Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3610

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201206373/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:11031, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206373/1/V1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Middelburg, van 7 juni 2012 in zaak nr. 12/7126 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel een verzoek van de vreemdeling om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.

2. De dagvaarding van onbekende datum waarbij de vreemdeling wordt gedagvaard om op 30 maart 2005 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter en de Vordering wijziging tenlastelegging van 30 maart 2005 die de staatssecretaris bij brief van 28 juni 2012 heeft overgelegd, dateren van vóór de aangevallen uitspraak. Nu de staatssecretaris geen in rechte te honoreren verklaring heeft gegeven waarom hij deze stukken redelijkerwijs niet reeds in beroep had kunnen overleggen, kunnen deze niet bij de beoordeling van het hoger beroep worden betrokken.

3. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) is deze van toepassing op illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijvende onderdanen van derde landen.

4. Reeds omdat de vreemdeling op 4 augustus 2009 - vóór het verstrijken van de implementatietermijn van de Terugkeerrichtlijn op 24 december 2010 - is uitgezet naar Kosovo klaagt de staatssecretaris in de het eerste onderdeel van de enige grief terecht dat de rechtbank heeft miskend dat de Terugkeerrichtlijn niet op de vreemdeling van toepassing is.

5. De in het eerste onderdeel van de grief vervatte klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar de grief kan, gelet op het volgende, niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

6. De staatssecretaris betoogt in het tweede onderdeel van de grief dat de rechtbank ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:51a van de Awb dan wel hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld het uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2012 toe te lichten. De staatssecretaris voert aan dat de onduidelijkheid in dit uittreksel, waar de rechtbank in de aangevallen uitspraak op wijst, is gelegen in de wijziging van de tenlastelegging.

6.1. Ingevolge artikel 68, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 kan de staatssecretaris op aanvraag van een vreemdeling besluiten tot opheffing van de ongewenstverklaring.

Ingevolge artikel 6.6, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), voor zover thans van belang, wordt de aanvraag om opheffing van de ongewenstverklaring ingewilligd, indien een vreemdeling niet aan strafvervolging terzake van een misdrijf is onderworpen, en deze vreemdeling:

a. indien hij ongewenst is verklaard wegens een geweldsdelict, een opiumdelict of een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaren is bedreigd, na de ongewenstverklaring ten minste tien achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven;

b. indien hij ongewenst is verklaard wegens andere misdrijven dan bedoeld onder a., na de ongewenstverklaring ten minste vijf achtereenvolgende jaren buiten Nederland heeft verbleven.

Ingevolge het derde lid vangen de in het eerste lid genoemde termijnen opnieuw aan, indien een vreemdeling tijdens de ongewenstverklaring:

a. een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden.

6.2. De staatssecretaris heeft in de beroepsfase een uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2012 overgelegd waarin volgens de staatssecretaris, wat betreft de veroordeling van de vreemdeling op 30 maart 2005 voor het geweldsmisdrijf poging tot doodslag, een omissie in het uittreksel Justitiële Documentatie van 13 februari 2012 is hersteld. De rechtbank heeft echter terecht overwogen dat uit dit gewijzigde uittreksel Justitiële Documentatie van 15 februari 2012 evenmin eenduidig volgt dat de vreemdeling op 30 maart 2005 is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf, in dit geval poging tot doodslag, zoals de staatssecretaris heeft gesteld. De staatssecretaris heeft met voormeld uittreksel derhalve niet aangetoond dat de vreemdeling na het besluit tot ongewenstverklaring van 18 september 2000 een als misdrijf strafbaar gestelde inbreuk op de openbare orde heeft gepleegd die krachtens artikel 6.6, derde lid, van het Vb 2000 tot ongewenstverklaring zou kunnen leiden. Nu het verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring een volledig nieuwe beoordeling van de staatssecretaris vergt, heeft de rechtbank de staatssecretaris niet ten onrechte niet in de gelegenheid gesteld het gebrek in het besluit van 28 februari 2012 te herstellen.

Het tweede onderdeel van de grief faalt.

7. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

8. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Willems

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

412-760