Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA3591

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
201205305/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna ook: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205305/1/V3.

Datum uitspraak: 10 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. [appellante sub 1], mede voor haar minderjarig kind,

(hierna: de vreemdeling) en [referent] (hierna: referent)

2. de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel

(thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie; hierna ook: de staatssecretaris),

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 mei 2012 in zaak nr. 12/4134 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juli 2011 heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna ook: de minister) een aanvraag van de vreemdeling om haar een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 11 januari 2012 heeft de minister het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar gegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard voor zover gericht tegen het niet naleven van de uitspraak van de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 29 december 2011 in zaken nrs. 11/37292 en 11/37293 en het beroep voor het overige ongegrond verklaard. Tevens heeft de rechtbank daarbij bepaald dat de staatssecretaris als gevolg van het niet tijdig beslissen op het gemaakte bezwaar een dwangsom heeft verbeurd van in totaal € 2.700,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling en referent en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling en referent en de staatssecretaris hebben verweerschriften ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

2. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.

2.1. Ingevolge artikel 8:77, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb vermeldt de schriftelijke uitspraak de namen van partijen. Het bij de rechtbank bestreden besluit van 11 januari 2012 is door de minister van Buitenlandse Zaken genomen. Anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld, was niet de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, maar de minister van Buitenlandse Zaken partij bij het aan haar voorgelegde geschil.

Voorts blijkt uit het beroepschrift van 5 februari 2012 dat de vreemdeling en referent gezamenlijk beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 11 januari 2012. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak dan ook ten onrechte slechts de vreemdeling als indiener van het beroepschrift vermeld en niet beslist op het beroep voor zover dat door referent was ingesteld. Onder verwijzing naar haar uitspraak van 12 januari 2004 in zaak nr. 200306128/1, overweegt de Afdeling dat overigens niet valt in te zien dat referent geen belanghebbende is bij het besluit op een door zijn partner in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag, omdat hij niet behoort tot een van de in artikel 70, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 genoemde personen.

Reeds omdat de tenaamstelling van het verwerend bestuursorgaan in de aangevallen uitspraak onjuist is en de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan het beroep voor zover dat door referent was ingesteld, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking.

3. Voorts overweegt de Afdeling ambtshalve als volgt.

3.1. Ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb bepaalt de rechtbank, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is en nog geen besluit bekend is gemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Ingevolge het tweede lid verbindt de rechtbank aan haar uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

3.2. De vreemdeling en referent hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 juli 2011. Omdat de minister daarop niet tijdig een besluit nam, hebben zij daartegen beiden beroep ingesteld.

Bij de voormelde uitspraak van 29 december 2011 heeft de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, deze beroepen gegrond verklaard en het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd. Tevens heeft zij daarbij de minister opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit bekend te maken en bepaald dat hij aan de vreemdeling en referent een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,00.

Op 11 januari 2012 heeft de minister alsnog een besluit op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar genomen.

3.3. In beroep hebben de vreemdeling en referent onder meer betoogd dat, zakelijk weergegeven, de minister in het besluit van 11 januari 2012 ten onrechte geen besluit heeft genomen op het door referent gemaakte bezwaar en ten onrechte geen besluit heeft genomen op het verzoek om proceskostenvergoeding. De vreemdeling en referent hebben de rechtbank derhalve verzocht te oordelen dat de minister de in de voormelde uitspraak van 29 december 2011 opgelegde dwangsom deels heeft verbeurd.

3.4. Onder verwijzing naar de uitspraak van 9 januari 2013 in zaak nr. 201112828/1/A3, overweegt de Afdeling dat aan de bestuursrechter geen bevoegdheid is toegekend om een partij te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van een dergelijke dwangsom kunnen partijen zich tot de burgerlijke rechter wenden.

Gelet hierop was de rechtbank niet bevoegd om te beoordelen of de staatssecretaris (lees: de minister) de bij de voormelde uitspraak van 29 december 2011 opgelegde dwangsom geheel of ten dele heeft verbeurd en heeft zij het daartoe strekkende verzoek van de vreemdeling en referent ten onrechte inhoudelijk beoordeeld.

4. De hoger beroepen zijn kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren van het door de vreemdeling en referent ingestelde beroep kennis te nemen, voor zover daarbij is verzocht de minister te veroordelen tot betaling van de door de rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam, aan de voormelde uitspraak van 29 december 2011 verbonden nadere dwangsom.

De Afdeling zal de zaak voor het overige naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen onder 2.1. is overwogen.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. Redelijke toepassing van artikel 54, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door de vreemdeling en referent in hoger beroep betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hen wordt terugbetaald.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 15 mei 2012 in zaak nr. 12/4134;

III. verklaart de rechtbank onbevoegd van het door de vreemdeling en referent tegen het besluit van 11 januari 2012 ingestelde beroep kennis te nemen, voor zover daarbij is verzocht de minister van Buitenlandse Zaken te veroordelen tot betaling van de door de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, aan de uitspraak van 29 december 2011 in zaken nrs. 11/37292 en 11/37293 verbonden nadere dwangsom;

IV. wijst de zaak voor het overige naar de rechtbank terug;

V. verstaat dat de secretaris van de Raad van State aan de vreemdeling en referent het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 (zegge: tweehonderdtweeëndertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Laar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2013

551.