Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3599

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201303444/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303444/2/R1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. de stichting Stichting Archeologie Actueel Limburg, gevestigd te Maastricht,

2. [verzoeker sub 2], wonend te Meijel, gemeente Peel en Maas, en anderen,

en

de raad van de gemeente Peel en Maas,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Peel en Maas" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer de stichting Archeologie en [verzoeker sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De stichting Archeologie en [verzoeker sub 2] en anderen hebben de voorzitter bij afzonderlijke brief verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 4 juni 2013, waar de stichting Archeologie, vertegenwoordigd door J.P.L.M. de Warrimont, [verzoeker sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door M.A.M. Jonkers en P.M. van Herk, beiden werkzaam bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Administratiefrechtelijk Adviesbureau A.R.D. b.v., en de raad, vertegenwoordigd door A.P. Langerak, L.F.J. Delahaije en M.F.M. Vervaet, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Het verzoek van de stichting Archeologie

2. Het verzoek van de stichting Archeologie heeft betrekking op de gestelde dieptegrens van 60 cm in artikel 42, lid 42.2.1, onder a, en lid 42.3.1, onder b, sub 2, van de planregels en in artikel 43, lid 43.2.1, onder a, en lid 43.3.1, onder b, sub 2, van de planregels. Deze artikelen zien op de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie 6" en "Waarde - archeologie 7". Volgens de stichting Archeologie had de dieptegrens op 40 cm gesteld moeten worden. Zij vreest dat op korte termijn op gronden met deze dubbelbestemmingen activiteiten worden toegestaan tot een diepte van 60 cm en dat eventuele archeologische resten verloren zullen gaan.

3. Vast staat dat de vigerende bestemmingsplannen die betrekking hebben op de gronden in het plangebied waaraan de dubbelbestemmingen "Waarde - archeologie 6" en "Waarde - archeologie 7" zijn toegekend, niet voorzien in dubbelbestemmingen om archeologische waarden te beschermen, zodat is toegestaan om zonder omgevingsvergunning diepere grondbewerkingen dan 60 cm uit te voeren. De voorzitter overweegt dat de stichting Archeologie niet gebaat is bij schorsing van de desbetreffende artikelen, omdat met een schorsing de vigerende planologische regelingen voor deze gronden van toepassing blijven. Voor zover de stichting Archeologie ter zitting heeft gewezen op het door de raad vastgestelde beleid "Beleidsplan archeologie" waarin een dieptegrens van 40 cm staat opgenomen en volgens haar een omgevingsvergunning niet in strijd met dit beleid mag worden verleend, overweegt de voorzitter dat het bestemmingsplan het toetsingskader vormt voor het verlenen van een omgevingsvergunning.

4. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek van de stichting Archeologie om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen

5. Het verzoek van [verzoeker sub 2] en anderen heeft betrekking op het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" voor de gronden aan de Vissersweg tussen de nummers 4 en 10 in Meijel. Op deze gronden voorziet het plan in de nieuwvestiging van een intensieve veehouderij.

6. Nu [belanghebbende] als eigenaar van de gronden aan de Vissersweg tussen de nummers 4 en 10 ter zitting heeft verklaard dat geen voornemen bestaat op korte termijn een aanvraag voor een omgevingsvergunning in te dienen, maar dat niet kan worden uitgesloten dat deze aanvraag wel zal worden ingediend voordat de Afdeling uitspraak heeft gedaan in de bodemzaak, hebben [verzoeker sub 2] en anderen in zoverre een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dat de raad ter zitting heeft gewezen op de omstandigheid dat in de hoger beroepsprocedure bij de Afdeling de verleende milieuvergunning zeer waarschijnlijk niet in stand zal blijven zodat de intensieve veehouderij niet in gebruik kan worden genomen, maakt het voorgaande niet anders. [verzoeker sub 2] en anderen hebben ter zitting toegelicht dat hun verzoek is gericht op het voorkomen van onomkeerbare gevolgen als gevolg van de bouw van de bedrijfsgebouwen.

7. [verzoeker sub 2] en anderen voeren aan dat het opnemen van een bouwvlak voor nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in strijd is met de uitgangspunten van de door de raad in december 2011 vastgestelde Structuurvisie Intensieve veehouderij en glastuinbouw (hierna: de Structuurvisie IVG).

7.1. In de Structuurvisie IVG staat dat het gebied Platveld, waarbinnen de gronden aan de Vissersweg tussen de nummers 4 en 10 zijn gelegen, is afgevallen als geschikt landbouwontwikkelingsgebied (hierna: LOG) en dat de gemeente alleen meewerkt aan een nieuwvestiging van een intensieve veehouderij in een als geschikt aangewezen LOG.

Ter zitting is door de raad bevestigd dat hij niet overeenkomstig de Structuurvisie IVG heeft gehandeld, nu de voorziene intensieve veehouderij buiten een als geschikt aangewezen LOG mogelijk wordt gemaakt. De raad heeft naar het oordeel van de voorzitter onvoldoende gemotiveerd waarom op dit punt van de uitgangspunten in de Structuurvisie IVG is afgeweken. Voor zover de raad heeft gewezen op de omstandigheid dat voor de nieuwvestiging van de intensieve veehouderij in het verleden reeds op basis van destijds geldend beleid bij brief van 11 maart 2008 medewerking door het college van burgemeester en wethouders was toegezegd aan [belanghebbende] en dat vanwege deze toezegging van de Structuurvisie IVG is afgeweken, overweegt de voorzitter dat - daargelaten de vraag of de brief van 18 maart 2008 als toezegging kan worden beschouwd - dit een toereikende motivering vormt voor afwijking van de nadien door de raad zelf vastgestelde Structuurvisie IVG.

7.2. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

Proceskosten

8. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van [verzoeker sub 2] en anderen te worden veroordeeld. Ten aanzien van de stichting Archeologie bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Peel en Maas van 5 februari 2013, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch - Intensieve veehouderij" voor de gronden aan de Vissersweg tussen de nummers 4 en 10 in Meijel;

II. wijst het verzoek van de stichting Stichting Archeologie Actueel Limburg af;

III. veroordeelt de raad van de gemeente Peel en Maas tot vergoeding van bij [verzoeker sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

IV. gelast dat de raad van de gemeente Peel en Maas aan [verzoeker sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Driessen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

634.