Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201208919/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar [zoon] voor het schooljaar 2011-2012 naar het Junior College in Julianadorp afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2013/24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208919/1/A2.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Heerhugowaard,

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 2 augustus 2012 in zaak nr. 12/205 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heerhugowaard.

Procesverloop

Bij besluit van 8 juni 2011 heeft het college een aanvraag van [appellante] om bekostiging van leerlingenvervoer voor haar [zoon] voor het schooljaar 2011-2012 naar het Junior College in Julianadorp afgewezen.

Bij besluit van 8 december 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2013, waar het college, vertegenwoordigd door P. van Dooyeweerd, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de Wvo), verstrekt een college ten behoeve van het schoolbezoek aan ouders, voogden of verzorgers van in de gemeente verblijvende leerlingen die wegens hun lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, dan wel vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken, op aanvraag bekostiging van de door een college noodzakelijk te achten vervoerskosten. De gemeenteraad stelt daartoe een nadere regeling vast, met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Verordening Leerlingenvervoer Heerhugowaard (hierna: de Verordening) verstrekt het college bekostiging op basis van de kosten van openbaar vervoer met begeleiding aan de ouders van de leerling die een basisschool, speciale school voor basisonderwijs of een school voor voortgezet onderwijs bezoekt en vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 29 kan het college in bijzondere gevallen ten gunste van de ouders afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan de permanente commissie leerlingenzorg, de commissie voor de begeleiding, de regionale verwijzingscommissie of andere deskundigen.

2. [appellante] heeft een aanvraag om bekostiging ingediend van leerlingenvervoer voor het schooljaar 2011-2012 voor haar [zoon] van haar woning in Heerhugowaard naar de school voor voortgezet onderwijs het Junior College te Julianadorp met een Leonardoafdeling waar onderwijs wordt gegeven dat is toegesneden op hoogbegaafde leerlingen.

In het besluit op bezwaar van 8 december 2011 heeft het college, in afwijking van het advies van de bezwarencommissie, zich op het standpunt gesteld dat de situatie van [appellante] niet zodanig bijzonder is, dat aanleiding bestaat om haar met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 29 van de Verordening alsnog in aanmerking te brengen voor bekostiging. Haar situatie wijkt niet af van andere ouders van leerlingen die het voortgezet onderwijs bezoeken en daarvoor een lange afstand moeten reizen.

3. Niet in geschil is dat [zoon] een school voor regulier voortgezet onderwijs in de zin van de Wvo volgt en dat hij geen lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke handicap heeft waardoor hij niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, zodat niet aan de in de Verordening neergelegde voorwaarden voor vergoeding van leerlingenvervoer is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het college de hardheidsclausule had moeten toepassen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de situatie van [zoon] zo bijzonder is, dat toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. Zij voert daartoe aan, dat leerlingen die zijn aangewezen op het speciaal onderwijs vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke handicap een vergoeding voor het vervoer ontvangen. Het is redelijk om eenzelfde uitzondering te maken voor leerlingen zoals [zoon] die hoogbegaafd zijn en daardoor vastlopen in het reguliere onderwijs.

4.1. Onder verwijzing naar de uitspraak van 30 november 2011 in zaak nr. 201103705/1/H2 overweegt de Afdeling dat het college aan artikel 29 van de Verordening toepassing kan geven, maar daartoe niet verplicht is. De rechter dient een weigering deze bevoegdheid toe te passen dan ook terughoudend te toetsen.

De rechtbank heeft in hetgeen [appellante] aanvoert, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de omstandigheden waarin de zoon van [appellante] verkeert zodanig bijzonder zijn, dat het college gehouden is toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De enkele omstandigheid dat een school voor voortgezet onderwijs op een grotere afstand is gelegen dan die van de gemiddelde leerling in het voortgezet onderwijs, is niet een omstandigheid die het college noopte tot het verstrekken van een vergoeding voor leerlingenvervoer. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de situatie van [zoon] ook overigens niet afwijkt van die van andere kinderen die voor het vervoer naar het door hen gewenste voortgezet onderwijs geen vergoeding ontvangen. De stelling van [appellante] dat de door het college ter zake gemaakte vergelijking met praktijkscholen in dit geval niet opgaat, kan hieraan niet afdoen, nu het college de praktijkschool slechts als voorbeeld heeft genoemd.

Het betoog faalt.

4.2. Gelet op het onder 4.1 overwogene, kan het betoog van [appellante], dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat [zoon] maar twee keer per week terug hoeft te reizen, niet leiden tot het oordeel dat het college de aanvraag van [appellante] alsnog moet inwilligen.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

362-680.