Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2921

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201209321/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 15 juni 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kind het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209321/1/V6.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], mede voor haar minderjarige kind, wonend te Breda,

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 3 september 2012 in zaken nrs. 11/5888 en 11/5890 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 15 juni 2011 heeft de minister het verzoek van [appellante] om haar en haar minderjarige kind het Nederlanderschap te verlenen (hierna: het verzoek), afgewezen.

Bij onderscheiden besluiten van 25 oktober 2011 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 september 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.R. Kwee, advocaat te Rotterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.C. Rop, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) moet een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte overleggen.

Voorts moet een verzoeker volgens de Handleiding in beginsel een geldig buitenlands reisdocument overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet hij in beginsel een geldig buitenlands reisdocument overleggen, tenzij hij met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

Volgens de Handleiding kan van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten voorts worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat de identiteit en nationaliteit van [appellante] en de nationaliteit van haar minderjarige kind niet kunnen worden vastgesteld. Niet in geschil is dat [appellante] bij het verzoek geen gelegaliseerde geboorteakte en geen geldig buitenlandse paspoort van zichzelf en geen buitenlands paspoort van haar minderjarige kind heeft overgelegd.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu zij in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, zich geen bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan de staatssecretaris [appellante] had moeten vrijstellen van de in de Handleiding neergelegde eis documenten over te leggen om haar identiteit en nationaliteit en de nationaliteit van haar minderjarige kind aan te tonen. [appellante] voert hiertoe aan dat zij in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker’ en in de procedure tot verkrijging van deze vergunning is vrijgesteld van het paspoortvereiste. Gelet hierop en op de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 juni 2012 (LJN: BX2523) heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het stellen van voormelde eis in dit geval niet onevenredig is in verhouding met de door de Handleiding te dienen doelen, aldus [appellante].

4.1. Zoals is overwogen onder 2, moeten volgens de Handleiding met ingang van 1 mei 2009 ook houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de IND zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument, bij een verzoek om naturalisatie in beginsel een buitenlands reisdocument en een gelegaliseerde geboorteakte overleggen. In de toelichting bij het Tussentijds Bericht Nationaliteiten 2009/1 van 12 februari 2009 staat dat door deze wijziging van de Handleiding houders van ongeacht welke reguliere verblijfsvergunning in het kader van het verzoek om optie of naturalisatie in beginsel niet langer worden vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde of van apostille voorziene buitenlandse geboorteakte. Gelet hierop is de aard van de ten tijde van het verzoek aan [appellante] verleende verblijfsvergunning bepalend voor het antwoord op de vraag of de staatssecretaris haar in aanmerking diende te laten komen voor vrijstelling van de eis de gevraagde documenten over te leggen. Dit brengt met zich dat [appellante], die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, documenten moet overleggen om haar identiteit en nationaliteit en de nationaliteit van haar minderjarige kind aan te tonen. De stelling van [appellante] dat zij in het verleden in het bezit is geweest van een asieltitel mist feitelijke grondslag, aangezien de staatssecretaris in het besluit van 6 september 2005, waarin hij aan [appellante] een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft verleend met ingang van 7 februari 1998, haar aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft afgewezen. [appellante] heeft daartegen geen rechtsmiddelen aangewend en is sindsdien in het bezit van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bijgevolg kan [appellante] in het kader van deze naturalisatieprocedure, waar het gaat om vrijstelling van de eis documenten over te leggen om haar identiteit en nationaliteit en de nationaliteit van haar minderjarige kind aan te tonen, aan haar verblijfsstatus geen aanspraak op vrijstelling ontlenen. Dat [appellante] in de procedure tot verkrijging van voormelde verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is vrijgesteld van het paspoortvereiste leidt, gelet op hetgeen hierover is vermeld in de Handleiding en hiervoor is weergegeven, niet tot een ander oordeel. De verwijzing naar de onder 4 vermelde uitspraak van de rechtbank Groningen treft evenmin doel, reeds omdat de Afdeling deze heeft vernietigd bij uitspraak van 5 juni 2013 in zaak nr. 201206426/1/V6.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die hem ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) ertoe nopen om in dit geval, door [appellante] op grond van haar verblijfsstatus vrij te stellen van de eis de gevraagde documenten over te leggen, af te wijken van zijn onder 2 weergegeven beleid.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in bewijsnood verkeert. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan de specifieke omstandigheden van dit geval, in het bijzonder de omstandigheid dat zij alleenstaande minderjarige asielzoeker is geweest.

5.1. De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat [appellante] niet al het mogelijke heeft gedaan om geldige buitenlandse paspoorten te verkrijgen. Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat, gelet op haar gestelde asielverleden, de staatssecretaris van haar niet mag vergen dat zij naar Togo afreist ter verkrijging van de gevraagde documenten, wordt overwogen dat, nu [appellante] in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, het uitgangspunt is dat zich geen asielgerelateerde omstandigheden voordoen waaruit zou volgen dat de staatssecretaris dit niet van haar mag vergen. De rechtbank heeft bovendien onbestreden overwogen dat onvoldoende is gebleken dat het voor [appellante] te gevaarlijk is om naar Togo af te reizen en dat niet is uit te sluiten dat zij met behulp van een professionele derde een gelegaliseerde geboorteakte kan verkrijgen, zodat afreizen naar Togo niet noodzakelijk is.

Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellante] niet in bewijsnood verkeert.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris niet van het horen in de bezwaarfase mocht afzien.

6.1. Een bestuursorgaan mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen afzien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een andersluidend besluit kunnen leiden.

Gelet op de motivering van de onderscheiden besluiten van 15 juni 2011 en de gronden in het bezwaarschrift van 7 juli 2011, bezien in samenhang met hetgeen is overwogen onder 4.1 en 5.1, is in dit geval aan deze maatstaf voldaan. Dat niet op voorhand valt uit te sluiten dat [appellante] tijdens een hoorzitting wellicht alsnog nieuwe gezichtspunten te berde zou hebben gebracht, doet daaraan niet af, omdat de staatssecretaris de beslissing om van het horen af te zien, neemt op basis van hetgeen in het bezwaarschrift naar voren is gebracht. De rechtbank heeft derhalve terecht geoordeeld dat de staatssecretaris van het horen van [appellante] mocht afzien.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Oei

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

164-670.