Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2912

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201203713/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Leende-Leenderstrijp" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203713/1/R3.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Hamont-Achel (België),

2. [appellante sub 2], gevestigd te Leende, gemeente Heeze-Leende,

3. [appellante sub 3], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ameldo B.V., gevestigd te Dongen,

5. [appellant sub 5], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende, en anderen,

6. [appellante sub 6], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

7. [appellant sub 7], wonend te Leende, en anderen,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Villa Leende B.V., gevestigd te Eindhoven,

9. [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant sub 9]), wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

10. [appellant sub 10], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

11. [appellant sub 11], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

12. [appellant sub 12], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

13. [appellant sub 13], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

14. [appellant sub 14], wonend te Leende, gemeente Heeze-Leende,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Heeze-Leende,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Kom Leende-Leenderstrijp" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellante sub 3], Ameldo B.V., [appellant sub 5] en anderen, [appellante sub 6], [appellant sub 7] en anderen, Hotel Villa Leende B.V., [appellant sub 9], [appellant sub 10], [appellant sub 11], [appellant sub 12], [appellant sub 13] en [appellant sub 14] beroep ingesteld.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B], [belanghebbende C], [belanghebbende D], Bamyam Grillroom Pizzeria, [belanghebbende E] en de vereniging Sint Jan Coöperatieve Verbruiksvereniging UA zijn als belanghebbenden tot het geding toegelaten.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Een aantal partijen heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2013, waar het merendeel van de partijen en belanghebbenden in persoon, een aantal bijgestaan door een raadsman, is verschenen of zich heeft doen vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep van [appellant sub 11]

2. [appellant sub 11] betoogt dat de raad ten onrechte zijn zienswijze over de maximaal toegestane bouwhoogte van bijgebouwen in relatie tot de maximaal toegestane bouwhoogte van hoofdgebouwen in het bungalowpark niet inhoudelijk heeft behandeld.

2.1. In de nota van zienswijzen wordt voor de beantwoording van de door [appellant sub 11] ingediende zienswijze verwezen naar de beantwoording van de door een andere reclamant ingediende en nagenoeg gelijkluidende zienswijze dat de bebouwingsvoorschriften uit het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende" ten onrechte niet zijn overgenomen. [appellant sub 11] heeft in aanvulling op deze nagenoeg gelijkluidende zienswijze aangevoerd dat de bouwhoogte van bijgebouwen beperkt moet blijven ten opzichte van de bouwhoogte van hoofdgebouwen.

Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft of verwijst naar de beantwoording van andere, vergelijkbare, zienswijzen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

3. [appellant sub 11] betoogt dat artikel 20, lid 20.2, onder 20.2.3, aanhef en onder d en i, van de planregels ten onrechte is vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat op de omliggende percelen in het bungalowpark naast een hoofdgebouw met een bouwhoogte van 3 m een bijgebouw met een bouwhoogte van 5,5 m en met een bebouwingsoppervlakte van in ieder geval 50 m² is toegestaan, terwijl de maximale bouwhoogte in alle gevallen beperkt zou moeten blijven tot 2/3 van de maximale bouwhoogte van het hoofdgebouw en het maximale bebouwingsoppervlakte van bijgebouwen bij percelen met een kleinere omvang dan 5.000 m², in aansluiting op het vorige plan, gedifferentieerd zou moeten worden, gelet op het behoud van de visuele ondergeschiktheid van bijgebouwen aan hoofdgebouwen. Het besluit is volgens [appellant sub 11] in zoverre in strijd met het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende" en het motiveringsbeginsel vastgesteld.

3.1. De raad betoogt dat bij amendement "Bungalowpark" in afwijking van het voorstel van het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) met het oog op de bijzondere stedenbouwkundige karakteristiek van het bungalowpark is besloten om voor bijgebouwen een maximale goot- en bouwhoogte van 3 m onderscheidenlijk 4 m en een maximale bebouwingsoppervlakte van 50 m² bij percelen met een omvang tot 5.000 m² en 100 m² bij percelen met een omvang van meer dan 5.000 m² toe te staan. Dat het bijgebouw in incidentele gevallen hoger is dan het hoofdgebouw, tast volgens de raad de ruimtelijke kwaliteit in het bungalowpark niet onevenredig aan.

3.2. Ingevolge artikel 20, lid 20.2, onder 20.2.2, aanhef en onder d, van de planregels, mogen hoofdgebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak worden opgericht.

Ingevolge het bepaalde onder f mag de maximale goot- en bouwhoogte van hoofdgebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte".

Ingevolge het bepaalde onder 20.2.3, onder d, mag de goot- en bouwhoogte van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 1" niet meer dan 3 m onderscheidenlijk 4 m bedragen.

Ingevolge het bepaalde onder i mag de totale oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken voor zover gelegen buiten het bouwvlak per woning ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 1" niet meer bedragen dan 50 m² bij een perceelsgrootte tot 5.000 m² en 100 m² bij een perceelsgrootte vanaf 5.000 m².

Ingevolge lid 20.7, onder 20.7.1, kan het college van burgemeester en wethouders de bestemming "Wonen" wijzigen in die zin dat ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 1" de toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen wordt verruimd tot 2/3 van de vergunde hoogte van het hoofdgebouw, mits:

a. er sprake is van een hoofdgebouw met twee of meer bouwlagen;

b. er een voldoende ruime afstand tot belendende percelen aanwezig is.

3.3. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende", is het college van burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de bepalingen van het plan voor het afwijken van de in het plan voorgeschreven maatvoering met ten hoogste 10%.

Ingevolge artikel 11, lid 11.2, onder 1, van het vorige plan gelden, indien en voor zover op de voor "Woondoeleinden" bestemde gronden woningen worden gebouwd, daarvoor en voor de daarbij behorende bouwwerken de volgende eisen:

(…);

c. woningen met hellende daken: de maximale bouwhoogte bedraagt ten hoogste 7,5 m. De maximale goothoogte bedraagt 5 m.

woningen met platte daken: de helft van de oppervlakte van het hoofdgebouw mag in twee lagen gebouwd worden. De maximale goothoogte bedraagt 5,5 m.

Ingevolge artikel 15, lid 15.2, onder 15.2.1, van het vorige plan gelden, indien en voor zover op de voor "Tuinen-II" bestemde gronden bijgebouwen worden gebouwd, de volgende eisen:

(…);

c. de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen bedraagt per woning

ten hoogste 20 m² bij een perceelsoppervlakte tot 2.000 m²;

ten hoogste 30 m² bij een perceelsoppervlakte tot 3.000 m²;

et cetera tot een maximum van 100 m² bij een perceelsoppervlakte van meer dan 9.000 m²;

d. de goothoogte van bijgebouwen bedraagt ten hoogste 2,5 m; de totale hoogte bedraagt ten hoogste 3,5 m;

(…).

3.4. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Het betoog van [appellant sub 11] dat in het bungalowpark bijgebouwen met een bouwhoogte van 5,5 m, rekening houdend met een volgens [appellant sub 11] in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheid, zijn toegestaan, mist feitelijke grondslag. Ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 1" zijn bijgebouwen met een maximale goot- en bouwhoogte van 3 m onderscheidenlijk 4 m toegestaan. Zoals de raad ter zitting heeft toegelicht, is deze maatvoering voor bijgebouwen ten opzichte van het vorige plan beperkt verruimd vanwege de technische eisen die aan bijgebouwen worden gesteld. Anders dan in het vorige plan is geen afwijkingsbevoegdheid van 10% voor de maatvoering, maar een wijzigingsbevoegdheid ten behoeve van de toegestane bouwhoogte voor bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - bijgebouwen 1" opgenomen. De maximale bouwhoogte van bijgebouwen kan met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid slechts worden verruimd tot 2/3 van de vergunde bouwhoogte van het hoofdgebouw indien het hoofdgebouw uit twee of meer bouwlagen bestaat. Blijkens het amendement heeft de raad de oppervlaktenormen voor bijgebouwen beoogd te vereenvoudigen ten opzichte van het vorige plan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat een meer gedetailleerde invulling wat betreft de oppervlaktenormen voor bijgebouwen in het plan opgenomen had moeten worden.

Gelet op het voorgaande heeft de raad met het oog op het behoud van de ruimtelijke kwaliteit in het bungalowpark en de ruime opzet daarvan in redelijkheid voornoemde planregeling kunnen vaststellen. Dat het hoofdgebouw niet in alle gevallen lager is en niet lager hoeft te zijn dan het bijgebouw - hetgeen volgens de raad overigens slechts incidenteel het geval is - leidt niet tot een ander oordeel.

Het betoog faalt.

4. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 11] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 13]

6. [appellant sub 13] betoogt dat voor het perceel [locatie 1] naar aanleiding van een amendement en anders dan in het ontwerpplan ten onrechte wat betreft bijgebouwen aansluiting is gezocht bij de bebouwingsvoorschriften in het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende", zij het met een zeer beperkte verruiming. In de nota van zienswijzen staat volgens [appellant sub 13] dat het college geen aanleiding heeft gezien om de regels uit het vorige plan te handhaven en dat de in het ontwerpplan opgenomen regeling vanuit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. De in het ontwerpplan opgenomen verruimde bebouwingsregeling brengt voorts geen wezenlijke verandering mee in de ruimtelijke structuur. Het plan is volgens [appellant sub 13] in zoverre in strijd met het motiveringsbeginsel en volstrekt willekeurig vastgesteld.

6.1. Voor het standpunt van de raad over de bebouwingsregeling voor bijgebouwen wordt verwezen naar 3.1. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de in het ontwerpplan bij recht maximaal toegestane bouwhoogte van 5 m voor bijgebouwen niet wenselijk is, nu dit het evenwicht tussen hoofd- en bijgebouwen te veel uit balans brengt.

6.2. Bij amendement "Bungalowpark" is besloten dat het bungalowpark zijn eigen stedenbouwkundige karakteristiek in grote lijnen dient te behouden. Volgens de plantoelichting bestaat het bungalowpark uit vrijstaande bungalows in een bosachtige omgeving. Omdat de raad de in het ontwerpplan opgenomen ruimere planregeling voor bijgebouwen, gelet op het behoud van het evenwicht tussen hoofd- en bijgebouwen, niet wenselijk acht, heeft de raad in zoverre aansluiting gezocht bij de bebouwingsvoorschriften in het vorige plan, zij het met enige verruiming. Gelet op deze ruimtelijke onderbouwing ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat aan de voornoemde wijziging bij de planvaststelling geen deugdelijke motivering ten grondslag is gelegd. Dat over het bestaande bijgebouw met een goot- en bouwhoogte van ongeveer 3 m onderscheidenlijk 4,2 m op het perceel [locatie 1] ten tijde van het bestreden besluit nog een ontheffingsprocedure aanhangig was, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad op dat moment een uitzondering op voornoemde bijgebouwenregeling voor dat perceel had moeten opnemen. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad willekeurig heeft gehandeld. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat enkel op het ontwerpplan, gelet op het karakter daarvan, niet het vertrouwen kan worden gebaseerd dat het plan dienovereenkomstig zal worden vastgesteld. Het betoog faalt.

7. [appellant sub 13] betoogt dat artikel 20, lid 20.7, onder 20.7.1, van de planregels in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat de voorwaarde voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid dat er een voldoende ruime afstand tot belendende percelen aanwezig moet zijn, te onbepaald is.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat met de voornoemde voorwaarde wordt beoogd dat het bijgebouw niet in disharmonie komt met het hoofdgebouw en de bebouwing op naastgelegen percelen. Bij het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid is maatwerk vereist, nu de bebouwingssituaties in het bungalowpark onderling verschillen.

7.2. Voor een weergave van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 20, lid 20.7, onder 20.7.1, van de planregels wordt verwezen naar 3.2. Dat de voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voorwaarde, dat er een voldoende ruime afstand van het bijgebouw tot belendende percelen moet bestaan, niet nader in het plan is gedefinieerd, betekent niet dat het plan in zoverre in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Gelet op de onderlinge verschillen in het bungalowpark, is voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid per perceel maatwerk vereist. De Afdeling acht voldoende duidelijk dat met deze voorwaarde wordt beoogd dat bijgebouwen met een bouwhoogte tot 2/3 van het hoofdgebouw op een zodanige afstand van de bestaande bebouwing op de naastgelegen percelen dienen te worden gebouwd, dat de bestaande karakteristiek van het bungalowpark niet wordt aangetast. Het betoog faalt.

8. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 13] ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 13] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 10]

10. [appellant sub 10] betoogt dat het besluit, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het perceel nabij [locatie 2] te Leende, berust op een onevenredige belangenafweging. Hiertoe voert hij aan dat aan het perceel naar aanleiding van een amendement en anders dan in het ontwerpplan ten onrechte niet de bestemming "Wonen" en een bouwvlak is toegekend. De bouw van een woning maakt deel uit van de met het college in principe overeengekomen verplaatsing van zijn agrarische bedrijf van het perceel [locatie 2] naar het perceel [locatie 3] te Leende.

10.1. De raad betoogt dat bij amendement "Particuliere woningtoevoegingen en woningsplitsingen" in afwijking van het voorstel van het college is besloten dat een woning op het perceel nabij [locatie 2] niet wordt toegestaan, nu dit onvoldoende ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert en beslag legt op de beperkte ruimte in het Uitvoeringsprogramma woningbouw 2009-2020 (hierna: het Uitvoeringsprogramma woningbouw).

10.2. De Afdeling overweegt dat aan het ontwerpplan, gelet op het karakter daarvan, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat het plan dienovereenkomstig zal worden vastgesteld.

Niet in geschil is dat het opnemen in het ontwerpplan van een bouwvlak voor de bouw van een woning op het perceel nabij [locatie 2] verband houdt met een voorgenomen verplaatsing van het agrarische bedrijf van [appellant sub 10] van het perceel [locatie 2] naar het perceel [locatie 3]. Ter zitting is gebleken dat het agrarische bedrijf op het perceel [locatie 2] met de bestemming "Agrarisch-2" en een bouwvlak niet volledig is gesaneerd. Gelet hierop is het standpunt van de raad dat niet is voldaan aan de in het amendement opgenomen voorwaarde dat particuliere woningtoevoegingen tot kwaliteitsverbetering dienen te leiden, niet onredelijk. Voorts is in een brief van een beleidsmedewerker van 21 augustus 2008 een aantal mogelijkheden weergegeven om een woning nabij het perceel [locatie 2] te bouwen, uitdrukkelijk onder het voorbehoud dat, gelet op het Uitvoeringsprogramma woningbouw, alsnog een afweging gemaakt zou moeten worden. Tot die mogelijkheden behoorde onder andere een ruimte-voor-ruimtewoning, ten aanzien waarvan de raad onweersproken heeft gesteld dat betrokkenen niet van die mogelijkheid gebruik wilden maken. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de belangen van [appellant sub 10] onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken.

Het betoog faalt.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 10] ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 10] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 7] en anderen

13. [appellant sub 7] en anderen betogen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 4] te Leende naar aanleiding van een amendement en anders dan in het ontwerpplan ten onrechte niet voorziet in een bouwvlak. Het besluit om geen woning op hun perceel toe te staan, ondanks de principetoezegging van het college bij brief van 31 oktober 2006, dat werd voldaan aan de voorwaarden waaronder in het vorige plan medewerking kon worden verleend aan de bouw van een woning en de daartoe door Bureau Verkuylen opgestelde ruimtelijke onderbouwing van 21 juli 2011, is volgens hen onvoldoende en ondeugdelijk gemotiveerd.

Zo is ten onrechte geen toepassing gegeven aan de in het vorige plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Voorts is het perceel opgenomen in het Uitvoeringsprogramma woningbouw en is de redenering van de raad dat er maar beperkt ruimte voor woningbouw is, onjuist. [appellant sub 7] en anderen betogen in dat verband dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel wel 21 nieuwe woningen aan de Breedvennen en vier nieuwe woningen aan de Jan Baptistastraat, beide locaties te Leende, toestaat. Ook wordt door het niet toestaan van een woning op het perceel [locatie 4] afgeweken van het bebouwingspatroon, gelet op de afstand tussen de woningen op de naastgelegen percelen Eksterlaan 12 en 16. Voorts ligt de locatie weliswaar buiten de strakke contouren van de zogenoemde pilot "Bouwen binnen strakke contouren", maar in de Verordening ruimte Noord-Brabant 2011 (hierna: de Verordening 2011) is de locatie aangewezen als bestaand stedelijk gebied.

13.1. De raad betoogt dat bij amendement "Particuliere woningtoevoegingen en woningsplitsingen" in afwijking van het voorstel van het college is besloten dat een woning op het perceel [locatie 4] niet wordt toegestaan, nu dit onvoldoende ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert en een beslag legt op de beperkte ruimte in het Uitvoeringsprogramma woningbouw. Aan de Breedvennen zijn veertien sociale huurwoningen en zeven vrije sectorwoningen en aan de Sint Jan Baptistastraat zijn vier starterswoningen voorzien. Volgens de raad passen deze woningen in het Uitvoeringsprogramma woningbouw en het volkshuisvestingsbeleid en dienen de vrije sectorwoningen tevens ter financiering van de sociale huurwoningen.

13.2. Voor zover sprake is van een principetoezegging van het college van burgemeester en wethouders is van belang dat de raad niet is gebonden aan een dergelijke toezegging, maar dat de raad deze wel in zijn belangenafweging dient te betrekken. Voorts is van belang dat aan het ontwerpplan, gelet op het karakter daarvan, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat het plan dienovereenkomstig zal worden vastgesteld.

Het college heeft bij brief van 31 oktober 2006 verklaard dat in principe aan de in het vorige plan opgenomen voorwaarden voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid voor de bouw van een woning is voldaan. In deze brief is het voorbehoud gemaakt dat de mogelijkheid om, na afloop van de even genoemde pilot, medewerking te verlenen aan de bouw van een woning afhankelijk is van het aantal nieuwe woningen dat mag worden gebouwd en het gemeentelijke volkshuisvestingsbeleid.

Op het perceel [locatie 4] met de bestemming "Wonen" zonder bouwvlak is geen woning toegestaan. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 7] en anderen gewenste woning, waarvoor een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, door het college ruimtelijk aanvaardbaar is geacht. De raad heeft echter bij amendement besloten dat woningtoevoeging alleen is toegestaan indien dit voldoende ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert of daarmee een algemeen belang is gediend. Blijkens het gestelde door de raad is voor het bereiken van ruimtelijke kwaliteitswinst, gelijk aan de ruimtelijke kwaliteitsverbetering als bedoeld in de Verordening 2011, en voor het algemeen belang meer vereist dan ruimtelijke aanvaardbaarheid. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt niet dat de woning op het perceel [locatie 4] tot kwaliteitsverbetering leidt. Voorts zou, anders dan [appellant sub 7] en anderen stellen, de door hen gewenste woning op het perceel [locatie 4] slechts in het Uitvoeringsprogramma woningbouw worden opgenomen indien aan de in de brief van 31 oktober 2006 gestelde voorwaarden zou zijn voldaan. De woning is niet opgenomen in bijlage III bij het Uitvoeringsprogramma woningbouw, waardoor de raad de woning vanwege de beperkte ruimte in dat Uitvoeringsprogramma, gelet op het algemeen belang, niet wenselijk heeft geacht. Evenmin verplicht de Verordening 2011 de raad om binnen het in die verordening aangewezen bestaand stedelijk gebied woningbouw toe te staan.

Gelet op het voorgaande is het standpunt van de raad dat niet is voldaan aan de in het amendement opgenomen voorwaarde dat particuliere woningtoevoegingen tot kwaliteitsverbetering dienen te leiden of het algemeen belang dienen te waarborgen, niet onredelijk. Voor zover [appellant sub 7] en anderen zich richten tegen de in het amendement opgenomen overweging dat open plekken in de bebouwing de ruimtelijke kwaliteit kunnen versterken, wordt overwogen dat deze overweging niet aan het bestreden plandeel ten grondslag is gelegd, maar is bedoeld voor andere locaties.

Het betoog faalt.

13.3. De 21 nieuwe woningen aan de Breedvennen zijn in bijlage III bij het Uitvoeringsprogramma woningbouw opgenomen en de vier nieuwe starterswoningen aan de Sint Jan Baptistastraat acht de raad, gelet op het volkshuisvestingsbeleid, aanvaardbaar. Reeds hierom ziet de Afdeling ten aanzien van de door [appellant sub 7] en anderen gemaakte vergelijking met de door hen gewenste particuliere woning op hun perceel die niet in bijlage III bij het Uitvoeringsprogramma woningbouw is opgenomen en evenmin door de raad vanwege de beperkte ruimte in dat Uitvoeringsprogramma wenselijk wordt geacht, in tegenstelling tot de door hen genoemde voorbeelden, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

13.4. Voor zover [appellant sub 7] en anderen betogen dat het college ten onrechte voor hun perceel geen toepassing heeft gegeven aan de in het vorige plan opgenomen wijzigingsbevoegdheid, wordt overwogen dat dit niet in deze procedure ter beoordeling voorligt en geen bespreking behoeft.

14. [appellant sub 7] en anderen betogen dat het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 4] in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Hiertoe voeren zij aan dat het plan niet overeenkomt met het raadsbesluit, nu de in het vorige plan opgenomen wijzigings- en vrijstellingsbevoegdheden niet zijn overgenomen, terwijl in het amendement "Particuliere woningtoevoegingen en woningsplitsingen" staat dat de bestemming voor het perceel [locatie 4] in overeenstemming dient te worden gebracht met de vigerende bestemmingen.

14.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet is beoogd de volledige bestemmingsplanregeling uit het vorige plan van kracht te laten zijn.

14.2. In het amendement "Particuliere woningtoevoegingen en woningsplitsingen" staat dat de bestemming op het perceel [locatie 4] in overeenstemming dient te worden gebracht met de vigerende bestemmingen. In het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende" had het perceel [locatie 4] de bestemmingen "Tuinen-I" en "Tuinen-II". In de huidige plansystematiek komen deze bestemmingen niet langer voor. Dat een woonbestemming zonder bouwvlak het meest aansluit bij een tuinbestemming, acht de Afdeling in dit geval, gelet op de omschrijvingen van de bestemmingen, niet onjuist. Uit het amendement kan voorts niet worden afgeleid dat is beoogd om alle planvoorschriften uit het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende" die op het perceel van toepassing waren integraal in het plan over te nemen. Gelet op het voorgaande is het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 4] niet in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. Het betoog faalt.

15. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 7] en anderen ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 7] en anderen geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 1]

17. [appellant sub 1] betoogt dat het plandeel met de bestemming "Wonen" op het perceel [locatie 5] te Leende naar aanleiding van een amendement en anders dan in het ontwerpplan ten onrechte niet voorziet in woningsplitsing. Hiertoe voert hij aan dat de raad zonder motivering afwijkt van de principetoezegging van het college van burgemeester en wethouders voor woningsplitsing en de daartoe door het adviesbureau Croonen Adviseurs B.V. opgestelde en door het college goedgekeurde ruimtelijke onderbouwing van 18 augustus 2011. Eveneens wijkt de raad zonder motivering af van de ruimere voorschriften in de vorige bestemmingsplannen in de gemeente.

[appellant sub 1] voert verder aan dat het aan het besluit ten grondslag gelegde amendement "Particuliere woningtoevoegingen en woningsplitsingen" op een ondeugdelijke motivering berust. Zo is volgens hem onduidelijk waarom woningsplitsing slechts voor monumentale panden is toegestaan indien splitsing nodig is voor behoud van die panden. In dit verband voert hij aan dat uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat zijn pand als gevolg van woningsplitsing niet aan de buitenkant verandert en de bestaande landelijke uitstraling behoudt, zodat de woningsplitsing ruimtelijk aanvaardbaar is. Voorts is woningsplitsing op zijn perceel niet in strijd met het Uitvoeringsprogramma woningbouw, is het perceel in de Verordening 2011 aangewezen als bestaand stedelijk gebied en heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant ter zake geen zienswijze ingediend. Ook overigens berust het amendement volgens hem op een aantal onduidelijke en niet ruimtelijk relevante overwegingen.

[appellant sub 1] betoogt voorts dat in strijd met het gelijkheidsbeginsel wel woningsplitsingen op de percelen Strijperstraat 31 te Leende en Beukenlaan 28 te Sterksel zijn toegestaan. Voorts wordt voor de in het plan voorziene nieuwe woningen aan de Breedvennen en aan de Sint Jan Baptistastraat niet, net zoals voor particuliere woningen, de eis van ruimtelijke kwaliteitswinst gesteld.

