdere tegenstrijdigheden en ongerijmde wendingen die de staatssecretaris heeft geconstateerd de beroepen van de vreemdelingen ongegrond had dienen te verklaren.

2.1. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 12 maart 2013 in zaak nr. 201205535/1/V4) gaat het bij de beoordeling van het asielrelaas meestal niet om de vraag of en in hoeverre de vreemdeling heeft bewezen dat het in zijn asielrelaas gestelde daadwerkelijk is voorgevallen. Een asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn asielrelaas overtuigend met bewijs te staven. Om hem in zijn bewijspositie tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van zijn aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, geldt ingevolge artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in verbinding gelezen met artikel 3.35, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 en het ter uitvoering daarvan vastgestelde beleid dat de verklaringen van een asielzoeker in beginsel geloofwaardig worden geacht. Is echter sprake van een omstandigheid genoemd in voornoemd artikel 31, tweede lid, dan zal aan die voorwaarden niet zijn voldaan en zal gelet op bedoeld beleid van de verklaringen van de asielzoeker positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om het asielrelaas geloofwaardig te achten.

2.2. Eveneens volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2), behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een asielzoeker in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling slechts terughoudend toetsen. De maatstaf bij die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de bestuursrechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of grond bestaat voor het oordeel dat de staatssecretaris, gelet op de motivering in het voornemen en het besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, zich niet in redelijkheid op het door hem ingenomen standpunt kan stellen.

2.3. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in redelijkheid aan de vreemdelingen heeft kunnen tegenwerpen en dat van hun asielrelaas daarom positieve overtuigingskracht dient uit te gaan. Nu de vreemdelingen geen hoger beroep hebben ingesteld, is dat oordeel in rechte komen vast te staan.

2.4. In de besluiten van 6 september 2011 en de daarin ingelaste voornemens heeft de staatssecretaris zich, samengevat weergegeven, op het standpunt gesteld dat het bevreemdingwekkend is dat de vreemdelingen niet meer weten wanneer zij elkaar voor het eerst hebben gezien. Voorts heeft hij, gelet op de verklaringen van vreemdeling 2 dat zij zeer beperkte bewegingsvrijheid had en nooit alleen het huis verliet, ongerijmd geacht dat haar familie haar alleen thuis liet en dat zij in de auto van [vriend] van vreemdeling 1 en chauffeur van de vader van vreemdeling 2, kon stappen en dat de vreemdelingen samen weg hebben kunnen rijden. Ten slotte heeft de staatssecretaris niet geloofwaardig geacht dat de familie van vreemdeling 2 naar de vreemdelingen op zoek zou zijn. Als de familie van vreemdeling 2 zo invloedrijk is als de vreemdelingen stellen, is immers ongerijmd dat het gedurende anderhalf jaar niet gelukt is de vreemdelingen te vinden, hoewel zij slechts op een afstand van een uur rijden van het ouderlijk huis van vreemdeling 2 verbleven, aldus de staatssecretaris.

2.5. De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdelingen hebben verklaard dat zij elkaar in 2006 hebben ontmoet en dat het, gelet op het tijdsverloop sindsdien, op zich geen bevreemding wekt dat zij niet meer weten wat de precieze datum van hun eerste ontmoeting is geweest, zodat zij hierin geen reden ziet om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van hun verklaringen. In het licht van hun verklaring dat niemand behalve [vriend] op de hoogte was van hun relatie en de rol die [vriend] daarbij gespeeld had, ziet de rechtbank voorts niet in waarom er voor de ouders van vreemdeling 2 aanleiding was om haar continu in de gaten te houden en niet alleen thuis te laten in het bijzijn van [vriend]. Dat vreemdeling 2 in haar bewegingsvrijheid werd beperkt, sluit op zich nog niet uit dat zij zich buiten de woning heeft kunnen begeven. Tegen deze achtergrond is volgens de rechtbank niet onvoorstelbaar dat vreemdeling 2 ongezien het huis heeft kunnen verlaten, vooral niet nu dit volgens laatstgenoemde zou zijn gebeurd tijdens het vrijdaggebed. De omstandigheid dat niemand op de hoogte was van het feit dat [vriend] betrokken was bij de ontsnapping van vreemdeling 2 uit haar ouderlijk huis en dat de vreemdelingen waren ondergedoken in het huis van diens broer, in combinatie met het feit dat deze woning op anderhalf uur reistijd verwijderd is van het woonhuis van de ouders van vreemdeling 2, maakt het niet voor de hand liggend dat de familie van vreemdeling 2 [vriend] omtrent haar verdwijning aan de tand zou voelen of dat zij de vreemdelingen zou gaan zoeken in de woning van diens broer, aldus de rechtbank.

2.6. Gelet op het hiervoor in 2.1. en 2.2. weergegeven toetsingskader, biedt hetgeen de vreemdelingen in beroep hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de staatsecretaris zich met de aan het besluit ten grondslag gelegde motivering niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hun relaas meerdere ongerijmde wendingen bevat en daarom positieve overtuigingskracht mist. Door zich niet te beperken tot de toets of de door de staatssecretaris gegeven motivering diens standpunt kan dragen, maar de gegeven motivering ondeugdelijk te achten omdat naar haar oordeel de door de vreemdeling afgelegde verklaringen ook op andere wijze hadden kunnen worden beoordeeld, heeft de rechtbank haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats gesteld van dat van de staatssecretaris en in zoverre de toetsing niet met de vereiste terughoudendheid verricht.

De grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling, gezien het hiervoor overwogene, de beroepen van de vreemdelingen tegen de besluiten van 6 september 2011 alsnog ongegrond verklaren.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 10 april 2012 in zaken nrs. 11/31426 en 11/31427;

III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Zegveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 13 juni 2013

43-698.