Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2913

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201208461/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BX1752, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft de minister vier door de stichting ingediende aanvragen om subsidie voor innovatie in de zorg, geregistreerd onder de nummers ZPCOIZ0100, ZPCOIZ0200, ZPCOIZ0300 en ZPCOIZ0400, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208461/1/A2.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Innovatieprojecten OIZ, gevestigd te Eindhoven,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 juli 2012 in zaak nr. 11/1314 in het geding tussen:

de stichting

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft de minister vier door de stichting ingediende aanvragen om subsidie voor innovatie in de zorg, geregistreerd onder de nummers ZPCOIZ0100, ZPCOIZ0200, ZPCOIZ0300 en ZPCOIZ0400, afgewezen.

Bij besluit van 17 maart 2011 heeft de minister het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2012 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 maart 2013, waar de stichting, vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. D. van Tilborg, advocaat te Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. I.L. de Graaf en S. Ottenheijm MSc, beiden werkzaam bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, en D.V. da Costa MSc, werkzaam bij Agentschap NL, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 6 juli 2009, nr. MEVA/ICT-2939425, houdende vaststelling van regels voor het subsidiëren van innovatie in de zorg (hierna: de Regeling) wordt in deze regeling onder zorginnovatie verstaan vernieuwing van producten, productieprocessen, diensten of dienstverleningsprocessen, met inbegrip van de wijze waarop de arbeid is georganiseerd:

1°. ter versterking van het verlenen van patiëntgerichte zorg aan chronisch zieken of ouderen in een netwerk van zorgaanbieders of

2°. ter verhoging van de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg aan chronisch zieken of ouderen.

Ingevolge artikel 7, aanhef en onder a, wordt onder collectieve activiteiten verstaan de activiteiten die op basis van zorginnovatieplannen door vijf of meer deelnemers aan zorginnovatieprestatiecontracten (hierna: ZIPC) gezamenlijk zullen worden gefinancierd en uitgevoerd krachtens een samenwerkingsovereenkomst tussen die deelnemers, waarin hun onderlinge rechten en verplichtingen en een evenredige verdeling van de resultaten van die activiteiten worden geregeld.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder b wordt onder zorginnovatieplan verstaan de planmatige beschrijving van de activiteiten, inclusief de planning, kosten en opbrengsten daarvan, die een ZIPC-deelnemer in het kader van een ZIPC-verband zal verrichten met het oog op zorginnovatie, met inbegrip van de activiteiten die hij tezamen met een of meer andere ZIPC-deelnemers zal verrichten en van zijn verplichtingen jegens de ZIPC-penvoerder van het ZIPC-verband.

Ingevolge het bepaalde in die aanhef en onder g wordt onder overkoepelend plan verstaan de beschrijving van de activiteiten, die krachtens een tussen de ZIPC-penvoerder en de ZIPC-deelnemers gesloten samenwerkingsovereenkomst gedurende de looptijd van een zorginnovatietraject door de ZIPC-penvoerder ten behoeve van de ZIPC-deelnemers zullen worden uitgevoerd alsmede een omschrijving van de planning en de geraamde kosten en opbrengsten van die activiteiten.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, kan de minister op aanvraag een projectsubsidie verstrekken aan een ZIPC-deelnemer voor de uitvoering van zijn zorginnovatieplan.

Ingevolge het tweede lid wordt de aanvraag van de projectsubsidie, bedoeld in het eerste lid, ingediend via een ZIPC-penvoerder.

Ingevolge het derde lid verzendt de minister de beschikking op de aanvraag van de projectsubsidie, bedoeld in het eerste lid, aan de ZIPC-penvoerder.

Ingevolge artikel 18, derde lid, komen kosten in verband met op verkoop gerichte marketing- en sales-activiteiten, investeringen in en afschrijvingen van bedrijfsmiddelen, herhalingstesten of het deelnemen aan tentoonstellingen en symposia niet voor subsidie in aanmerking.

