Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201302289/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302289/1/V2.

Datum uitspraak: 10 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 maart 2013 in zaken nrs. 13/4531 en 13/4533 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 4 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven 1 en 2, in onderlinge samenhang gelezen, betoogt de staatssecretaris dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat, nu hij geen nader onderzoek heeft laten doen, hij niet heeft voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht. Hij betoogt daartoe dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat het advies van MediFirst van 4 februari 2013 (hierna: het advies) inzichtelijk en concludent is.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 april 2011 in zaak nr. 201009709/1/V2), moet de staatssecretaris, indien en voor zover hij een advies van MediFirst aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is.

Indien de staatssecretaris heeft voldaan aan de aldus op hem rustende vergewisplicht, kan een vreemdeling de uitkomst van een advies van MediFirst slechts succesvol bestrijden door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies.

1.2. De staatssecretaris heeft de vreemdeling voor indiening van zijn asielaanvraag medisch laten onderzoeken door MediFirst. De resultaten van dit onderzoek, waarvoor een verpleegkundige de vreemdeling heeft gezien, zijn weergegeven in het advies, dat de desbetreffende verpleegkundige en een medisch adviseur hebben ondertekend. Het advies vermeldt dat de staatssecretaris de vreemdeling kan horen, maar dat hij, gegeven de medische klachten van de vreemdeling die tijdens het onderzoek zijn gebleken, bij het horen met een aantal beperkingen rekening moet houden. In verband hiermee staat in het advies dat de vreemdeling een chronische aandoening heeft, waarvoor hij meerdere malen per dag medicatie moet innemen, en dat het bij het innemen van die medicatie belangrijk is dat hij de gelegenheid krijgt om te eten en te drinken. Voorts staat in het advies dat de vreemdeling te kennen heeft gegeven dat hij slecht slaapt, waardoor volgens hem zijn concentratie mogelijk is verminderd, dat hij geen data kan noemen en dat hij de trap wel af, maar niet op kan lopen.

1.3. De voorzieningenrechter heeft niet onderkend dat de vreemdeling niet heeft bestreden dat MediFirst het onderzoek overeenkomstig het Protocol Medisch advies Horen en Beslissen heeft uitgevoerd, hetgeen waarborgt dat een advies voldoet aan de vanuit een oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid te stellen eisen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraken van 14 mei 2013 in zaken nrs. 201201203/1/V2 en 201206071/1/V2, moet er derhalve van worden uitgegaan dat het advies zorgvuldig tot stand is gekomen. Voorts is het advies, weergegeven onder 1.2, weliswaar summier, maar desondanks inzichtelijk en concludent. De staatssecretaris heeft derhalve voldaan aan de ingevolge artikel 3:2 van de Awb op hem rustende vergewisplicht.

1.4. Nu het advies er niet toe strekt dat de staatssecretaris de vreemdeling niet of nog niet kan horen en de vreemdeling de uitkomst van het advies niet door overlegging van een andersluidend deskundigenadvies heeft bestreden, heeft de voorzieningenrechter niet onderkend dat de staatssecretaris er terecht van is uitgegaan dat de vreemdeling geen medische beperkingen heeft die aan het horen in de weg staan.

1.5. Aangezien de verslagen van de gehoren er voorts geen blijk van geven dat de vreemdeling tijdens de gehoren desalniettemin niet in staat was verklaringen af te leggen en vragen te beantwoorden, heeft de voorzieningenrechter ook niet onderkend dat de staatssecretaris voor zijn besluitvorming niet ten onrechte op de door de vreemdeling afgelegde en in die verslagen weergegeven verklaringen is afgegaan.