Als gevolg van de door het college gedane principetoezegging heeft [appellant sub 1] kosten gemaakt voor het opstellen van de ruimtelijke onderbouwing. Ten onrechte is de raad voorbijgegaan aan de compensatie van deze kosten.

17.1. De raad betoogt dat bij amendement "Particuliere woningtoevoegingen en woningsplitsingen" in afwijking van het voorstel van het college is besloten dat woningsplitsing op het perceel [locatie 5] niet wordt toegestaan, nu dit onvoldoende ruimtelijke kwaliteitswinst oplevert en beslag legt op de beperkte ruimte in het Uitvoeringsprogramma woningbouw. De in de ruimtelijke onderbouwing voor de woningsplitsing op het perceel [locatie 5] aangetoonde ruimtelijke aanvaardbaarheid is volgens de raad niet voldoende voor het behalen van ruimtelijke kwaliteitswinst. Voorts wenst de raad alleen woningsplitsing toe te staan als het monumentale panden betreft. De door [appellant sub 1] genoemde woningsplitsingen op de percelen Strijperstraat en Beukenlaan zijn middels een reeds door het college verleende vrijstelling onderscheidenlijk ontheffing toegestaan.

17.2. Voor zover [appellant sub 1] betoogt dat zonder motivering wordt afgeweken van ruimere planvoorschriften in vorige bestemmingsplannen, wordt overwogen dat - wat hier ook van zij - in het vorige ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leenderstrijp" evenmin twee woningen op het perceel [locatie 5] waren toegestaan. Voorts kan de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en planregels voor gronden vaststellen. Het betoog faalt.

17.3. Met betrekking tot het betoog dat het college een principetoezegging heeft gedaan, is van belang dat de raad niet is gebonden aan een dergelijke toezegging, maar dat de raad deze wel in zijn belangenafweging dient te betrekken. Voorts is van belang dat aan het ontwerpplan, gelet op het karakter daarvan, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kan worden ontleend dat het plan dienovereenkomstig zal worden vastgesteld.

Het college heeft bij brief van 14 november 2006 verklaard dat in principe medewerking kan worden verleend aan woningsplitsing, mits voldaan is aan een aantal voorwaarden. Zo is onder andere de voorwaarde gesteld dat aangetoond dient te worden dat het pand een waardevolle of monumentale boerderij is.

Op het perceel [locatie 5] met de bestemming "Wonen" is één woning binnen het bouwvlak toegestaan. Niet in geschil is dat de door [appellant sub 1] gewenste woningsplitsing, waarvoor een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld, door het college ruimtelijk aanvaardbaar is geacht. De raad heeft echter bij amendement overwogen dat woningsplitsing slechts is toegestaan als het monumentale panden betreft en de splitsing nodig is voor het behoud van die panden. Nu uit de ruimtelijke onderbouwing niet blijkt dat het pand op het perceel [locatie 5] een monumentaal pand is, hetgeen evenmin in geschil is, laat staan dat de woningsplitsing nodig is voor het behoud van dat monumentale pand, is het standpunt van de raad dat niet wordt voldaan aan de in het amendement gestelde voorwaarde voor woningsplitsing, niet onredelijk. Voorts zou de door [appellant sub 1] gewenste woningsplitsing op het perceel [locatie 5] slechts in het Uitvoeringsprogramma woningbouw worden opgenomen indien aan de in de brief van 14 november 2006 gestelde voorwaarden zou zijn voldaan. De woningsplitsing is niet opgenomen in bijlage III bij het Uitvoeringsprogramma woningbouw. Evenmin verplicht de Verordening 2011 de raad om binnen het in die verordening aangewezen bestaand stedelijk gebied woningbouw toe te staan. Dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant geen zienswijze heeft ingediend tegen de in het ontwerpplan opgenomen woningsplitsing is niet van belang. Voor zover [appellant sub 1] zich richt tegen de overige in het door de raad aanvaarde amendement opgenomen overwegingen, wordt overwogen dat deze overwegingen betrekking hebben op woningtoevoegingen, hetgeen thans niet aan de orde is.

Het betoog faalt.

17.4. De 21 nieuwe woningen aan de Breedvennen, die in bijlage III bij het Uitvoeringsprogramma woningbouw zijn opgenomen, en de vier nieuwe starterswoningen aan de Sint Jan Baptistastraat, die de raad, gelet op het volkshuisvestingsbeleid, aanvaardbaar acht, betreffen, anders dan de beoogde ontwikkeling op het perceel van [appellant sub 1], geen woningsplitsingen. Ten behoeve van de woningsplitsing op de percelen Strijperstraat en Beukenlaan was voorafgaand aan de vaststelling van het plan een vrijstelling onderscheidenlijk een ontheffing verleend. Reeds daarom ziet de Afdeling ten aanzien van de door [appellant sub 1] gemaakte vergelijking met de door hem gewenste particuliere woningsplitsing op zijn perceel waarvoor geen afzonderlijke planologische procedure is doorlopen, in tegenstelling tot de door hem genoemde voorbeelden van woningsplitsing, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Het betoog faalt.

17.5. Gelet op het voorgaande heeft de raad bij het besluit om geen woningsplitsing op het perceel [locatie 5] toe te staan geen doorslaggevend gewicht hoeven toekennen aan de kosten die [appellant sub 1] stelt ten behoeve van de splitsing te hebben gemaakt. Het betoog faalt.

18. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 1] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 5] en anderen

20. [appellant sub 5] en anderen betogen dat de raad aan het perceel Klooster ongenummerd te Leende ten onrechte de bestemming "Wonen" heeft toegekend. Zij vrezen dat de bouw van een woning ter plaatse de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden zal aantasten. Daarnaast worden de cultuurhistorische waarden ter plaatse van het perceel en het gebied er omheen volgens [appellant sub 5] en anderen onvoldoende beschermd in het plan, terwijl uit de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant blijkt dat het perceel en het gebied er omheen zijn aangewezen voor onder meer rijksmonumenten, historische stedenbouw, historische geografie, historisch groen met monumentale bomen en historische zichtrelaties. De raad is hier in de beantwoording van de zienswijze ten onrechte aan voorbij gegaan.

20.1. De raad stelt zich op het standpunt dat uit de ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van de voorziene woning blijkt dat de cultuurhistorische waarden niet worden aangetast. Daarnaast heeft het perceel en het gebied er omheen niet de status van beschermd stads- of dorpsgezicht, zodat van aantasting in zoverre evenmin sprake is.

20.2. Het perceel Klooster ongenummerd en de percelen er omheen hebben de bestemming "Wonen" en de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie". Aan het perceel is een bouwvlak toegekend.

20.3. Bij het onderzoek naar de aanwezige cultuurhistorische waarden is blijkens pagina 46 van de plantoelichting gebruik gemaakt van de Cultuurhistorische Waardenkaart (hierna: CHW) van de provincie Noord-Brabant. Uit de CHW volgt dat het perceel Klooster ongenummerd en het gebied er omheen zijn aangewezen als cultuurhistorisch vlak. In de omgeving is historische stedenbouw en hoge historische geografie aanwezig. Daarnaast staan er een aantal monumenten en monumentale bomen. De raad heeft ter zitting toegelicht dat de monumenten in aanvulling op de Monumentenverordening in het plan worden beschermd doordat daaraan de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie" is toegekend. Daarnaast hebben monumentale bomen in aanvulling op het Groenbeleidsplan in het plan een groenbestemming gekregen. Voor de bescherming van cultuurhistorische vlakken en historische stedenbouw en geografie in het plan bestaat geen aanleiding, omdat het volgens de raad niet aannemelijk is dat deze cultuurhistorische waarden door de bouw van één woning dan wel door andere ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt, worden aangetast. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. Voor zover [appellant sub 5] en anderen betogen dat de doorkijk richting het perceel Klooster ongenummerd verdwijnt als gevolg van de voorziene woning ter plaatse, is de Afdeling van oordeel dat de bouw van één woning geen onaanvaardbare aantasting van de doorkijk met zich brengt, nu de doorkijk daardoor niet verdwijnt. Het betoog faalt.

21. [appellant sub 5] en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op hun zienswijze met betrekking tot de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de haag bij Zaalstraat 6 te Leende, waaraan zij de bestemming "Groen" toegekend wensen te zien. Ter plaatse van het zogenoemde Frankisch driehoekje aan het Klooster is wel de bestemming "Groen" toegekend.

21.1. In de nota van zienswijzen is de raad ingegaan op de zienswijze van [appellant sub 5] en anderen met betrekking tot de bescherming van de haag bij Zaalstraat 6. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Anders dan [appellant sub 5] en anderen stellen, zijn groenvoorzieningen, gelet op artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder c, van de planregels, toegestaan bij de bestemming "Verkeer". Over de door [appellant sub 5] en anderen gemaakte vergelijking met het Frankisch driehoekje aan het Klooster waaraan wel de bestemming "Groen" is toegekend, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat die situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat de bestemming "Groen", gelet op de situatie ter plaatse, passend is bij het Frankisch driehoekje aan het Klooster en dat het stuk grond bij de haag wordt gebruik als berm, zodat de bestemming "Verkeer" passend is. In hetgeen [appellant sub 5] en anderen hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellant sub 5] en anderen genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie.

Het betoog faalt.

21.2. [appellant sub 5] en anderen hebben zich voor het overige in hun beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant sub 5] en anderen hebben in hun beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit in zoverre onjuist zou zijn.

22. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] en anderen ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellant sub 5] en anderen geen aanleiding.

Het beroep van Ameldo B.V.

24. Ameldo B.V. betoogt dat de raad aan haar perceel, kadastraal bekend gemeente Leende, sectie A, nr. 4567, ten onrechte de bestemming "Verkeer" heeft toegekend. Volgens Ameldo B.V. is de verkeersbestemming niet uitvoerbaar, omdat het gebruik van het perceel als parkeerterrein samenhangt met de exploitatie van de naastgelegen winkel. Nu de huurovereenkomst voor de exploitatie van de winkel eindigt op 31 december 2012, zal het parkeerterrein vanaf dat moment niet meer als zodanig worden gebruikt. Ameldo B.V. voert verder aan dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet instemt met de gewenste woningbouw ter plaatse, terwijl op verschillende plaatsen in de omgeving wel woningen mogen worden gebouwd. Volgens Ameldo B.V. is het perceel geschikt voor woningbouw en zij verwijst daarbij naar een onderbouwing van 4 oktober 2011 van architectenbureau Van den Heuvel.

24.1. De raad stelt zich op het standpunt dat aan het perceel de bestemming "Verkeer" is toegekend vanwege het gebruik als parkeerplaats ten tijde van de vaststelling van het plan. Bij beëindiging van het gebruik kan met toepassing van een nieuwe juridische procedure worden beoordeeld welke bestemming het meest geschikt is. Een woonbestemming is volgens de raad niet mogelijk, vanwege het ontbreken van woningbouwcapaciteit.

24.2. Het perceel heeft de bestemming "Verkeer". Vast staat dat het perceel ten tijde van de vaststelling van het plan werd gebruikt als parkeerterrein ten behoeve van de naastgelegen winkel. De toen bestaande situatie is derhalve als zodanig bestemd, hetgeen in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening is.

Ameldo B.V. heeft ten tijde van de voorbereiding van het plan geen concrete plannen ingediend voor woningbouw die de raad bij zijn belangenafweging had kunnen en moeten betrekken. De onderbouwing van 4 oktober 2011 waaruit volgens Ameldo B.V. blijkt dat het perceel geschikt is voor woningbouw, is onvoldoende om als concreet plan te kunnen worden aangemerkt, nu deze onderbouwing slechts een schets van de gewenste woningbouw en redenen waarom woningbouw ter plaatse wenselijk zou zijn, bevat. Verder volgt uit het Uitvoeringsprogramma woningbouw dat er ongeveer 41 woningen per jaar kunnen worden gebouwd op verscheidene, daartoe aangewezen uitbreidingslocaties. Daarnaast wordt ruimte ingebouwd voor situaties die onvoorzien zijn en waar realisatie van woningen wenselijk is. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat woningbouw ter plaatse, gelet op de beperkte woningbouwcapaciteit, slechts aan de hand van een concreet plan, in relatie tot het Uitvoeringsprogramma woningbouw, kan worden afgewogen, niet onredelijk. Voorts bestaat er geen grond voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet instemt met woningbouw ter plaatse.