Ingevolge artikel 21 beslist de minister in ieder geval afwijzend op een aanvraag van de projectsubsidie, bedoeld in artikel 17, indien: […]

e. het overkoepelende plan niet het vertrouwen geeft dat de ZIPC-penvoerder de begeleiding van de ZIPC-deelnemers bij het uitvoeren van hun zorginnovatieplannen en de totstandkoming en begeleiding van de in het plan opgenomen samenwerkingsprojecten naar behoren kan uitvoeren;

f. uit het zorginnovatieplan onvoldoende blijkt dat de ZIPC-deelnemer activiteiten verricht die gericht zijn op zorginnovatie;

g. het ZIPC-verband bestaat uit minder dan 10 en meer dan 35 ZIPC-deelnemers. […]

Achtergrond

2. Op 11 januari 2010 heeft de stichting in totaal vier subsidieaanvragen voor innovatie in de zorg ingediend. De aanvragen hebben betrekking op de projecten "Procesoptimalisatie van primaire-, administratieve- en facilitaire processen in de zorg" (ZPCOIZ0100), "E-learning voor specifieke aspecten in ziekenhuizen en GGZ-instellingen" (ZPCOIZ0200), "De ontwikkeling van applicaties voor zorgleefplan en begeleiding chronisch zieken bij bewegingsoefeningen op basis van richtlijnen" (ZPCOIZ0300) en "De ontwikkeling van applicaties voor optimalisatie organisatie werkzaamheden zorgverleners en belevingsgerichte zorg" (ZPCOIZ0400).

Bij besluit van 16 maart 2010 heeft de minister de aanvragen afgewezen, omdat het overkoepelende plan van de penvoerder bij alle aanvragen volgens hem van onvoldoende kwaliteit is (artikel 21, aanhef en onder e, van de Regeling) en geen van de ingediende collectieve plannen voldoet aan de definitie die in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling aan zorginnovatie is gegeven (artikel 21, aanhef en onder f, van de Regeling).

Met haar brief van 22 april 2010 heeft de stichting hiertegen bezwaar gemaakt. De bezwarenadviescommissie is in haar advies onder meer tot de conclusie gekomen dat de minister onvoldoende concreet heeft gemotiveerd waarom de aanvragen van de stichting niet voldoen aan artikel 21, aanhef en onder e en f, van de Regeling. Bij het besluit van 17 maart 2011 heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard op basis van een uitgebreidere motivering per aanvraag.

Uitleg begrip zorginnovatie

3. De stichting betoogt dat de rechtbank het begrip zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling, door daarbij vernieuwing van de zorgarbeid centraal te stellen, te beperkt heeft uitgelegd. Uit de toelichting op de Regeling en het door de bewindslieden van Volksgezondheid, Welzijn en Sport ingezette innovatiebeleid in de zorg blijkt dat de nadruk ligt op versterking van de patiëntgerichte zorg en het bevorderen van de arbeidsproductiviteit en dat ICT hierin een belangrijke rol vervult. Dit is door de rechtbank niet onderkend, aldus de stichting.

3.1. In overweging 11 van de aangevallen uitspraak is de rechtbank ingegaan op de beroepsgrond van de stichting over de interpretatie van het begrip zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling. Hierbij heeft de rechtbank gebruik gemaakt van de tekst van en de toelichting bij artikel 1 van de Regeling. De rechtbank heeft in haar oordeelsvorming met name gewicht toegekend aan het bestaan van een voldoende concreet verband van de beoogde vernieuwingen met het eigenlijke verzorgende werk; innovaties mogen niet te ver afstaan van de daadwerkelijke zorgarbeid.

