Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2986

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201209737/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:BX6901, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het college aan de gemeente Schiedam een omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden, het handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening en het handelen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten ten behoeve van het zogenoemde project "Casco Schiedam" (hierna: het Casco).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.5
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.7
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.10
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.11
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.12
Crisis- en herstelwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/206 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Module Wabo en omgevingsvergunning 2013/441
JOM 2013/443
OGR-Updates.nl 2013-0151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209737/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonende te Vlaardingen respectievelijk Schiedam (hierna tezamen en in enkelvoud:

[appellant]),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2012 in zaken nrs. 12/1530 , 12/1353 en 12/1352 in het geding tussen onder meer:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het college aan de gemeente Schiedam een omgevingsvergunning onder voorwaarden verleend voor het uitvoeren van werkzaamheden, het handelen in strijd met regels van ruimtelijke ordening en het handelen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten ten behoeve van het zogenoemde project "Casco Schiedam" (hierna: het Casco).

Bij uitspraak van 30 augustus 2012 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nog nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 januari 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en het college, vertegenwoordigd door drs. S.J.C. Hovens en drs. A.M. Nix, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 2 september 2010 heeft de minister van Verkeer & Waterstaat, thans de minister van Infrastructuur en Milieu, krachtens artikel 15, eerste lid, van de Tracéwet het Tracébesluit A4 Delft-Schiedam vastgesteld. Dit besluit is met de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2011 in zaak nr. 201009980/1/M2 (www.raadvanstate.nl) in rechte onaantastbaar geworden. Het Tracébesluit voorziet, voor zover thans van belang, in de aanleg van een landtunnel voor de A4 alsmede in het gebruik van het tunneldak als wandel- en struingebied. In aanvulling op het Tracébesluit is de bestuursovereenkomst Integrale Ontwikkeling Delft-Schiedam gesloten. In deze overeenkomst zijn maatregelen opgenomen voor een goede inpassing van de A4 op het Schiedams grondgebied, waaronder de inrichting van het tunneldak door dubbel grondgebruik ten behoeve van sport en recreatie. Bij besluit van 2 februari 2012 heeft de raad van de gemeente Schiedam het bestemmingsplan "A4 Schiedam" overeenkomstig het Tracébesluit vastgesteld.

De omgevingsvergunning voor het Casco, voor zover deze ziet op het uitvoeren van werkzaamheden, ziet op een deel van het bouwrijp maken, te weten van de grond, voor een latere invulling van het projectgebied ten behoeve van recreatie en sport, zoals omschreven in het plan Park A4: het ophogen en egaliseren van het maaiveld met ongeveer 1 meter, het dempen van enkele watergangen, het voorbelasten met een zanddepot en het graven van een nieuwe watergang. De omgevingsvergunning, voor zover deze ziet op planologisch strijdig gebruik, ziet op het bouwrijp maken in de vorm van de bouw van drie luifels en een zettingsvrije plaat met een lengte van 218 meter. Voor het bouwen is de omgevingsvergunning niet aangevraagd en dus niet verleend. Het projectgebied is gelegen tussen de wijk Woudhoek en de gemeentegrens met Vlaardingen.

2. Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), zoals dat luidde ten tijde van belang, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een activiteit die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2, onverminderd het bepaalde in artikel 2.10, tweede lid, er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op elk van die activiteiten.

3. Vast staat dat de werkzaamheden en bouwwerkzaamheden ten behoeve van het zogenoemde bouwrijp maken van de grond in strijd zijn met de ter plaatse geldende bestemmingsplannen. Om deze werkzaamheden niettemin mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3º, van de Wabo omgevingsvergunning verleend.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de omgevingsvergunning voor het bouwrijp maken in strijd met artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo is verleend. Hiertoe voert zij aan dat de aanvraag om omgevingsvergunning tevens had moeten zien op de inrichting van Park A4 alsmede op de bouw van de zettingsvrije platen en luifels, nu het bouwrijp maken noodzakelijk is om Park A4 te realiseren en de bouw van de luifels en zettingsvrije platen een onlosmakelijke activiteit vormt met de vergunde activiteit planologisch strijdig gebruik ten behoeve van deze bouwwerkzaamheden. Voorts stelt zij in dit verband dat de rechtbank wat betreft de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) wel uitgaat van verbondenheid tussen deze activiteiten.

4.1. Indien één fysieke activiteit valt onder meer dan een van de in artikelen 2.1 en 2.2 van de Wabo omschreven categorieën activiteiten, mag ingevolge artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, uitsluitend een omgevingsvergunning worden aangevraagd voor elk van die activiteiten gezamenlijk.

4.2. Weliswaar is het bouwrijp maken van de grond gericht op de bouw en aanleg van het Park A4, maar nu dit bouwrijp maken vooraf gaat aan de toekomstige inrichting, zijn de activiteiten bouwrijp maken en de activiteit bouw en aanleg van het Park A4 fysiek van elkaar te onderscheiden en doet zich de situatie als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, derhalve in zoverre niet voor. De toepasselijkheid van de Chw leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat de rechtbank niet de samenhang tussen het Casco en de realisatie van Park A4, maar die tussen het Casco en de aanleg van de A4 in aanmerking heeft genomen bij haar oordeel dat de Chw van toepassing is, ziet artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, anders dan de Chw, niet op een project, zijnde een aantal met elkaar samenhangende fysieke activiteiten, maar op één fysieke activiteit.