1.6. De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 15 februari 2013 toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangedragen beroepsgronden, voor zover deze na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

3. Anders dan de vreemdeling heeft betoogd, heeft de staatssecretaris hem in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kunnen tegenwerpen. Daartoe heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verklaring van de vreemdeling dat hij op de luchthaven van Istanbul in slaap was gevallen en dat, toen hij weer wakker werd, zijn tas, waarin zijn identiteits- en reisdocumenten zaten, was verdwenen, onvoldoende is om aannemelijk gemaakt te achten dat het ontbreken van die documenten hem niet is toe te rekenen. Van de vreemdeling mag immers worden verwacht dat hij zijn documenten zorgvuldig bewaart.

De beroepsgrond faalt.

4. De vreemdeling heeft voorts betoogd dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zijn verklaringen over zijn weigering de functie van trainer van militairen te vervullen en de problemen die hij als gevolg van die weigering heeft ondervonden ongeloofwaardig zijn. Daartoe heeft de vreemdeling aangevoerd dat zijn verklaringen hieromtrent gedetailleerd en coherent zijn.

4.1. De staatssecretaris heeft in het besluit, en het daarin ingelaste voornemen daartoe, aan zijn standpunt dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist ten grondslag gelegd dat de vreemdeling wisselend heeft verklaard over zijn motivatie om de functie van trainer te weigeren. Zo heeft hij aanvankelijk gewezen op economische redenen, maar heeft hij later te kennen gegeven morele bezwaren te hebben tegen het vervullen van de functie. Voorts heeft de vreemdeling volgens de staatssecretaris niet eenduidig en niet gedetailleerd verklaard over wanneer hij gearresteerd en gedetineerd is geweest en heeft hij bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd over de wijze waarop hij onder druk is gezet. Het is niet aannemelijk dat de vreemdeling, hoewel hij reeds in 2004 door de veiligheidsdienst is benaderd voor de functie en hij deze toen heeft geweigerd, eerst in 2009 is gearresteerd en gedetineerd om hem te dwingen de functie te vervullen. Voorts heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat de vreemdeling, naar hij heeft verklaard, meerdere keren gedetineerd is geweest, waarbij hij is mishandeld om hem te overreden de functie te vervullen, en dat hij vervolgens, hoewel hij niet had gehoorzaamd, zonder voorwaarden weer is vrijgelaten. Bovendien valt volgens de staatssecretaris niet in te zien om welke reden de vreemdeling is gedetineerd in plaats van dat hij naar de legerplaats is gebracht om de functie uit te oefenen, te meer nu blijkbaar behoefte bestond aan trainers. Voorts is onaannemelijk dat de vreemdeling, ondanks alle bedreigingen, detenties en mishandelingen, heeft volhard in de weigering de functie te vervullen en hierin bovendien geen aanleiding heeft gezien om te vertrekken. Gelet op de problemen die de vreemdeling stelt te hebben ondervonden, valt niet in te zien dat hij zich eerst na een bedreiging door een officier in januari 2013 genoodzaakt zag te vertrekken, aldus de staatssecretaris.

4.2. Met de onder 4.1 weergegeven motivering heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling tegengeworpen verklaringen in redelijkheid bevreemdingwekkend, niet eenduidig en niet gedetailleerd kunnen achten en heeft hij zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het asielrelaas de vereiste positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig is.

De beroepsgrond faalt.

5. De vreemdeling heeft ten slotte tevergeefs betoogd dat hij, als voormalig militair en nu hij in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend, bij terugkeer naar Soedan te vrezen heeft voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De staatssecretaris heeft zich in het besluit, en het daarin ingelaste voornemen daartoe, dienaangaande terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling, nu zijn asielrelaas ongeloofwaardig is en hij voorts niet heeft onderbouwd dat concrete redenen bestaan, gelegen in zijn persoonlijke feiten en omstandigheden, om aan te nemen dat hij bij terugkeer een reƫel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met voormelde bepaling, niet in aanmerking komt voor vergunningverlening krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

De beroepsgrond faalt.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 4 maart 2013 in zaak nr. 13/4531;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klinkers

voorzitter ambtenaar van staat Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2013 549.