Ter zitting bij de Afdeling heeft de minister desgevraagd toegelicht dat met de Regeling is beoogd partijen die actief zijn in de zorgsector te stimuleren om te investeren in de ontwikkeling van nieuwe producten en diensten. Volgens de minister wordt thans in de zorgsector weinig risico genomen, met als gevolg dat weinig innovatie plaatsvindt. De minister beschouwt dit als marktfalen. Hij gaat ervan uit dat marktpartijen die met behulp van een subsidie ertoe zijn overgegaan te investeren in innovatie in de zorg later bereid zijn zelf risico’s te nemen met het ontwikkelen van nieuwe producten en diensten. De minister heeft hierbij in zijn verweerschrift en ter zitting vooropgesteld dat moet worden voorkomen dat een verstrekte subsidie als ongeoorloofde staatssteun aangemerkt kan worden. De minister wijst in dit verband op het Kaderbesluit EZ subsidies en de Regeling van de minister van Economische Zaken van 3 december 2008, nr. WJZ/8187683. Uit deze regelgeving moet volgens de minister worden afgeleid dat hij alleen tot subsidieverlening kan overgaan in een situatie van marktfalen. Daarom is volgens hem van belang dat de projecten waarvoor subsidie wordt gevraagd werkelijk vernieuwend zijn en dat het niet gaat om reguliere bedrijfsinvesteringen. Deze bedrijfsinvesteringen komen ingevolge artikel 18, derde lid, van de Regeling niet voor subsidie in aanmerking. Samenvattend gaat het volgens de minister bij zorginnovatie als bedoeld in de Regeling om daadwerkelijke innovatie en moet de innovatie verband moet houden met zorgverlening.

Gelet op het voorgaande kan de stichting niet worden gevolgd in haar betoog dat de rechtbank in overweging 11 van de aangevallen uitspraak het begrip zorginnovatie te beperkt heeft uitgelegd. Daarbij komt dat, anders dan de stichting betoogt, de rechtbank in dit verband niet heeft overwogen dat ICT-voorzieningen geen bijdrage kunnen leveren aan versterking van het verlenen van patiëntgerichte zorg en verhoging van de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg en dat het daarom niet zou gaan om zorginnovatie als bedoeld in de Regeling.

Het betoog faalt dan ook.

"Betere software voor betere informatie"

4. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het collectief "Betere software voor betere informatie", dat onderdeel uitmaakt van de subsidieaanvraag onder nummer ZPCOIZ0100, de voorbereiding van een ZIPC betreft en niet de uitvoering van een plan dat al klaar ligt. Bij de aanvraag is het "Zorginnovatieplan ZIPC-collectief Betere software voor betere informatie" gevoegd. Hierin zijn de innovatiedoelstellingen van het project, alsmede de concrete activiteiten die door de deelnemers zullen worden verricht omschreven. Daarbij is een planning en een begroting voor de omschreven activiteiten overgelegd. Hieruit volgt dat aan het project wel degelijk een zorginnovatieplan ten grondslag ligt, dat voldoet aan de daaraan in de regeling gestelde eisen, aldus de stichting.

4.1. Voorop staat dat de projectsubsidie als bedoeld in artikel 17 van de Regeling ziet op de uitvoering van het zorginnovatieplan en dat de voorbereiding van zo’n plan niet subsidiabel is. In het besluit van 17 maart 2011 heeft de minister het standpunt ingenomen dat een deel van de aanvraag ziet op de planningsfase en "overduidelijk de voorbereiding betreft". De stichting heeft in beroep en hoger beroep toegelicht dat in het bij de aanvraag gevoegde "Zorginnovatieplan ZIPC-collectief Betere software voor betere informatie" ook de voorbereidingsfase is opgenomen, maar dat voor de voorbereidingsfase geen subsidie is gevraagd. De stichting stelt een overzicht van de voorbereidingsfase te hebben bijgesloten, om een duidelijker beeld te geven van het collectief. De minister heeft hierop in (hoger) beroep slechts zijn in het besluit van 17 maart 2011 ingenomen standpunt herhaald, dat voorbereidende activiteiten in het algemeen niet onder de definitie van zorginnovatie vallen. Nu de minister heeft volstaan met dit algemene standpunt en hierbij niet de door de stichting geschetste omstandigheden heeft betrokken, heeft de rechtbank niet onderkend dat de door de minister gegeven motivering het besluit van 17 maart 2011, voor zover dat ziet op dit onderdeel van het collectief "Betere software voor betere informatie", niet kan dragen.

Het betoog slaagt.

5. De stichting betoogt verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het collectief "Betere software voor betere informatie" wel degelijk zorginnovatie brengt als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling. De vernieuwingen hebben betrekking op de kwaliteit van de wijze van behandelen, de voorlichting van de patiënt over de behandeling, het vastleggen van de resultaten van de behandeling en het communiceren met de patiënt en de verwijzers over de behandeling. Dit brengt met zich dat een snellere, betere en meer continue behandeling wordt bereikt. Het collectief ziet daarmee op de daadwerkelijk te verrichten zorgarbeid, aldus de stichting.