Over de door Ameldo B.V. gemaakte vergelijking met andere locaties in de omgeving waar wel woningbouw wordt mogelijk gemaakt, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat die situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie, omdat de voorgenomen woningbouw op die plaatsen hoort bij de provinciale pilot "bouwen binnen strakke contouren". In hetgeen Ameldo B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door Ameldo B.V. genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie. Omdat er voorts geen ander gebruik dan het huidige voor het perceel concreet is voorzien, was er geen aanleiding te onderzoeken welke bestemming passend zou zijn en heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Verkeer" kunnen toekennen.

Het betoog faalt.

24.3. Voor het oordeel dat de raad onvoldoende blijk heeft gegeven van een op de situatie toegesneden belangenafweging, bestaat evenmin aanleiding. Voor zover Ameldo B.V. verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2011 in zaak nr. 200904489/1/R1, wordt overwogen dat het in die zaak ging om een perceel waaraan de bestemming "Verkeer - Verblijf" en de aanduiding "parkeerterrein" was toegekend, terwijl niet aannemelijk was dat het parkeerterrein op korte termijn zou worden aangelegd, omdat ter plaatse op legale wijze bebouwing was opgericht. Deze omstandigheid doet zich hier niet voor. Het betoog faalt.

25. Gelet op het voorgaande is het beroep van Ameldo B.V. ongegrond.

26. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van Ameldo B.V. geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 6]

27. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellante sub 6] wat betreft het bestreden plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "detailhandel" op het perceel [locatie 6], op de grond dat haar belang als verhuurder van winkelpanden in het centrum van Leende, gelegen op 1,5 km van het desbetreffende deel van het plangebied, niet rechtstreeks bij het besluit is betrokken.

27.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en sub a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

27.2. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007, in zaak nr. 200606317/1), is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is bij bestemmingsplannen slechts het geval indien de onderneming in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

[appellante sub 6] is eigenaar van winkelpanden aan de Dorpstraat, waar Aldi en Plus thans elk een supermarkt exploiteren en Piet Kerkhof ten tijde van het instellen van beroep een vrijetijdswinkel exploiteerde. [appellante sub 6] stelt dat zij belanghebbende is bij het plandeel, omdat zij als gevolg hiervan vreest voor leegstand van haar winkelpanden in het kernwinkelgebied. Gelet op de in het plan opgenomen detailhandelsmogelijkheden voor het perceel [locatie 6], ten behoeve waarvan het bruto-vloeroppervlak (hierna: bvo) met 2.500 m² in dezelfde branche en voor hetzelfde verzorgingsgebied als waarvoor de winkelpanden van [appellante sub 6] kunnen worden verhuurd, is verruimd ten opzichte van het vorige plan, acht de Afdeling niet uitgesloten dat [appellante sub 6] als eigenaar van de winkelpanden nadelige gevolgen kan ondervinden als gevolg van het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "detailhandel" op het perceel [locatie 6]. Gelet hierop bestaat geen aanleiding het beroep van [appellante sub 6] niet-ontvankelijk te verklaren.

28. [appellante sub 6] betoogt dat het plan niet op de juiste wijze tot stand is gekomen. Hiertoe voert zij aan dat de nota van zienswijzen vanwege een geanonimiseerde versie hiervan niet leesbaar is en haar zienswijze ten onrechte hierin samengevat is weergegeven, waardoor de raad geen kennis heeft kunnen nemen van de integrale zienswijze. Voorts heeft er vermoedelijk besloten overleg plaatsgevonden met de raadsleden over haar voorstel.

28.1. De Awb noch enig ander wettelijk voorschrift staat in de weg aan het anonimiseren van een zienswijzennota.

Blijkens het bestreden besluit lagen de zienswijzen integraal voor de raad ter inzage en heeft de raad daarvan kennis kunnen nemen. Voorts verzet artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, geeft op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Voorts heeft [appellante sub 6] niet aannemelijk gemaakt dat de besluitvorming niet zorgvuldig is verlopen.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan de in de Awb en Wro vervatte procedurele eisen is voldaan. Het betoog faalt.

29. [appellante sub 6] betoogt dat het Centrumplan ten onrechte niet in het bestemmingsplan is opgenomen.

29.1. De raad stelt zich op het standpunt dat voor het Centrumplan een afzonderlijke planologische procedure zal worden doorlopen.

29.2. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In de door [appellante sub 6] niet nader onderbouwde stelling omtrent de planbegrenzing ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat tussen de gronden in het Centrumplan en de omliggende gronden in het plangebied een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog faalt.

30. [appellante sub 6] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in ruime detailhandelsmogelijkheden buiten het kernwinkelgebied zonder dat hieraan een distributie-planologisch onderzoek (hierna: dpo) of enig ander onderzoek ten grondslag ligt. Pas op basis van een dergelijk onderzoek kan volgens haar worden vastgesteld of het verantwoord is om in het te ruim aangewezen centrumgebied detailhandel toe te staan. Voorts zijn de overlevingskansen van detaillisten in een compact kernwinkelgebied op termijn groter dan wanneer de detailhandel verspreid is, waardoor zij vreest voor leegstand. Gelet op het voorgaande leiden de binnen de plandelen met de bestemming "Centrum" op de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers) en met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "detailhandel" op het perceel [locatie 6] verruimde detailhandelsmogelijkheden volgens haar tot duurzame ontwrichting van de voorzieningenstructuur in de kernen Heeze en Leende. Zodra de detailhandelsactiviteiten buiten het kernwinkelgebied worden beëindigd, wenst [appellante sub 6] een woonbestemming op die locaties.

30.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het gebied waaraan de bestemming "Centrum" is toegekend ruim is gehouden zodat een verspreid winkelgebied ontstaat met een gemengd karakter van wonen, winkels, horeca en kleinschalige bedrijvigheid.

30.2. Ingevolge artikel 6, lid 6.1, van de planregels, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bedrijven die zijn genoemd in de bedrijvenlijst onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 1 "Bedrijvenlijst" behorende bij deze regels, met uitzondering van bedrijven beginnend met de SBI-code 47 uit de "Bedrijvenlijst";

(…);

c. detailhandel in de branches meubelen, woning- en tuininrichting, vrije tijd en volumineuze detailhandel, exclusief verkoop van auto’s, boten en caravans, wit- en bruingoed, fietsen, bromfietsen en motoren, huisdieren en dierbenodigdheden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "detailhandel".

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.1, onder d, mag het bebouwingspercentage van het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" niet meer dan 60 en de gezamenlijke oppervlakte van detailhandel niet meer dan 5.800 m² bruto vloeroppervlakte bedragen.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1, zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bestaande woningen;

b. bedrijven die zijn genoemd in de bedrijvenlijst onder de categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 1 "Bedrijvenlijst" behorende bij deze regels;

c. detailhandel;

d. dienstverlening;

e. maatschappelijke voorzieningen;

f. kantoor

g. horeca 1 en 2

(…).

30.3. Aan het perceel [locatie 6] was in het vorige bestemmingsplan "Bedrijvenlocatie Langstraat, Leende" de bestemming "Bedrijfsdoeleinden" toegekend.

Ingevolge artikel 1, onder 37, van de voorschriften van dat plan, wordt onder vrijetijdsartikelen verstaan: consumentenartikelen ten behoeve van sport, toerisme en recreatie.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor:

a. lokaal gebonden bedrijven die behoren tot de categorieën 1 of 2, zoals genoemd in de bij dit plan gevoegde bedrijvenlijst;

b. detailhandel in de branches meubelen, woning- en tuininrichting;

(…).

Ingevolge lid 4.2, onder 4.2.1, onder b, mag het bebouwings-percentage van het bestemmingsvlak niet meer bedragen dan 60.

Ingevolge het bepaalde onder d mag de gezamenlijke oppervlakte van de detailhandel niet meer bedragen dan 3.300 m² bruto-vloeroppervlak.

Ingevolge lid 4.4 kan het college van burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van:

a. de vestiging van bedrijven die niet in de bedrijvenlijst zijn vermeld, maar die naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen zijn;

b. detailhandel in volumineuze goederen en vrijetijdsartikelen, mits:

- het een lokaal gebonden bedrijf betreft;

- uit onderzoek is gebleken dat het in redelijkheid niet mogelijk is de betreffende vestiging ruimtelijk binnen de vigerende bestemmingsplannen voor de kernen Heeze of Leende in te passen;

- distributieplanologisch onderzoek uitwijst dat er voldoende ruimte in de gemeente is.

30.4. Aan de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers) was in het vorige bestemmingsplan "Kom Leende" de bestemming "Dorpslint" toegekend.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, aanhef en onder c, van de voorschriften van dat plan, zijn de als "Dorpslint" aangewezen gronden bestemd voor detailhandelsbedrijven of winkels, voor zover aangeduid als "detailhandel".

Ingevolge lid 12.5, onder 12.5.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd een vrijstelling te verlenen van het bepaalde in lid 12.1 voor gebruik ten dienste van detailhandel van de niet als zodanig aangeduide percelen, onder de daarin genoemde voorwaarden.

30.5. De als "Centrum" aangewezen gronden zijn in aansluiting op de vorige ter plaatse geldende voorschriften niet alleen voor detailhandelsvestigingen, maar ook voor onder andere woningen, dienstverlening, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kantoor bestemd. Op grond van het vorige plan was op de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers) ook detailhandel bij recht, dan wel met toepassing van de binnenplanse vrijstellingsbevoegdheid, toegestaan. Gelet hierop zijn de detailhandelsmogelijkheden binnen de bestemming "Centrum" op de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers) niet of slechts beperkt verruimd ten opzichte van het vorige plan.

Aan de in het plan opgenomen verruimde detailhandels-mogelijkheden voor het perceel [locatie 6] ligt weliswaar geen dpo, maar wel een onderzoek, uitgevoerd door M&A Milieu Adviesbureau, ten grondslag, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Ruimtelijke onderbouwing bedrijvenlocatie [locatie 6], Leende" van 22 augustus 2011 (hierna: ruimtelijke onderbouwing). Aan de overige in het plan buiten het kernwinkelgebied toegestane detailhandel, waaronder het plandeel met de bestemming "Centrum" op de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers), ligt geen dpo of enig ander onderzoek ten grondslag.

30.6. Voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of sprake is van overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is het doorslaggevende criterium of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woonomgeving hun dagelijkse boodschappen en geregelde inkopen kunnen doen. Uit de ruimtelijke onderbouwing volgt dat de verruimde detailhandelsmogelijkheden op het perceel [locatie 6] naar verwachting geen negatieve effecten voor de gevestigde ondernemingen in de dorpskernen Heeze, Leende en Sterksel zullen hebben. Verder zijn in het plangebied, waaronder op de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers), de vestigingsmogelijkheden in de branche dagelijkse boodschappen en geregelde inkopen slechts beperkt toegenomen. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen aanleiding bestaat voor de verwachting dat een zodanig aantal winkels in de branche voor dagelijkse boodschappen en geregelde inkopen hun bedrijfsvoering zullen beëindigen dat de inwoners van Heeze en Leende niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woonomgeving hun dagelijkse boodschappen en geregelde inkopen kunnen doen. Gelet hierop heeft de raad zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij geen dpo of enig ander nader onderzoek naar de gevolgen van het plandeel met de bestemming "Centrum" op de percelen Dorpstraat 15 tot 41a (oneven nummers), dat voornamelijk conserverend van aard is, hoefde te verrichten en bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre diende te beperken tot bestaande rechten. Voor zover de bezwaren zijn ingegeven door concurrentievrees, wordt overwogen dat geen ruimte bestaat om in het kader van een goede ruimtelijke ordening terzake regulerend op te treden. Het betoog faalt.

30.7. Voor zover [appellante sub 6] voor het gebruik van de panden als detailhandel een zogenoemde uitsterfregeling wenst, heeft de raad hiertoe in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien. Het betoog faalt.

