Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2914

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201208770/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] ontheffing en bouwvergunning verleend voor, voor zover thans van belang, het veranderen van een vaste brug in een beweegbare op het perceel [locatie] te Vinkeveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208770/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 juli 2012 in zaak

nr. 11/835 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van de Ronde Venen.

Procesverloop

Bij besluit van 24 januari 2011 heeft het college aan [vergunninghoudster] ontheffing en bouwvergunning verleend voor, voor zover thans van belang, het veranderen van een vaste brug in een beweegbare op het perceel [locatie] te Vinkeveen.

Bij uitspraak van 25 juli 2012 heeft de rechtbank het [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghoudster] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. B.E.J.M. Tomlow, advocaat te Utrecht, en het college, vertegenwoordigd door N.J.M. Röling en mr. W.J. Vonk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [vergunninghoudster], bijgestaan door mr. G.M. Kool, advocaat te Waverveen, gehoord.

Overwegingen

1. Op het perceel van [vergunninghoudster] is een vaste brug gerealiseerd, die dat perceel verbindt met een daarnaast gelegen perceel, waarop [vergunninghoudster] twee recreatiewoningen exploiteert. Het perceel met de twee recreatiewoningen is gelegen achter het perceel van [appellant]. Het bouwplan voorziet in de vervanging van de illegale vaste brug door een beweegbare, waarbij de bestaande brughoofden blijven behouden.

2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "1e Herziening Lintbebouwing Vinkeveen 2003" rust op het deel van het perceel, waarop het bouwplan is voorzien, de bestemming "Water".

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als zodanig aangewezen gronden bestemd voor waterlopen, waterhuishouding en waterberging met de daarbij behorende taluds en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, alsmede voor recreatieve doeleinden.

Ingevolge het tweede lid mogen op of in de in het eerste lid bedoelde gronden slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd waarvan de hoogte niet meer mag bedragen dan 1,5 m, met dien verstande dat de bouw van steigers en/of afmeerplaatsen slechts is toegestaan tot een diepte van maximaal 1,5 m uit de oeverlijn en evenwijdig aan de oeverlijn, gehoord de waterbeheerder.

Ingevolge het vierde lid is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in het tweede lid ten behoeve van bruggen met dien verstande dat de vrije doorvaart niet mag worden belemmerd.

3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Om het bouwplan niettemin mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 29, vierde lid, van de planvoorschriften vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was toepassing te geven aan de in artikel 29, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid. Daartoe voert hij aan dat de brug de vrije doorvaart belemmert, nu passanten voor het openen van de brug afhankelijk zijn [vergunninghoudster]. Dat aan de verleende vrijstelling het voorschrift is verbonden dat bij notariële akte wordt vastgelegd dat [appellant] en de huurders van zijn woning het recht hebben de brug te allen tijde te bedienen, waarvoor hen een sleutel zal worden uitgereikt, maakt niet dat de doorvaart vrij is voor een ieder, aldus [appellant]. Voorts betoogt hij dat de ruime uitleg van het begrip onbelemmerde vrije doorvaart door de rechtbank leidt tot ongewenste precedentwerking, nu die uitleg met zich brengt dat ook andere bezitters van zomerhuizen een bedienbare brug kunnen oprichten, waarmee inbreuk op het vaarplezier van velen wordt gemaakt. [appellant] heeft verder verwezen naar een deskundigenrapport van ir. P.W. van de Kreeke, waaruit volgens hem blijkt dat de brug niet voldoet aan de Richtlijnen Vaarwegen 2011 van Rijkswaterstaat (hierna: de Richtlijnen), waardoor de veiligheid op het water in het geding komt.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college bevoegd was toepassing te geven aan de in artikel 29, vierde lid, van de planvoorschriften opgenomen vrijstellingsbevoegdheid. Daarbij heeft zij met juistheid in aanmerking genomen dat aan de verleende vrijstelling en bouwvergunning het voorschrift is verbonden dat bij notariële akte wordt vastgelegd dat [appellant] en andere tot zijn perceel gerechtigden het recht hebben de brug te allen tijde te bedienen en daarvoor aan [appellant], zijn rechtsopvolger en eventuele huurders een sleutel van het kastje wordt uitgereikt, waarmee de brug wordt bediend. Dat het passeren van de brug diverse handelingen vereist, zoals het aanmeren, de bediening uitvoeren en afmeren, maakt niet dat de vrije doorvaart wordt belemmerd, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

Evenmin leidt de omstandigheid dat andere passanten niet over een sleutel beschikken tot dat oordeel. De rechtbank heeft daarbij terecht van belang geacht dat bij de brug een bord aanwezig is, voorzien van het adres en telefoonnummer van [vergunninghoudster], zij heeft toegezegd dat haar telefoon continu wordt bemand en dat de watergang achter de brug geen algemene doorvaarroute is, maar, naar het college onweersproken heeft gesteld, alleen leidt naar de percelen van [appellant] en [vergunninghoudster]. Dat volgens het deskundigenrapport van Van de Kreeke de brug niet voldoet aan de Richtlijnen, hetgeen ten koste gaat van de veiligheid op het water, maakt niet dat de vrije doorvaart wordt belemmerd. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat volgens de Richtlijnen afwijking is toegestaan in situaties, waarbij weinig openingen van de brug nodig zijn, zoals zich hier voordoet.

Er bestaan voorts geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de verleende ontheffing zal leiden tot de door [appellant] gestelde ongewenste precedentwerking. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ieder bouwplan op zijn eigen merites dient te worden beoordeeld.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn belangen door aan de verleende vrijstelling en bouwvergunning niet het voorschrift te verbinden dat hij de brug op afstand kan bedienen, dan wel dat de brug in beginsel open dient te staan. Volgens [appellant] bestaat de wens zich in Vinkeveen te vestigen, maar is zijn echtgenote fysiek niet in staat de handelingen te verrichten die het openen van de brug vergen en wordt dat mogelijk voor hem wegens zijn leeftijd in de toekomst eveneens te bezwaarlijk.

5.1. Het verlenen van een binnenplanse vrijstelling is een bevoegdheid van het college. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit terughoudend moet worden getoetst. De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college niet met toepassing van artikel 29, vierde lid, van de planvoorschriften vrijstelling voor het bouwplan mocht verlenen, zonder daaraan een van de door [appellant] gewenste voorschriften te verbinden. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking kunnen nemen dat aan de vrijstelling en bouwvergunning het voorschrift is verbonden dat bij notariële akte wordt vastgelegd dat [appellant] de brug zelf kan bedienen. Verder wordt in aanmerking genomen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij het bedienen van de brug op afstand de veiligheid niet in het geding komt.

Er bestaat voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van het college heeft gevolgd, dat een permanent openstaande brug tot gevaarlijke situaties aanleiding kan geven. De verwijzing naar de aanwezigheid van een openstaande brug elders maakt dat niet anders. Dat, naar gesteld door [appellant], het gevaar kan worden geweerd door het plaatsen van slagbomen, maakt niet dat het college de vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning niet heeft kunnen verlenen, zoals het heeft gedaan. Dat de bediening van de brug voor [appellant] en zijn echtgenote in de toekomst problemen kan opleveren wegens de fysieke inspanning die daarmee gepaard gaat, vormt geen reden voor een ander oordeel. Voldoende is dat [appellant] de mogelijkheid krijgt om de brug te bedienen.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Oudenaller

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

407-757.