5.1. Uit het overwogene onder 3.1. volgt, dat onder zorginnovatie tevens door de ICT gecreëerde vernieuwingen moeten worden verstaan, die innovatief zijn en bijdragen aan een verhoging van de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg aan chronisch zieken of ouderen. De minister heeft in zijn besluit van 17 maart 2011 niet in ogenschouw genomen dat uitvoering van het project "Betere software voor betere informatie" kan bijdragen aan een snellere, betere en meer continue behandeling. Het is daarom niet uitgesloten dat dit project leidt tot de met de Regeling voorgestane zorginnovatie. Het besluit van 17 maart 2011 berust ook in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

"Nieuw maaltijden productie- en distributiesysteem"

6. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het collectief "Nieuw maaltijden productie- en distributiesysteem", dat onderdeel uitmaakt van de subsidieaanvraag onder nummer ZPCOIZ0100, in een te ver verwijderd verband staat tot de daadwerkelijke zorg voor chronisch zieken en ouderen en daarom geen zorginnovatie betreft. Hiertoe voert de stichting aan dat de deelnemers aan het verband zich blijkens het plan willen richten op de verbetering van het domein maaltijdvoorziening in al zijn facetten, met als doel verbetering van interne processen, kostenreductie en verbetering van de zorg door de patiënt gezondere, betere en meer gevarieerde maaltijden te bieden. Het project leidt er onder meer toe dat de arbeid rondom de keuze, de inkoop, de bereiding en de distributie van maaltijden op een andere wijze wordt georganiseerd. Het project leidt er bovendien toe dat de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg wordt verhoogd, aldus de stichting.

6.1. Het collectief "Nieuw maaltijden productie- en distributiesysteem" is in hoofdzaak gericht op de verbetering van het domein maaltijdvoorziening. De minister heeft zijn standpunt, dat dit collectief niet in overwegende mate ziet op de versterking van het verlenen van patiëntgerichte zorg aan chronisch zieken of ouderen in een netwerk van zorgaanbieders ofwel van verhoging van de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg aan chronisch zieken of ouderen, afdoende gemotiveerd. De rechtbank heeft dan ook met juistheid overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat er een te ver verwijderd verband is met de daadwerkelijke zorg voor zieken of ouderen en dat dit collectief niet valt onder zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling.

Het betoog faalt.

"E-learning voor specifieke aspecten in ziekenhuizen en GGZ-instellingen"

7. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de subsidieaanvraag "E-learning voor specifieke aspecten in ziekenhuizen en GGZ-instellingen" (aanvraagnummer ZPCOIZ0200) terecht door de minister is afgewezen, omdat een voldoende duidelijke en directe focus op de directe zorgarbeid ontbreekt. De rechtbank heeft volgens de stichting niet onderkend dat behoefte bestaat aan effectieve scholingsoplossingen en dat deze bijdragen aan verhoging van de effectiviteit van de arbeid en daarmee onder zorginnovatie vallen.

7.1. De collectieve projecten die in de aanvraag "E-learning voor specifieke aspecten in ziekenhuizen en GGZ-instellingen" zijn opgenomen leiden er volgens de aanvraag toe dat medewerkers op ieder gewenst moment van de dag trainingen kunnen doorlopen en naslagwerken kunnen raadplegen. Daarbij worden zorginstellingen in staat gesteld op een eenvoudige wijze te monitoren of medewerkers nog op een acceptabel niveau zijn geschoold. Hieruit volgt volgens de stichting dat meer tijd beschikbaar blijft voor het verlenen van zorg aan ouderen en chronisch zieken. Daargelaten of het hier gaat om innovatie, is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat bij deze projecten een voldoende duidelijke en directe relatie met zorgarbeid ontbreekt. Daarbij heeft de minister terecht in aanmerking genomen dat niet de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg aan chronisch zieken of ouderen zelf wordt verhoogd. De collectieve projecten vallen dan ook niet onder zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling.