31. [appellante sub 6] betoogt dat voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "detailhandel" op het perceel [locatie 6] in strijd met het motiveringsbeginsel en het uitgangspunt van het handhaven van bestaande rechten verruimde detailhandelsmogelijkheden zijn opgenomen. Zo is ten opzichte van het vorige plan de doeleindenomschrijving verruimd met de branche vrije tijd en zijn ook niet-lokaal gebonden bedrijven toegestaan. Bovendien is de branche vrije tijd in strijd met de rechtszekerheid een rekbaar begrip, ontbreekt er in het plan een lijst van gevestigde bedrijven en is de term bedrijventerrein niet in overeenstemming met de feitelijke situatie, nu op het terrein overwegend detailhandel is gevestigd. [appellante sub 6] stelt voorts dat het besluit van 15 september 2008 tot verlening van een vrijstelling voor de vestiging van een skihandel op het perceel [locatie 6] is genomen zonder dat is voldaan aan de daartoe gestelde voorwaarden van het vorige plan en dat ten onrechte niet handhavend wordt opgetreden tegen het strijdige gebruik op het perceel [locatie 6].

31.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op het perceel [locatie 6] enige verruiming wordt geboden in gebruiksfuncties, mede omdat het centrum daarvoor onvoldoende ruimte biedt. Deze beperkte uitbreiding acht de raad, gelet op de grote omvang van het terrein, passend.

31.2. Voor een weergave van artikel 6 van de planregels wordt verwezen naar 30.2. Voor een weergave van artikel 4 van het vorige bestemmingsplan "Bedrijvenlocatie Langstraat, Leende" wordt verwezen naar 30.3.

31.3. De Afdeling overweegt dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen.

Ten opzichte van het vorige plan is het maximaal toegestane bvo voor detailhandel van 3.300 m² verruimd naar 5.800 m². In het vorige plan was detailhandel in vrijetijdsartikelen op het perceel [locatie 6] weliswaar niet bij recht, maar wel met toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid van artikel 4, lid 4.4, van de planvoorschriften onder een aantal voorwaarden toegestaan. Met toepassing van deze vrijstellingsbevoegdheid is op 15 september 2008 medewerking verleend voor de vestiging van een detailhandelsbedrijf in vrijetijdsartikelen. Voor zover [appellante sub 6] betoogt dat deze vrijstelling ten onrechte is verleend, dan wel dat de raad tegen afwijkend gebruik hiervan niet handhavend optreedt, wordt overwogen dat dit in het kader van deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde is.

In bijlage 6 bij de ruimtelijke onderbouwing zijn de huidige gebouwafmetingen en bedrijfsactiviteiten in een overzicht opgenomen. Er bestaat geen aanleiding om deze lijst van gevestigde bedrijven in de planregels op te nemen, omdat niet van belang is welke bedrijven ter plaatse gevestigd zijn, doch slechts welke activiteiten en in welke omvang ter plaatse worden toegestaan. Voorts is de door [appellante sub 6] gewenste planregeling dat alleen lokaal gebonden bedrijven zich ter plaatse mogen vestigen, slechts toegestaan als gronden uitdrukkelijk worden bestemd voor de verplaatsing van bepaalde bedrijven uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening teneinde knelpunten elders op te lossen. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit in zoverre niet voldoende is gemotiveerd.

Het betoog faalt.

31.4. Op het perceel [locatie 6] zijn naast detailhandelsvestigingen ook bedrijven in categorieën 1 en 2, zoals opgenomen in bijlage 1 "Bedrijvenlijst" behorende bij de planregels, met uitzondering van supermarkten toegestaan. Dat ter plaatse voornamelijk detailhandelsbedrijven zijn gevestigd, leidt niet tot het oordeel dat niet in overeenstemming met de feitelijke situatie aan het plandeel de bestemming "Bedrijven" en de aanduiding "detailhandel" is toegekend. Het betoog faalt.

31.5. De in artikel 6, lid 6.1, aanhef en onder c, van de planregels opgenomen branche vrije tijd is, anders dan in het vorige plan, niet nader gedefinieerd. Ter zitting heeft de raad verklaard dat voor de uitleg van de branche vrije tijd beoogd is aan te sluiten bij de begripsbepaling van vrijetijdsartikelen in het vorige plan. Deze begripsbepaling had op grond van het gewijzigde standpunt van de raad met het oog op de rechtszekerheid in het voorliggende plan opgenomen moeten worden. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid en het rechtszekerheidsbeginsel vastgesteld. Het betoog slaagt.

32. [appellante sub 6] betoogt dat binnen de bestemming "Centrum" op het perceel Dorpstraat 68a te lage maximale goot- en bouwhoogten zijn toegestaan. Het uitgangspunt van de raad om de bestaande situatie als zodanig te bestemmen wordt niet consequent toegepast. Bovendien is er in de omgeving ook gekozen voor de stedenbouwkundig verantwoorde maximale goot- en bouwhoogte van 7 m en 10 m. Gelet hierop is het plandeel volgens [appellante sub 6] in strijd met het gelijkheidsbeginsel vastgesteld.

32.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de in het plan opgenomen maximale goot- en bouwhoogten aansluiten op de bestaande situatie. Voor het meest oostelijke gedeelte van het perceel Dorpstraat 68a is echter per abuis een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m in plaats van 7 m onderscheidenlijk 10 m opgenomen. De raad acht de door [appellante sub 6] voorgestelde goot- en bouwhoogte voor de overige delen van het perceel stedenbouwkundig niet aanvaardbaar.

32.2. De Afdeling stelt vast dat aan het plandeel met de bestemming "Centrum" op het perceel Dorpstraat 68a gedeeltelijk een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m is toegestaan. De raad heeft erkend dat deze maatvoering voor het meest oostelijke gedeelte van het perceel Dorpstraat 68a abusievelijk is opgenomen. Gelet hierop is het bestreden besluit, voor zover het betreft het meest oostelijke gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrum" voor het perceel Dorpstraat 68a, waar een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m is toegestaan, in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

32.3. Voor zover [appellante sub 6] betoogt dat ook de overige voor het perceel Dorpstraat 68a opgenomen maximale goot- en bouwhoogten ten onrechte niet zijn verruimd ten opzichte van de bestaande situatie, is van belang dat de raad een verruiming met het oog op het behoud van de geleidelijke overgang naar de aangrenzende woonwijk stedenbouwkundig niet aanvaardbaar acht. Nu voor het aan het westelijke deel van het perceel Dorpstraat 68a grenzende plandeel met de bestemming "Wonen" een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m geldt, acht de Afdeling het standpunt van de raad dat de door [appellante sub 6] voorgestelde goot- en bouwhoogte van 7 m onderscheidenlijk 10 m voor het westelijke deel van het plandeel met de bestemming "Centrum" op het perceel Dorpstraat 68a niet aanvaardbaar is, niet onredelijk. In de enkele stelling van [appellante sub 6] dat in de omgeving ook is gekozen voor een hogere maatvoering, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Het betoog faalt.

33. Voor zover [appellante sub 6] betoogt dat in strijd met de rechtszekerheid geen wegprofielen in het plan zijn opgenomen, overweegt de Afdeling dat dit voor de wegen in dit gebied, waarvoor een maximale toegestane snelheid van 30 km per uur geldt, op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder in samenhang met artikel 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening niet is vereist. Voorts komt de raad beleidsvrijheid toe bij de mate van gedetailleerdheid van het plan. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat een meer gedetailleerde invulling in het plan diende te worden opgenomen. Gelet op het voorgaande bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met de rechtszekerheid. Het betoog faalt.

34. In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het ontbreken van een begripsbepaling van de branche vrije tijd als bedoeld in artikel 6, lid 6.1, onder c, van de planregels in strijd met de vereiste zorgvuldigheid en het rechtszekerheidsbeginsel is vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

In hetgeen [appellante sub 6] heeft aangevoerd ziet de Afdeling voorts aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het meest oostelijke gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrum" voor het perceel Dorpstraat 68a, waar een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m is toegestaan, in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande is het beroep voor het overige ongegrond.

34.1. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen in zoverre binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb te doorlopen.

35. De raad dient ten aanzien van het beroep van [appellante sub 6] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Het beroep van [appellant sub 14]

36. [appellant sub 14] betoogt dat voor zijn perceel [locatie 7] ten onrechte niet de aanduiding "A-2" binnen het bouwvlak is opgenomen, terwijl de raad hiertoe wel naar aanleiding van zijn zienswijze heeft besloten.

36.1. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de bij de bestemming "Agrarisch-2" behorende lettercode "A-2" voor het perceel [locatie 7], gelet op de systematiek van het plan, op de verbeelding opgenomen had moeten worden. Gelet hierop is het bestreden besluit in zoverre in strijd met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid. Het betoog slaagt.

37. In hetgeen [appellant sub 14] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het ontbreken op de verbeelding van de bij de bestemming "Agrarisch-2" behorende lettercode "A-2" voor het perceel [locatie 7], in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid is vastgesteld. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

37.1. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen in zoverre binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb te doorlopen.

38. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is ten aanzien van het beroep van [appellant sub 14] niet gebleken.

Het beroep van [appellante sub 2]

39. [appellante sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte haar zienswijze met betrekking tot de omvang van het bouwvlak voor het perceel Strijperstraat 14 te Leende niet inhoudelijk heeft behandeld.

39.1. In de beantwoording van de zienswijzen heeft de raad het verzoek van [appellante sub 2] om aan haar perceel een bouwvlak toe te kennen dat overeenkomt met de omvang van het hele bedrijfsperceel niet betrokken, terwijl zij dit wel in haar zienswijze naar voren heeft gebracht. Het bestreden besluit berust in zoverre niet op een deugdelijke motivering. De Afdeling ziet evenwel aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang. Daartoe wordt overwogen dat niet aannemelijk is dat [appellante sub 2] door deze schending in haar belangen is geschaad. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad in het verweerschrift alsnog inhoudelijk op het verzoek van [appellante sub 2] is ingegaan en zij de mogelijkheid heeft gehad om hierop te reageren. Het betoog faalt.

40. [appellante sub 2] betoogt dat de raad ten onrechte geen groter bouwvlak heeft toegekend aan het perceel Strijperstraat 14. Volgens [appellante sub 2] zou een bouwvlak moeten worden toegekend dat overeenkomt met de omvang van het hele bedrijfsperceel, omdat de toegestane bebouwing al wordt beperkt door artikel 6 van de planregels. Aan de nabijgelegen percelen Veestraat 4 en 10, Strijperstraat 34 en [locatie 8] en 4 is wel een bouwvlak toegekend dat overeenkomt met de omvang van de bedrijfspercelen.

40.1. De raad stelt zich op het standpunt dat door het toekennen van een bouwvlak aan het perceel Strijperstraat 14 dat de hele omvang van het bedrijfsperceel omvat, een verdubbeling van de bebouwing kan plaatsvinden. De raad acht een verdergaande verdichting ter plaatse niet wenselijk. Bovendien biedt de planregel voor de bestemming "Bedrijf" al een verruiming in functies ten opzichte van het voorheen geldende plan, zodat er volgens de raad geen aanleiding bestond om ook de bouwmogelijkheden te verruimen.

40.2. Aan het perceel zijn de bestemming "Bedrijf", de dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" en de functieaanduidingen "specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf" en "bedrijfswoning" toegekend. Het perceel heeft een omvang van 7.788 m². Aan de achterzijde van het perceel staat een loods die is voorzien van een bouwvlak van ongeveer 200 m². De bedrijfswoning en de overige bestaande bebouwing zijn voorzien van een bouwvlak van ongeveer 2.000 m².

Ingevolge artikel 1.12 wordt onder bebouwing verstaan: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Ingevolge artikel 1.28 wordt onder bouwperceel verstaan: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 1.30 wordt onder bouwvlak verstaan: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, aanhef, onder b en 5, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijvigheid in categorie 3, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - aannemersbedrijf" waar een aannemersbedrijf / betoncentrale / timmerbedrijf / groot- en detailhandel bouwmaterialen met opslag is toegestaan.

Ingevolge lid 6.2, onder 6.2.1, gelden de volgende bouwregels:

(…);

c. het bebouwingspercentage mag niet meer dan 70% van het bouwperceel bedragen met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "maximum oppervlakte" het aangeduide maximum aantal m² geldt, waarbij de bedrijfswoning wordt meegerekend in dit maximum aantal m²;

d. in afwijking van het bepaalde onder a tot en met c geldt ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" dat:

1. het bebouwingspercentage van het bouwvlak ter plaatse van de aanduiding "detailhandel" niet meer dan 60% mag bedragen;

(…).

