Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3606

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201201896/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) de kosten voor het verrichten van een onderzoek door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het instituut) te vergoeden, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201896/1/V1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 januari 2012 in zaak nr. 11/25011 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juli 2011 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 17, eerste lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (hierna: de Rva 2005) de kosten voor het verrichten van een onderzoek door het Internationaal Juridisch Instituut (hierna: het instituut) te vergoeden, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 31 januari 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat het COa een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Het COa klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling recht heeft op opvang, nu hij beroep heeft ingesteld en heeft verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening de behandeling van zijn beroep in Nederland te mogen afwachten. Het COa voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat dit geen recht op opvang genereert.

1.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rva 2005 eindigt het recht op opvang van een asielzoeker wiens asielaanvraag die recht op opvang heeft gegeven, is afgewezen, indien de vertrektermijn bedoeld in artikel 62 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is verstreken, tenzij de betrokken asielzoeker in afwachting is van een rechterlijke uitspraak op een binnen de vertrektermijn ingediend verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening om de behandeling van het hogerberoepschrift in Nederland te mogen afwachten, voor zover uitzetting gedurende de behandeling van dit verzoek achterwege blijft.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g, omvat de opvang in een opvangvoorziening in elk geval betaling van buitengewone kosten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan een asielzoeker een vergoeding ontvangen voor buitengewone kosten, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel g, die hij heeft gemaakt.

1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 mei 2012 in zaak nr. 201113284/1/V1) is voormeld artikel 5, eerste lid, onder b, niet van toepassing in geval van een verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening de behandeling van een beroep in Nederland te mogen afwachten. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 8 juli 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen nog bespreking behoeven.

3. De vreemdeling heeft aangevoerd dat zijn minderjarige dochter in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en dat hij daarom een aanvraag heeft ingediend om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen voor het uitoefenen van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens de vreemdeling heeft het COa miskend dat, nu zijn dochter onder artikel 3, derde lid, aanhef en onder c, valt, hij krachtens artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, van de Rva 2005 recht heeft op opvang en dat dit recht ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rva 2005 niet is geëindigd.

3.1. Ingevolge artikel 3, derde lid, aanhef en onder c en d, van de Rva 2005 worden met de categorieën asielzoekers, voor wie het COa zorgdraagt voor de centrale opvang door erin te voorzien dat hen opvang wordt geboden in een opvangvoorziening, gelijkgesteld:

een vreemdeling aan wie de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 of 28 van de Vw 2000, is verleend en die, met inachtneming van artikel 12 van de Rva 2005, reeds in de centrale opvang verblijft in afwachting van het betrekken van woonruimte in een gemeente, en

een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning bedoeld in voormeld artikel 14 heeft ingediend onder een beperking verband houdend met gezinshereniging met een asielzoeker aan wie krachtens deze regeling opvang wordt geboden.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, eindigt het recht op opvang, indien het een asielzoeker betreft aan wie het COa krachtens artikel 3, derde lid, aanhef en onder d, opvang heeft geboden, op de dag waarop voor de asielzoeker met wie de betrokken asielzoeker gezinshereniging beoogt naar het oordeel van het COa passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd.

3.2. Het betoog faalt, reeds omdat het COa de vreemdeling tijdens zijn asielprocedures niet krachtens voormeld artikel 3, derde lid, onder d, opvang heeft geboden. Dat de vreemdeling het COa op 16 juni 2011 heeft laten weten dat hij op 6 juni 2011 een aanvraag heeft ingediend om hem voormelde verblijfsvergunning regulier te verlenen, maakt dit niet anders, nu hij het COa niet heeft verzocht om de opvang op deze grond voort te zetten nadat zijn recht op opvang als asielzoeker met ingang van 12 april 2011 was geëindigd.

4. Voor zover de vreemdeling heeft aangevoerd dat het COa zijn aanvraag ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld omdat het COa niet heeft onderkend dat zijn dochter belanghebbende is bij het onderzoek door het instituut en daarom partij is in het verzoek om vergoeding van de kosten voor dat onderzoek, faalt het betoog, reeds omdat hij de aanvraag niet mede voor zijn dochter heeft ingediend. Voor zover de vreemdeling heeft beoogd te betogen dat zijn dochter belanghebbende is bij het besluit van 8 juli 2011 heeft hij, wat er van dat betoog ook zij, niet mede voor haar beroep ingesteld.

5. Het inleidend beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 31 januari 2012 in zaak nr. 11/25011;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Schuurman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

282-716.