Het betoog faalt.

"Verbetering elektronische ondersteuning zorgleefplan"

8. De stichting betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het collectief "Verbetering elektronische ondersteuning zorgleefplan", dat onderdeel uitmaakt van de subsidieaanvraag onder nummer ZPCOIZ0300, onvoldoende direct verband heeft met de daadwerkelijke zorg voor chronisch zieken of ouderen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat dit collectief niet onder zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling valt. Verder heeft de rechtbank volgens de stichting ten onrechte geoordeeld dat het collectief vooral ziet op de voorbereiding van een ZIPC.

8.1. De minister heeft zich in het besluit van 17 maart 2011 op het standpunt gesteld dat de verbetering van de elektronische ondersteuning van het zorgleefplan niet valt onder zorginnovatie. Hierbij heeft de minister in aanmerking genomen dat met dit collectief is beoogd bestaande zorgplannen door toepassing van software nauwkeuriger en efficiënter uit te voeren. Voorts heeft de minister zich aan de hand van analyse van de kostenposten op het standpunt gesteld dat dit collectief niet is gericht op het verwerven en toepassen van nieuwe kennis voor innovatie en dat het hier niet gaat om een geval van marktfalen. Gezien het overwogene onder 3.1. is de minister terecht tot dit standpunt gekomen. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat dit collectief niet valt onder zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling. Gelet hierop behoeft de hogerberoepsgrond van de stichting dat onderdelen van dit collectief niet zien op de voorbereiding van een ZIPC geen bespreking.

Het betoog faalt.

"Procesoptimalisatie door inzet van ICT: capaciteitsplanning, cliëntagenda, WebECD"

9. De stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het collectief "Procesoptimalisatie door inzet van ICT: capaciteitsplanning, cliëntagenda, WebECD", dat onderdeel uitmaakt van de subsidieaanvraag onder nummer ZPCOIZ0400, zorginnovatie met zich brengt als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling. De rechtbank heeft volgens de stichting de doelen van het project onjuist geïnterpreteerd en het verband met de directe zorg voor zieken of ouderen miskend.

9.1. Ter zitting heeft de stichting desgevraagd toegelicht dat het doel van dit collectief is verschillende partners uit de zorgketen bij elkaar te brengen, zodat kan worden bezien op welke wijze ICT kan bijdragen aan een efficiëntere capaciteitsplanning en het beheer van de cliëntagenda. Hoewel niet valt uit te sluiten dat de verbetering van capaciteitsplanning en agendabeheer eraan bijdraagt dat efficiënter zorg kan worden verleend aan ouderen en chronisch zieken, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat het met elkaar in contact brengen van verschillende partners uit de zorgketen onvoldoende verband houdt met de directe zorg voor ouderen en chronisch zieken. Hierbij heeft de minister terecht van belang geacht dat dit collectief meer als "planningstool" en als versterking van de interne bedrijfsvoering kan worden aangemerkt. Met de rechtbank is de Afdeling dan ook van oordeel dat de minister zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat dit collectief niet valt onder zorginnovatie als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van de Regeling.

Het betoog faalt.

"Belevingsgerichte zorg Zeeland"

10. De stichting betoogt dat de rechtbank over het collectief "Belevingsgerichte zorg Zeeland", dat onderdeel uitmaakt van de subsidieaanvraag onder nummer ZPCOIZ0400, ten onrechte heeft geoordeeld dat dit vooral voorbereidende activiteiten betreft. De rechtbank heeft hierbij volgens de stichting ten onrechte overwogen dat geen sprake is van een plan dat klaar is voor uitvoerende activiteiten.