Ingevolge dit lid, onder 6.2.2, gelden voor het bouwen van bedrijfsgebouwen in aanvulling op 6.2.1 de volgende regels:

a. bedrijfsgebouwen mogen uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden opgericht;

(…).

40.3. De Afdeling stelt vast dat onder bouwperceel in artikel 6, lid 6.2, onder 6.2.1, sub c, van de planregels de omvang van het perceel moet worden verstaan. De Afdeling stelt voorts vast dat het bouwperceel een oppervlakte heeft van 7.788 m². Op het bouwperceel mag derhalve 5.451 m² worden bebouwd met bedrijfsgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat bedrijfsgebouwen uitsluitend in het bouwvlak mogen worden gebouwd. De totale oppervlakte van beide bouwvlakken op het perceel bedraagt 2.052 m².

Vast staat dat de bestaande bedrijfsgebouwen op het perceel zijn opgenomen in een bouwvlak en als zodanig zijn bestemd. Niet is gebleken dat [appellante sub 2]. ten tijde van de vaststelling van het plan concrete bouwplannen had waarmee de raad rekening had dienen te houden. In de planregels wordt het maximaal toegestane bebouwingspercentage voor een bouwperceel weliswaar beperkt tot 70, maar in dit geval zou dat betekenen dat bij een bouwvlak zoals door [appellante sub 2]. gewenst, de oppervlakte van bedrijfsgebouwen kan worden verdubbeld. Gelet op het voorgaande, alsmede het standpunt van de raad dat een verdergaande verdichting niet wenselijk is, heeft de raad in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om aan het perceel een bouwvlak toe te kennen dat het hele bedrijfsperceel omvat.

Wat betreft de door [appellante sub 2] gemaakte vergelijking met andere percelen in de omgeving wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat de situatie van die percelen verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Het perceel Veestraat 4 is opgenomen in een ontwerpplan waarin het perceel een woonbestemming heeft en het bouwvlak om de woning is gelegd. De bestaande bebouwing op het perceel Veestraat 10 omvat ongeveer het bouwvlak, zodat een bouwvlak dat het gehele perceel omvat, noodzakelijk is. Het perceel Strijperstraat 34 is weliswaar volledig voorzien van een bouwvlak, maar daarvan mag slechts de helft worden bebouwd. Dat het perceel [locatie 8] in dit geval een groter bouwvlak toegekend heeft gekregen, kan er, anders dan op het perceel van [appellante sub 2], niet toe leiden dat de bestaande bebouwing in omvang wordt verdubbeld. Voor het perceel [locatie 9] geldt dat aan het bouwvlak een aanduiding is toegekend waardoor de maximaal toegestane bebouwing is beperkt tot 1.500 m². In hetgeen [appellante sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 2] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

41. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 2]. ongegrond.

42. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellante sub 2] geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 3]

43. [appellante sub 3] betoogt dat de raad aan het perceel [locatie 8] te Leende ten onrechte de bestemming "Bedrijf" en de functieaanduiding "specifieke vorm van bedrijf - bouwbedrijf" heeft toegekend. Zij voert aan dat er sinds ruim twaalf jaar geen bouwbedrijf meer is gevestigd. Volgens [appellante sub 3] zou aan het perceel een woonbestemming moeten worden toegekend, nu het huidige gebruik van het perceel behoort tot een aan huis verbonden beroep. [appellante sub 3] voert aan dat er teveel bouwmogelijkheden zijn door vergroting van de bouwhoogte. Zij wenst verder dat de bouwgrens ongeveer 20 m wordt verschoven naar achteren.

43.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de reeds bestaande situatie als zodanig is bestemd en aanvaardbaar is. Een woonbestemming op het perceel [locatie 8] is volgens de raad, gelet op de korte afstand tot het houtverwerkingsbedrijf op het naastgelegen perceel [locatie 9], niet mogelijk. Verplaatsing van dat bedrijf is financieel niet haalbaar, aldus de raad.

43.2. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat een woonbestemming voor het perceel [locatie 8] niet wenselijk is, vanwege de korte afstand tot het naastgelegen houtverwerkingsbedrijf, niet onredelijk. Gelet daarop en nu niet is gebleken dat er geen bedrijfsactiviteiten plaatsvinden op het perceel [locatie 8] heeft de raad in redelijkheid kunnen aansluiten bij de bestemming in het voorheen geldende plan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een woonbestemming voor het perceel [locatie 8] de bedrijfsvoering van het houtverwerkingsbedrijf op het perceel [locatie 9] zou belemmeren en ter plaatse van het perceel [locatie 8] geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat zou kunnen worden gegarandeerd. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat de raad in het aangevoerde aanleiding had moeten zien om aan het perceel [locatie 8] een woonbestemming toe te kennen. Het betoog faalt.

43.3. Voor het oordeel dat er teveel bouwmogelijkheden zijn door een vergroting van de bouwmogelijkheden op het perceel [locatie 8], bestaat geen aanleiding. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de maximaal toegelaten goot- en nokhoogte in het voorheen geldende plan onderscheidenlijk 3,5 m en 7 m bedroegen. In dit plan geldt een goot- en nokhoogte van onderscheidenlijk 4 m en 9 m. Een vergroting van deze omvang acht de Afdeling, gelet op de uniformiteit van het plan, niet onredelijk. Anders dan [appellante sub 3] veronderstelt, geldt de aanduiding voor een maximaal bebouwd oppervlak van 1.500 m² niet voor [locatie 8], maar voor het perceel [locatie 9]. Tegen dat perceel heeft zij, zo is ter zitting duidelijk geworden, geen beroep willen instellen.

Met betrekking tot het betoog over het verschuiven van de bouwgrens, heeft de raad ter zitting toegelicht dat dit niet mogelijk is, omdat hierdoor het bouwvlak naar achteren wordt geschoven en de bedrijfswoning buiten het bouwvlak komt te liggen. Dit standpunt is niet onredelijk.

Het betoog faalt.

44. [appellante sub 3] betoogt voorts dat in artikel 11, lid 11.6, onder 11.6.1, van de planregels ten onrechte een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen die het college de bevoegdheid geeft om aan het perceel Strijperstraat 51 te Leende de aanduiding "horeca" toe te kennen. Zij stelt dat horeca ter plaatse overlast zal veroorzaken van bezoekers en verkeersbewegingen en dat er hinder valt te verwachten van geparkeerde voertuigen. Volgens [appellante sub 3] heeft de raad de belangen van omwonenden niet zorgvuldig afgewogen. Verder voert zij aan dat de omgeving zal worden aangetast doordat een horeca ruimte gebouwd zal moeten worden. Daarnaast voorziet de reeds bestaande horeca op korte afstand van het perceel in de behoefte voor de kern Leenderstrijp.

44.1. Het perceel Strijperstraat 51 heeft de bestemming "Detailhandel" en de gebiedsaanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied".

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de voor "Detailhandel" aangewezen gronden bestemd voor detailhandel.

Ingevolge lid 11.2, onder 11.2.1, gelden voor het bouwen van gebouwen de volgende regels:

a. een gebouw mag uitsluitend binnen het aangegeven bouwvlak worden gebouwd;

b. het bebouwingspercentage mag niet meer dan 70% van het bouwperceel bedragen;

c. de maximale goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximale goot- en bouwhoogte";

d. de gebouwen moeten voorzien zijn van een kap met een dakhelling van niet minder dan 20º en niet meer dan 65º.

Ingevolge lid 11.6, onder 11.6.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd de bestemming te wijzigen ter plaatse van de aanduiding "wro-zone-wijzigingsgebied" met dien verstande dat de aanduiding "horeca" wordt toegevoegd ten behoeve van ondergeschikte horeca.

Ingevolge lid 11.6, onder 11.6.2, gelden voor de in 11.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid de volgende criteria:

a. de financieel-economische uitvoerbaarheid is verzekerd;

b. de geluidseffecten op de omgeving voldoen aan de daartoe gestelde normen in de Wet milieubeheer;

c. er wordt voldaan aan de gemeentelijk parkeernormen terzake;

d. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van:

- de milieusituatie;

- de externe veiligheid;

- de luchtkwaliteit;

- de waterhuishoudkundige situatie;

- de archeologische waarden;

- de flora- en faunawaarden.

e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van:

- een samenhangend stedenbouwkundig beeld;

- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

- de verkeersveiligheid;

- de sociale veiligheid.

f. de bouwmogelijkheden, zoals opgenomen in 11.2 zijn van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge lid 11.6, onder 11.6.3, is voor het toepassen van de in 11.6.1 genoemde wijzigingsbevoegdheid de in de afdeling 3.4 van de Awb geregelde procedure van toepassing.

44.2. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen. Beoogd is met toepassing van deze bepaling een soepele aanpassing van bestemmingsplannen aan de zich wijzigende omstandigheden mogelijk te maken, zonder dat de betrokken belangen te zeer in het gedrang komen.

Het plan bevat geen definitiebepaling van ondergeschikte horeca. Naar het oordeel van de Afdeling brengt een redelijke uitleg van het begrip ondergeschikte horeca als bedoeld in artikel 11, lid 11.6, onder 11.6.1, van de planregels, in aansluiting op het normale taalgebruik, met zich dat daarmee wordt bedoeld dat de horecafunctie zowel in ruimtelijk als in functioneel opzicht ondergeschikt moet blijven aan de detailhandelsfunctie, zodat de detailhandelsfunctie de hoofdfunctie blijft. Voorts is het niet mogelijk dat bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid de maximaal toegestane bebouwing bij de bestemming "Detailhandel" kan worden vergroot, nu artikel 11, lid 11.2, onder 11.2.1, van de planregels van overeenkomstige toepassing is verklaard bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Gelet hierop bestaat er geen aanleiding voor de vrees dat er extra bebouwing kan komen en evenmin voor de vrees dat grootschalige horeca mogelijk is. Voorts moet bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid, gelet op artikel 11, lid 11.6, onder 11.6.2, van de planregels, rekening worden gehouden met de daar genoemde belangen. Nu op de voorbereiding van de wijzigingsbevoegdheid afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, biedt de voorbereidingsprocedure voldoende waarborgen voor omwonenden. Overwogen wordt verder dat op voorhand niet aannemelijk is dat een wijzigingsplan niet zou kunnen worden vastgesteld.

De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid de wijzigingsbevoegdheid kunnen opnemen in het plan. Het betoog faalt.

Overigens heeft Sint Jan Coöperatieve verbruiksvereniging UA ter zitting toegelicht dat zij niet de intentie heeft om uit te breiden, maar zij de mogelijkheid wil hebben van een horecafunctie welke ondergeschikt is aan de detailhandelsfunctie met het oog op de levensvatbaarheid van de aldaar gevestigde winkel.

45. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellante sub 3] ongegrond.

46. Voor een proceskostenveroordeling bestaat ten aanzien van het beroep van [appellante sub 3] geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 12]

47. Ter zitting heeft [appellant sub 12] de beroepsgrond tegen de gestelde mogelijkheden van een terras op het perceel Dorpstraat 118 te Leende ingetrokken.

48. [appellant sub 12] betoogt dat de ruimtelijke onderbouwing voor de functiewijziging van Dorpstraat 118 ten onrechte niet met het plan elektronisch ter beschikking is gesteld. Daarnaast is volgens hem in het ontwerpplan ten onrechte geen melding gemaakt van de ruimtelijke onderbouwing.

48.1. In de toelichting van het ontwerpplan wordt de ruimtelijke onderbouwing vermeld. Het betoog mist in zoverre feitelijke grondslag.

Volgens de raad is op de gemeentelijke website een lijst opgenomen met alle particuliere initiatieven met daarbij de mededeling dat deze met de ruimtelijke onderbouwingen kunnen worden ingezien. Vast staat dat [appellant sub 12] de ruimtelijke onderbouwing op aanvraag heeft ontvangen en het stuk inhoudelijk heeft kunnen betrekken bij zijn zienswijze. De gestelde omstandigheid dat de ruimtelijke onderbouwing niet met het vastgestelde plan elektronisch ter beschikking is gesteld is een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan reeds om die reden de rechtmatigheid van het besluit niet aantasten en geen grond vormen voor de vernietiging van het bestreden besluit. Het betoog faalt.

