Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3598

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201302022/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Kleidijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302022/2/R4.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker] en anderen, wonend te Rhoon, gemeente Albrandswaard,

en

het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2013 heeft het college het uitwerkingsplan "Uitwerkingsplan Kleidijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [verzoeker] en anderen beroep ingesteld.

[verzoeker] en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 mei 2013, waar [verzoeker] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], het college, vertegenwoordigd door mr. M. Visser en C.A. de Klerk, beiden werkzaam bij de gemeente, en Woonvisie, vertegenwoordigd door [projectmanager], zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het uitwerkingsplan betreft een uitwerking van het bestemmingsplan "Rhoon Dorp" (hierna: het bestemmingsplan). Het uitwerkingsplan voorziet onder meer in de realisatie van 26 woningen.

3. [verzoeker] en anderen kunnen zich niet vinden in het uitwerkingsplan en willen door middel van hun verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van het uitwerkingsplan voorkomen. Ter onderbouwing van hun verzoek voeren zij de navolgende gronden aan.

4. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld omdat ten tijde van een door het college georganiseerde bijeenkomst op 19 februari 2013, waarin een toelichting op de weerlegging van de zienswijzen zou worden gegeven, de zaal van het gemeentehuis waar de toelichting zou plaatsvinden, op het door het college aangegeven tijdstip onvindbaar was. Voorts werd het tijdstip van de bijeenkomst, die plaatsvond onder kantoortijd, pas enkele dagen tevoren bekendgemaakt op 15 februari 2013, hetgeen volgens [verzoeker] en anderen eveneens van een onzorgvuldige handelwijze getuigt.

4.1. Het plan is vastgesteld op 5 februari 2013. Deze grond heeft aldus betrekking op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan daarom geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit.

5. [verzoeker] en anderen voeren aan dat de hoogte van de voorziene woningen en de geringe afstand tot hun woningen zal leiden tot onaanvaardbare schaduwhinder, aantasting van hun privacy en tot een toename van de geluidhinder ten gevolge van de weerkaatsing van het verkeersgeluid van de A15. Voorts voeren zij aan dat, in strijd met de uitwerkingsregels, bij de bouw van de woningen ten onrechte geen afstand van zeven meter tot de grens van de weg wordt aangehouden.

5.1. De uitwerkingsregels van het bestemmingsplan dienen volgens het college zo te worden gelezen, dat de afstand van de rijbaan tot de woningen zeven meter dient te bedragen. Het college stelt zich op het standpunt dat het uitwerkingsplan voldoet aan de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan.

5.2. Op grond van artikel 21, lid 21.2, van de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan mag ter plaatse van de gronden die thans zijn opgenomen in het uitwerkingsplan, van iedere woning de goothoogte ten hoogste zeven meter en de bouwhoogte ten hoogste elf meter bedragen en dienen de woningen op een afstand van ten minste zeven meter uit de grens van de aanliggende weg te worden gesitueerd.

5.3. Aangezien in het uitwerkingsplan aan de gronden een maximale goothoogte van zeven meter en een maximale nokhoogte van elf meter is toegekend, is het plan in zoverre in overeenstemming met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan.

Gelet op de tekst van de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan is de uitleg van het college dat daarin is bedoeld de afstand tot de rijbaan van de Kleidijk naar voorlopig oordeel van de voorzitter niet onjuist. Nu de kortste afstand van het bouwvlak dat woningen toestaat tot de rijbaan van de Kleidijk op grond van de verbeelding zeven meter bedraagt en niet is gebleken dat de rijbaan zal worden verlegd, is het uitwerkingsplan in zoverre niet vastgesteld in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan.

Gezien het voorgaande ziet de voorzitter vooralsnog geen aanleiding voor de verwachting dat het uitwerkingsplan zal leiden tot een onacceptabele vermindering van de bezonning of privacy, of tot een onaanvaardbare toename van de geluidhinder door weerkaatsing.

6. Het plan zal volgens [verzoeker] en anderen leiden tot een hogere parkeerdruk omdat binnen het plangebied 26 woningen worden mogelijk gemaakt, waar eerst 20 woningen stonden. Ook zal het plan volgens hen leiden tot verkeersoverlast omdat het plangebied wordt ontsloten op de Kleidijk.

6.1. Het college stelt zich op het standpunt dat de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan reeds de mogelijkheid bieden te voorzien in 26 woningen. Verder wordt volgens het college voldaan aan de parkeernorm uit het bestemmingsplan van twee parkeerplaatsen per woning. Er worden immers 53 parkeerplaatsen gerealiseerd. Omdat is voorzien in voldoende parkeervakken, zal volgens het college niet meer op de Kleidijk geparkeerd worden. Het plan leidt voorts niet tot verkeersoverlast op de Kleidijk, aangezien het een zeer beperkt aantal auto’s betreft en de maximumcapaciteit van de Kleidijk volgens het college ook na realisatie van het plan niet zal worden benaderd.

Ingevolge artikel 21, lid 21.2, onder a, van de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan, mogen binnen de bestemming ten hoogste 26 woningen worden gebouwd. Ingevolge artikel 5, lid 5.2, aanhef en onder b, van de regels van het uitwerkingsplan, mag ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden" het aantal woningen niet meer bedragen dan is aangegeven. Gezien de verbeelding mag het aantal woningen niet meer dan 26 bedragen. Het uitwerkingsplan is naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in zoverre niet vastgesteld in strijd met het bestemmingsplan.

De bestemming "Verkeer - en verblijf" laat ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels van het uitwerkingsplan, mede parkeerplaatsen toe. Ter zitting heeft het college voorts aan de hand van een inrichtingstekening toegelicht dat voldoende ruimte bestaat om 53 parkeerplaatsen te realiseren. Dit is door [verzoeker] en anderen niet gemotiveerd weersproken. Gelet op het aantal parkeerplaatsen dat kan worden gerealiseerd in en rondom het plangebied en op de geringe toename van het aantal woningen, heeft het college zich naar het voorlopig oordeel van de voorzitter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een onaanvaardbare parkeerdruk in of rondom het plangebied of tot onevenredige verkeershinder.

7. [verzoeker] en anderen voeren aan dat het dorpse karakter van de Kleidijk wordt aangetast omdat de voorziene woningen geen voortuin hebben en omdat het plan zal leiden tot het verdwijnen van de leilinden aan de Kleidijk.

7.1. Het college stelt dat de gronden waarop de leilinden staan in eigendom zullen komen van de gemeente en dat de leilinden behouden zullen blijven. Voorts zijn in het plan wel voortuinen voorzien, aldus het college.

7.2. Ingevolge de planregels van het uitwerkingsplan zijn de gronden waarop de leilinden staan mede bestemd voor groenvoorzieningen. Gelet daarop alsmede gelet op de toelichting van het college dat de betrokken gronden na realisatie van het plan deel zullen uitmaken van het openbaar gebied en in eigendom komen van de gemeente en gelet op de uitdrukkelijke toezegging dat de leilinden behouden zullen blijven, ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een aantasting van het dorpse karakter.

Blijkens de verbeelding is aan een korte strook grond aansluitend aan de voorkant van de woningen de bestemming "Tuin" toegekend. Gelet daarop mist het betoog van [verzoeker] en anderen in zoverre feitelijke grondslag.

Conclusie

8. Gelet op het voorgaande ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden en bestaat, na afweging van alle betrokken belangen, aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

568-731.