10.1. Uit de aanvraag blijkt dat de stichting met het collectief "Belevingsgerichte zorg Zeeland" voornemens is te onderzoeken welke zorg het best past bij bepaalde typen patiënten. In de aanvraag is het bij dit collectief behorende innovatieplan toegelicht. Volgens deze toelichting begint het project met een "project start up", waarin "de rollen worden verdeeld en definitieve afspraken [worden] gemaakt". Daarna volgt een "definitiestudie belevingsgerichte zorg", tijdens welke studie "er op diverse vlakken onderzoek gedaan [zal] worden om met elkaar op een lijn te komen met betrekking tot belevingsgerichte zorg". Hierna wordt, in de fase "ontwikkelen implementatiemethodiek", "een methodiek voor de implementatie van de generieke delen" ontwikkeld. Vervolgens wordt "de methodiek uitgetest en getoetst op haalbaarheid", waarna "eventuele onderdelen [worden] aangepast]". Ten slotte "zullen de generieke elementen bij de deelnemende partijen worden geïmplementeerd". Gelet hierop heeft de minister zich in het besluit van 17 maart 2011 terecht op het standpunt gesteld dat dit collectief overwegend ziet op de voorbereiding. De Afdeling is dan ook met de rechtbank van oordeel dat de minister zich met juistheid op het standpunt heeft gesteld dat dit collectief gezien artikel 17 van de Regeling niet voor subsidie in aanmerking komt.

Het betoog faalt.

Uitleg begrip investeringen in bedrijfsmiddelen

11. De stichting betoogt ten slotte dat de minister voor de uitleg van het begrip investeringen in bedrijfsmiddelen als bedoeld in artikel 18, derde lid, van de Regeling ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij de uitleg die in fiscale jurisprudentie aan dat begrip wordt gegeven. Volgens de stichting heeft de minister uit het oog verloren dat bij de ontwikkeling van ICT-faciliteiten als hier aan de orde aantoonbaar risico’s worden genomen, zodat het hier niet gaat om investeringen in bedrijfsmiddelen.

11.1. Ingevolge artikel 18, derde lid, van de Regeling komen kosten in verband met investeringen in bedrijfsmiddelen niet voor subsidie in aanmerking. Het begrip investeringen in bedrijfsmiddelen wordt in de Regeling noch in de toelichting hierbij gedefinieerd of uitgelegd. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat dit begrip dient te worden uitgelegd zoals dat in het normale economische verkeer wordt gedaan. Volgens de minister gaat het bij bedrijfsmiddelen om alle producten en productiemiddelen die worden aangeschaft met het oog op de bedrijfsvoering. Investeringen in de bedrijfsmiddelen zien dan ook op de aanschaf of vervanging van deze bedrijfsmiddelen. Daarbij maakt het volgens de minister niet uit of het gaat om de aanschaf van bedrijfsmiddelen die identiek zijn aan producten of productiemiddelen die al in het bedrijf worden gebruikt of om de aanschaf van nieuwe ICT-faciliteiten in het kader van verdergaande automatisering. Het risico dat een ondernemer hierbij loopt behoort volgens de minister tot het normale ondernemersrisico en brengt niet mee dat deze investeringen niet onder bedrijfsinvesteringen kunnen vallen. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de uitleg die de minister geeft aan investeringen in bedrijfsmiddelen onjuist is. Terecht heeft de minister zich hierbij op het standpunt gesteld dat de tekst noch de toelichting van de Regeling met zich brengt dat voor deze uitleg aansluiting moet worden gezocht bij fiscale jurisprudentie.

Het betoog faalt.

Eindoordeel

12. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit van de minister van 17 maart 2011 in stand heeft gelaten ten aanzien van de weigering van de minister voor het collectief "Betere software voor betere informatie" subsidie te verlenen. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister van 17 maart 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking, voor zover de minister heeft geweigerd subsidie te verlenen voor het collectief "Betere software voor betere informatie". De minister dient een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

13. De minister zal op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 juli 2012 in zaak nr. 11/1314, voor zover de rechtbank het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2011 in stand heeft gelaten ten aanzien van de weigering van de minister voor het collectief "Betere software voor betere informatie" subsidie te verlenen;

III. verklaart het door de Stichting Innovatieprojecten OIZ tegen het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2011 ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 17 maart 2011, voor zover daarbij is geweigerd subsidie te verlenen voor het collectief "Betere software voor betere informatie";

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. veroordeelt de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport tot vergoeding van bij de Stichting Innovatieprojecten OIZ in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.748,00 (zegge: zeventienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport aan de Stichting Innovatieprojecten OIZ het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 768,00 (zegge: zevenhonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Bindels

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

85-735.