49. [appellant sub 12] betoogt dat het perceel Dorpstraat 127 te Leende met de bestemming "Wonen" en de aanduiding "parkeerterrein" niet gebruikt mag gaan worden als parkeerterrein ten behoeve van horeca. Dit volgt volgens hem niet uit het plan. Omwonenden hebben hiertegen geen bezwaar kunnen maken. Verder is het perceel volgens [appellant sub 12] niet ingericht als parkeerterrein.

49.1. Het perceel Dorpstraat 127 heeft de bestemming "Wonen" en de aanduiding "parkeerterrein".

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor een parkeerterrein ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - parkeerterrein".

49.2. Anders dan [appellant sub 12] betoogt, hebben omwonenden een zienswijze kunnen indienen tegen het gebruik van het perceel Dorpstraat 127 als parkeerterrein, nu het plan op dit punt ongewijzigd is vastgesteld.

De Afdeling stelt vast dat de aanduiding "parkeerterrein" op de verbeelding niet overeenkomt met het bepaalde in artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder f, van de planregels, omdat daar de aanduiding "specifieke vorm van wonen - parkeerterrein" wordt gebruikt. Niet duidelijk is of daadwerkelijk is beoogd het gebruik van het perceel als een algemeen parkeerterrein toe te staan, nu de aanduiding voor het parkeerterrein is toegekend binnen de hoofdfunctie wonen.

Het betoog slaagt.

50. [appellant sub 12] richt zich voorts tegen het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel Dorpstraat 118. Hij betoogt dat ten onrechte een functiewijziging van detailhandel naar horeca wordt mogelijk gemaakt. [appellant sub 12] vreest voor parkeeroverlast, omdat bij de horecabestemming geen parkeervoorzieningen mogelijk worden gemaakt. Volgens [appellant sub 12] is het voor bezoekers van de horecagelegenheid niet duidelijk dat zij op het parkeerterrein op het perceel Dorpstraat 127 hun auto moeten parkeren en zullen zij er daarom geen gebruik van maken. [appellant sub 12] vreest verder voor geluidoverlast als gevolg van de verruiming van de openingstijden van het voorziene restaurant. Uit de brief van het college van burgemeester en wethouders van 16 september 2010 blijkt bovendien dat na 23.00 uur niet kan worden voldaan aan de geluidnormen. [appellant sub 12] voert aan dat dit ten onrechte niet is meegenomen in de ruimtelijke onderbouwing. Verder voert [appellant sub 12] aan dat de raad ten onrechte niet ingaat op de omstandigheid dat de afstand van het voorziene restaurant op het perceel Dorpstraat 118 tot zijn perceel [locatie 10] minder is dan de richtafstand van 10 m uit de brochure "Bedrijven en milieuzonering 2009" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure).

50.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op voorhand niet is te voorzien of de geluidnormen door de uitoefening van een horecabedrijf ter plaatse overschreden zullen worden. Volgens de raad is de bestemming uitvoerbaar. De raad stelt zich voorts op het standpunt dat de afstand tussen de percelen Dorpstraat 118 en [locatie 10] aanvaardbaar is, omdat de omgeving kan worden aangemerkt als gemengd gebied, waardoor de richtafstand uit de VNG-brochure met één afstandsstap kan worden verlaagd tot 0 m.

50.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan was aan het perceel Dorpstraat 118 de bestemming "Dorpslint" en de aanduiding "detailhandel" toegekend. Op het perceel werd een afhaalrestaurant geëxploiteerd. In dit plan is aan het perceel de bestemming "Horeca" toegekend. Op het perceel is thans een restaurant beoogd. [appellant sub 12] is eigenaar en bewoner van het perceel [locatie 10]. De afstand tussen zijn perceel en het perceel Dorpstraat 118 is ongeveer 3,3 m.

50.3. Ingevolge artikel 13, lid 13.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor horeca 1 en 2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 2" enkel horeca in categorie 2 is toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.44, wordt onder horeca 1 verstaan: een bedrijf waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt, zoals (eet)café's, restaurants, brasseriën, cafetaria's etc., met uitzondering van een discotheek/bar-dancing, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie.

50.4. Voor de onderbouwing van de bestemmingswijziging is door Crijns Rentmeesters B.V. in mei 2011 de "Ruimtelijke onderbouwing functieverandering Dorpstraat 118 Leende" opgesteld. Hierin staat dat voor de beoordeling van de afstand van het voorziene restaurant tot gevoelige objecten aansluiting is gezocht bij de richtafstanden uit de VNG-brochure. Voorts wordt er in de ruimtelijke onderbouwing vanuit gegaan dat het voorziene restaurant een verkeersaantrekkende werking heeft, zodat er parkeervoorzieningen moeten worden gerealiseerd. Voor de berekening van het aantal benodigde parkeerplaatsen is gerekend met de CROW-normen. Hieruit volgt dat voor het voorziene restaurant minimaal 20 en maximaal 24 parkeerplaatsen zijn vereist. Deze parkeervoorzieningen kunnen worden gerealiseerd op het perceel Dorpstraat 127. De conclusie is dat de genoemde aspecten geen doorslaggevende invloed hebben op de bestemmingswijziging. De toekomstige situatie is niet nadeliger dan de huidige situatie en het perceel is geschikt voor de bestemmingswijziging, aldus de ruimtelijke onderbouwing.

50.5. Met betrekking tot de gestelde parkeeroverlast wordt overwogen dat de benodigde parkeerplaatsen ten behoeve van het voorziene restaurant, vanwege ruimtegebrek, niet op het perceel Dorpstraat 118 kunnen worden gerealiseerd. Om die reden is gekozen voor een terrein op het perceel Dorpstraat 127. Zoals hiervoor overwogen in 49.2 volgt niet uit het plan dat het perceel gebruikt mag worden als parkeerterrein ten behoeve van een horecafunctie, omdat de aanduiding voor het parkeerterrein is toegekend binnen de hoofdfunctie wonen. Gelet hierop is niet aannemelijk gemaakt dat er voldoende parkeerplaatsen zijn. Het betoog slaagt.

50.6. Wat betreft het betoog over de afstand van het voorziene restaurant tot het perceel [locatie 10] is het volgende van belang. In bijlage 1 van de VNG-brochure wordt voor milieucategorie 1 bedrijven, waar het voorziene restaurant onder valt, een richtafstand van 10 m tot gevoelige objecten, zoals woningen, aangehouden. Deze afstand geldt ten aanzien van een rustige woonwijk of een vergelijkbaar omgevingstype. In de VNG-brochure staat dat de richtafstanden uit bijlage 1 met één afstandsstap kunnen worden verlaagd, indien de omgeving kan worden aangemerkt als gemengd gebied. Gelet op de ligging van het voorziene restaurant aan een doorgaande weg, met aan weerszijden woningen en bedrijvigheid, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Dorpstraat ter plaatse is aan te merken als gemengd gebied. De richtafstanden uit bijlage 1 kunnen derhalve met één afstandsstap worden verlaagd. Dit betekent dat de VNG-brochure voor dit geval een richtafstand aanbeveelt van 0 m tot geluidgevoelige bestemmingen. De in de VNG-brochure genoemde richtafstanden hebben een indicatief karakter en kunnen gemotiveerd worden toegepast. De enkele verwijzing in de ruimtelijke onderbouwing naar de VNG-brochure en de daarin opgenomen richtafstanden acht de Afdeling in dit geval een onvoldoende motivering om de aanvaardbaarheid van de functiewijziging te kunnen dragen. Niet is gebleken dat de gevolgen van het plan voor het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning van [appellant sub 12], waaronder de mogelijke geluidsoverlast als gevolg van de functiewijziging, in kaart zijn gebracht. Hierbij is mede van belang dat de horecabestemming breder is dan alleen een restaurant. Gelet op het voorgaande moet worden geoordeeld dat het plan in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het betoog slaagt.

51. In hetgeen [appellant sub 12] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft de aanduiding "parkeerterrein" voor het perceel Dorpstraat 127 te Leende en het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel Dorpstraat 118 te Leende, is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

52. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen in zoverre binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb te doorlopen.

53. Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 12] is van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet gebleken.

De beroepen van Hotel Villa Leende B.V. en [appellant sub 9]

54. Hotel Villa Leende B.V. kan zich niet verenigen met de gewijzigde vaststelling van het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel Nachtegaallaan 1 te Leende. Zij voert aan dat onduidelijk is waarom de raad het plan per amendement gewijzigd heeft vastgesteld. Hoewel uit de ruimtelijke onderbouwingen voor het voorziene hotel en de beoogde parkeergelegenheid blijkt dat er geen belemmeringen zijn, heeft de raad geen blijk gegeven dat hij hiervan kennis heeft genomen. Daarnaast berusten de overwegingen van de raad, die aan het amendement ten grondslag liggen, op onjuiste uitgangspunten.

[appellant sub 9], eigenaar van het perceel [locatie 11] te Leende, betoogt dat de raad ten onrechte de bestemming "Horeca" heeft toegekend aan het perceel Nachtegaallaan 1. Hij voert aan dat het amendement niet goed is verwerkt in het plan, omdat buiten het bouwvlak nog steeds parkeervoorzieningen kunnen worden aangelegd. [appellant sub 9] voert verder aan dat de noodzaak voor de bouw van een hotel ontbreekt. Daarnaast wordt op het perceel ten onrechte een bedrijfswoning mogelijk gemaakt. Volgens [appellant sub 9] is het plan in strijd met de Verordening 2011, omdat de raad er geen rekening mee heeft gehouden dat het perceel in de Ecologische hoofdstructuur (hierna: EHS) ligt. Voorts heeft de raad ten behoeve van het voorziene hotel ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de te verwachten verkeersintensiteit, geluidhinder, luchtkwaliteit en flora en fauna. [appellant sub 9] voert ten slotte aan dat onduidelijk is of het voorziene hotel financieel uitvoerbaar is.

54.1. Het perceel Nachtegaallaan 1 heeft de bestemming "Horeca" en de functieaanduiding "horeca van categorie 2". Aan het perceel is een bouwvlak toegekend met de functieaanduidingen "bedrijfswoning" en "parkeergarage".

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Horeca" aangewezen gronden bestemd voor:

a. horeca 1 en 2, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 2" enkel horeca in categorie 2 is toegelaten;

b. wonen op de begane grond in de vorm van een bedrijfswoning en/of wonen op de verdieping al dan niet met inbegrip van een aan huis verbonden beroep met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 2" wonen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is toegelaten, waarbij wonen op de verdieping niet is toegelaten.

(…);

d. parkeervoorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

(…);

f. ondergrondse parkeergarage met bijbehorende ontsluiting uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage".

een en ander met de daarbij behorende voorzieningen.

Ingevolge lid 13.5, onder 13.5.1, wordt tot een gebruik, strijdig met de bestemming, zoals bedoeld in 27.1, in ieder geval gerekend het gebruik van (vrijstaande) bijgebouwen als zelfstandige woonruimte en als afhankelijke woonruimte.

54.2. In het voorheen geldende bestemmingsplan "Bungalowpark - Leende 1998" had het perceel de bestemming "Tuinen-II". Aan het perceel was een bouwvlak toegekend met de bestemming "Horecadoeleinden".

Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planvoorschriften van dat plan zijn als horecabedrijf aangewezen gronden bestemd voor een hotel met de daartoe nodige gebouwen en erf.

Ingevolge lid 12.2, mogen op de als zodanig aangewezen gronden, op de plankaart aangewezen met "bouwvlak", uitsluitend bouwwerken worden gebouwd ten dienste van de bestemming horecadoeleinden.

Ingevolge lid 12.4, onder 2, is het verboden de bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming. Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval begrepen:

a. de huisvesting van meer dan één huishouden;

b. de vestiging van een bedrijf, niet zijnde een horecabedrijf.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, zijn de op de plankaart aangewezen gronden als "Tuinen-II" bestemd voor tuinen met de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken en voor de ontsluiting van de gronden en de gebouwen waarbij de tuinen behoren; een en ander met bijbehorende voorzieningen.