4.3. Tot het bouwrijp maken behoort eveneens de bouw van de luifels en zettingsvrije platen. Het bouwen van de luifels en zettingsvrije platen is zowel een in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, als een in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo bedoelde activiteit. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, zoals dat luidde ten tijde van belang, staat er derhalve aan in de weg om eerst omgevingsvergunning aan te vragen voor planologisch strijdig gebruik voor het bouwen van de luifels en zettingsvrije platen en vervolgens op een later moment afzonderlijk een omgevingsvergunning aan te vragen voor het bouwen hiervan. Voor beide activiteiten had de gemeente één omgevingsvergunning moeten aanvragen. Nu de aanvraag om omgevingsvergunning alleen ziet op het planologisch strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en niet op de activiteit bouwen, had het college de gemeente met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid moeten bieden om de aanvraag in die zin aan te vullen, dat deze tevens betrekking heeft op de activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo en, indien aanvulling zou zijn uitgebleven, de aanvraag buiten behandeling dienen te stellen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het betoog slaagt. Het besluit dient te worden vernietigd.

5. De Afdeling ziet echter in het hierna overwogene aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

5.1. Op 25 april 2013 is de Wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht in werking getreden (Staatsblad 2013, 144 en 145). Bij invoering van deze wet is artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo gewijzigd.

Ingevolge artikel 2.7, eerste lid, zoals dat thans luidt, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project. In afwijking van de eerste volzin en onverminderd artikel 2.5 kan, indien één van die onlosmakelijke activiteiten een activiteit is als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, voor die activiteit voorafgaand aan en los van de overige onlosmakelijke activiteiten een aanvraag om een omgevingsvergunning worden ingediend.

5.2. Met deze wijziging is mogelijk gemaakt om de activiteit planologisch strijdig gebruik en andere activiteiten waarop dat gebruik geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, achtereenvolgens vergund te krijgen. Dit betekent dat de gemeente thans voor de bouw van de luifels en de zettingsvrije platen afzonderlijk omgevingsvergunning kan aanvragen.

6. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het project niet uitvoerbaar is, omdat bij de uitvoering van het project gebruik gemaakt zal moeten worden van grondgebied van de gemeente Vlaardingen. Hiertoe wijst zij er op dat niet kan worden uitgegaan van de door het college ter zitting van de rechtbank getoonde en bij het besluit ter inzage gelegde kaart. Voorts wijst zij op de ontsluiting van de parkeergarage die op Vlaardings grondgebied is geprojecteerd.

6.1. Voor zover [appellant] betoogt dat de ontsluiting van de parkeergarage op Vlaardings grondgebied is voorzien, overweegt de Afdeling dat de omgevingsvergunning niet ziet op de realisering van de ontsluiting van de parkeergarage, maar uitsluitend op het bouwrijp maken van de gronden in het projectgebied.

De rechtbank heeft in hetgeen in beroep is aangevoerd terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de activiteiten waarvoor het college omgevingsvergunning heeft verleend gedeeltelijk buiten de gemeentegrenzen van Schiedam zullen plaats vinden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de aanvraag om omgevingsvergunning is vermeld op welke kadastrale percelen het project is voorzien. Deze percelen bevinden zich alle binnen de gemeente Schiedam. Ook in de ruimtelijke onderbouwing is beschreven dat het project binnen de gemeentegrenzen van Schiedam is gelegen. Weliswaar was de weergave van de begrenzing van het projectgebied op het bij het inpassingsplan en de watertoets behorende kaartmateriaal aanvankelijk niet geheel juist, maar dit is hersteld, zoals het college ter zitting te kennen heeft gegeven, zodat de hierdoor ontstane onduidelijkheid is weggenomen. Geen aanknopingspunten bestaan om aan te nemen dat het op grondgebied van de gemeente Vlaardingen liggende kadastraal perceel met nummer K2478 voor het project of tijdens de werkzaamheden gebruikt zal worden. Reeds omdat deze beroepsgrond faalt, kan de Afdeling daarlaten of artikel 1.9 van de Chw er aan in de weg zou staan dat het bestreden besluit bij slagen van de beroepsgrond zou worden vernietigd. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd in afwijking van de verleende omgevingsvergunning, overweegt de Afdeling dat de uitvoering van de omgevingsvergunning in deze procedure niet aan de orde kan komen.

Het betoog faalt, zodat er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover aangevallen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 20 februari 2012 van het college alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen. De Afdeling zal evenwel bepalen dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 augustus 2012 in zaken nrs. 12/1530 , 12/1353 en 12/1352, voor zover aangevallen;

III. verklaart het bij de rechtbank door [appellant A] en [appellant B] ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Schiedam van 20 februari 2012, kenmerk 11UTB009;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Schiedam tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.688,00 (zegge: zestienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.J. Deen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Deen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

604.