54.3. Bij het besluit van 23 januari 2012 heeft de raad een amendement aangenomen waarmee is besloten om ten aanzien van het voorziene hotel op het perceel Nachtegaallaan 1 de in het ontwerpplan voorgestelde verruiming van de boven- en ondergrondse parkeermogelijkheden niet over te nemen en de bestemming op het perceel in overeenstemming te brengen met het voorheen geldende plan. Het amendement is echter niet op een juiste manier verwerkt in het plan, zoals dat ter inzage is gelegd. In het verweerschrift heeft de raad erkend dat, anders dan hij heeft beoogd, op het perceel nog steeds buiten het bouwvlak parkeervoorzieningen kunnen worden aangelegd. Volgens de raad had in de regels bij de bestemming "Horeca" een uitzondering opgenomen moeten worden voor dit perceel. Het vastgestelde plan, zoals dat ter inzage is gelegd, stemt in zoverre niet overeen met het besluit tot vaststelling. Het bestreden besluit en het plandeel zijn, in onderlinge samenhang bezien, in zoverre vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het betoog van [appellant sub 9] over het niet goed verwerken van het amendement in het plan, slaagt. Het betoog van Hotel Villa Leende B.V. over de parkeervoorziening mist feitelijke grondslag in het ter inzage gelegde plan, maar omdat het plan en het vaststellingsbesluit in zoverre niet met elkaar overeenstemmen, slaagt ook dit betoog.

54.4. Over het amendement en de gewijzigde vaststelling heeft de raad toegelicht geen bezwaar te hebben tegen het planologisch mogelijk maken van parkeren en van een hotel. Waar het volgens de raad om gaat is dat het voorziene hotel niet te groot wordt. Dit kan worden bereikt door de ruimte binnen het bouwvlak te benutten voor het hotel en het parkeren. Hierdoor zullen er minder hotelkamers kunnen komen en dientengevolge minder gasten, waardoor de ruimtelijke uitstraling rond het hotel beperkt blijft. De raad acht deze beperkte ruimtelijke uitstraling noodzakelijk voor een goede balans met de stedenbouwkundige maat en schaal van het aangrenzende bungalowpark. De door Hotel Villa Leende B.V. opgestelde ruimtelijke onderbouwing geeft volgens de raad over de maat en schaal van het voorziene hotel weinig inzicht. Gelet hierop is er geen grond voor het oordeel dat de raad geen kennis heeft genomen van de ruimtelijke onderbouwing voor het voorziene hotel en dat de overwegingen van de raad, die aan het aangenomen amendement ten grondslag liggen, berusten op onjuiste uitgangspunten.

In het vorige bestemmingsplan "Bungalowpark Leende" had het perceel de bestemming "Tuinen-II". In de huidige plansystematiek komt deze bestemming niet langer voor. Dat een horecabestemming zonder bouwvlak het meest aansluit bij een tuinbestemming, acht de Afdeling in dit geval, gelet op de omschrijving van de bestemming, niet onjuist. Het betoog van Hotel Villa Leende B.V. faalt.

54.5. Hoofdstuk 4 van de Verordening 2011 stelt regels ten aanzien van de aanwijzing, begrenzing en bescherming van de EHS.

Ingevolge artikel 4.2, eerste lid, strekt een bestemmingsplan dat is gelegen in de ecologische hoofdstructuur tot behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en stelt het regels ter bescherming van de ecologische waarden en kenmerken van de onderscheiden gebieden en houdt daarbij rekening met de overige aanwezige waarden en kenmerken, waaronder de cultuurhistorische waarden en kenmerken.

Ingevolge het tweede lid neemt een bestemmingsplan in afwijking van het eerste lid de geldende niet-natuurbestemming en de met het oog daarop gegeven regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daarop bevindende bouwwerken in acht.

54.6. De Afdeling stelt vast dat het perceel Nachtegaallaan 1 in de EHS ligt. Nu het voorheen geldende plan reeds een horecabedrijf mogelijk maakte, heeft de raad de gevestigde belangen en rechten, overeenkomstig artikel 4.2, tweede lid, van de Verordening 2011, in acht genomen door aan het perceel een horecabestemming toe te kennen. De raad heeft toegelicht dat op het perceel, afgezien van de niet beoogde extra parkeerplaatsen, geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk zijn die de EHS kunnen aantasten, doordat het oprichten van bijgebouwen is uitgesloten. In zoverre is het voorliggende plan ten opzichte van het voorheen geldende plan een verbetering, omdat in dat plan, gelet op artikel 15, lid 15.1, van de voorschriften, de gronden met de bestemming "Tuinen-II" bestemd waren voor tuinen met de daarbij behorende bijgebouwen en andere bouwwerken. Gelet op het voorgaande is onderzoek naar alternatieve locaties en compensatie van de door [appellant sub 9] gestelde aantasting van de EHS niet nodig. Voorts bestaat er geen grond voor het oordeel dat de raad geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat het perceel in de EHS ligt. Het plan is in zoverre niet in strijd met de Verordening 2011 vastgesteld. Dit betoog faalt.

54.7. Voor de onderbouwing van het voorziene hotel is in opdracht van Hotel Villa Leende B.V. door SAB op 9 december 2011 de "Ruimtelijke onderbouwing Hotel Villa te Leende" opgesteld. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat onderzoek is gedaan naar nut en noodzaak van de bouw van een hotel in Leende. De conclusie is dat er behoefte is aan het voorziene hotel. Gelet op de trends in de hotelbranche zijn er volgens de ruimtelijke onderbouwing kansen voor een ondernemend hotel dat zich weet te onderscheiden. Nu het hotelaanbod in Heeze-Leende de kwaliteit heeft van 4-sterren en het voorziene hotel een 3-sterren accommodatie zal aanbieden, is het voorziene hotel een nuttige toevoeging op het bestaande aanbod. Voorts geldt voor de zakelijke markt dat het voorziene hotel kan concurreren met vergelijkbare hotels in de omgeving, aldus de ruimtelijke onderbouwing. Het plan staat niet in de weg aan een invulling die een 3-sterrenhotel mogelijk maakt. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de behoefte aan het voorziene hotel onvoldoende aanwezig is. Het betoog faalt.

54.8. Voor zover [appellant sub 9] betoogt dat de verschillende onderzoeken niet door de raad zijn uitgevoerd, wordt overwogen dat de raad bij het vaststellen van een bestemmingsplan ingevolge artikel 3:2 van de Awb de relevante feiten dient vast te stellen en de nodige kennis dient te vergaren over de af te wegen belangen. Daartoe hoeft hij echter niet zelf het benodigde onderzoek te doen, maar kan hij gebruik maken van onderzoek door derden, mits hij zich ervan vergewist dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.

Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt dat onderzoek is verricht naar geluid, luchtkwaliteit, flora en fauna en verkeer. Uit het geluidonderzoek blijkt dat de voorkeurswaarde op de te beoordelen noord- en oostgevel aan de luwe zijde van het voorziene hotel niet wordt overschreden. Daarnaast voldoet de binnenwaarde aan de geluideisen uit het Bouwbesluit, zodat er geen extra geluidwerende voorzieningen nodig zijn. De conclusie van het onderzoek naar luchtkwaliteit is dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de bouw van het voorziene hotel. In het verkeersonderzoek staat dat door de bouw van het voorziene hotel en een bedrijfswoning de verkeersintensiteit op de Nachtegaallaan, de Valkenswaardseweg en de A2 zal toenemen met maximaal 152 voertuigen per etmaal. De vestiging van het voorziene hotel zal volgens het verkeersonderzoek leiden tot merkbaar meer verkeer op de Nachtegaallaan, maar dit zal niet zodanig zijn dat er een verminderde doorstroming op de weg zal zijn. De toename op de Valkenswaardseweg en de A2 is zodanig beperkt dat er geen merkbare verandering van de doorstroming op de omringende wegen zal zijn. Gelet op het voorgaande zal de geluidbelasting bij de woning van [appellant sub 9] als gevolg van het voorziene hotel niet van die omvang zijn dat geen aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd.

[appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van de verschillende onderzoeken onjuist zouden zijn en dat de raad de onderzoeken niet ten grondslag had mogen leggen aan het plan. Het betoog faalt.

54.9. Over het betoog van [appellant sub 9] dat bij de bestemming "Horeca" ten onrechte een bedrijfswoning is toegestaan, wordt het volgende overwogen. Anders dan [appellant sub 9] veronderstelt, was een bedrijfswoning ook in het vorige plan reeds toegestaan. De voorziene bedrijfswoning gaat ingevolge artikel 13, lid 13.1, onder b, van de planregels op in de bebouwing van het voorziene hotel, zodat dit weinig invloed zal hebben op de ruimtelijke uitstraling. Voorts acht de Afdeling het standpunt van de raad dat een bedrijfswoning bij een dergelijk 24-uurs bedrijf noodzakelijk is, niet onredelijk. De raad heeft derhalve in redelijkheid kunnen voorzien in een bedrijfswoning. Het betoog faalt.

54.10. Uit hoofdstuk 5 van de ruimtelijke onderbouwing volgt dat ten behoeve van de financieel-economische uitvoerbaarheid van het voorziene hotel exploitatieberekeningen zijn uitgevoerd. Uit die berekeningen is gebleken dat het plan economisch uitvoerbaar is. De raad heeft verder toegelicht dat het in dit geval gaat om een particulier initiatief waarvan de kosten geheel worden gedragen door de initiatiefnemer. [appellant sub 9] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het plan op voorhand financieel niet uitvoerbaar is. Het betoog faalt.

55. In hetgeen Hotel Villa Leende B.V. en [appellant sub 9] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan, voor zover het betreft het ontbreken van een uitzondering voor het perceel Nachtegaallaan 1 te Leende in artikel 13, lid 13.1, onder d, van de planregels, is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid. Het beroep van Hotel Villa Leende B.V. is gegrond en het beroep van [appellant sub 9] is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 9] voor het overige ongegrond.

56. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder a, en vijfde lid van de Awb, zoals deze luidden ten tijde van belang, de raad op te dragen in zoverre binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Awb te doorlopen.

Teneinde te voorkomen dat in de periode tot aan inwerkingtreding van het nieuw te nemen besluit buiten het bouwvlak kan worden geparkeerd, ziet de Afdeling tevens aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb, zoals dit luidde ten tijde van belang, een voorlopige voorziening te treffen.

57. De raad dient ten aanzien van de beroepen van Hotel Villa Leende B.V. en [appellant sub 9] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 14], [appellant sub 12] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Villa Leende B.V. geheel en de beroepen van [appellante sub 6] en [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Heeze-Leende van 23 januari 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kom Leende-Leenderstrijp", voor zover het betreft:

a. het ontbreken van een begripsbepaling van de branche vrije tijd als bedoeld in artikel 6, lid 6.1, onder c, van de planregels;

b. het meest oostelijke gedeelte van het plandeel met de bestemming "Centrum" voor het perceel Dorpstraat 68a, waar een maximale goot- en bouwhoogte van 4 m onderscheidenlijk 9 m is toegestaan;

c. het ontbreken op de verbeelding van de bij de bestemming "Agrarisch-2" behorende lettercode "A-2" voor het perceel [locatie 7];

d. de aanduiding "parkeerterrein" voor het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Dorpstraat 127 te Leende;

e. het plandeel met de bestemming "Horeca" voor het perceel Dorpstraat 118 te Leende;

f. het ontbreken van een uitzondering voor het perceel Nachtegaallaan 1 te Leende in artikel 13, lid 13.1, onder d, van de planregels;

III. draagt de raad van de gemeente Heeze-Leende op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor de onder II genoemde onderdelen;

IV. treft de voorlopige voorziening dat op het perceel Nachtegaallaan 1 te Leende parkeren buiten het bouwvlak niet is toegestaan;

V. bepaalt dat de onder IV getroffen voorlopige voorziening vervalt op het moment dat het nieuwe besluit als bedoeld onder III in werking treedt;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 11], [appellant sub 13], [appellant sub 10], [appellant sub 7] en anderen, [appellant sub 1], [appellant sub 5] en anderen, de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Ameldo B.V., [appellante sub 2] en [appellante sub 3] geheel en de beroepen van [appellante sub 6] en [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] voor het overige ongegrond;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Heeze-Leende tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

a. aan [appellante sub 6] een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Villa Leende B.V. een bedrag van € 944,00 (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] een bedrag van € 986,68 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en achtenzestig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Heeze-Leende aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

a. aan [appellante sub 6] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

b. aan [appellant sub 14] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

c. aan [appellant sub 12] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro);

d. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hotel Villa Leende B.V. een bedrag van € 310,00 (zegge: driehonderdtien euro);

e. aan [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. E. Helder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Pikart-van den Berg

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

350-709.