Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201207740/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Veldwijk Noord - Winkelcentrum" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207740/1/R1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Hengelo,

en

de raad van de gemeente Hengelo,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Veldwijk Noord - Winkelcentrum" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2013, waar [appellant], in de persoon van [gemachtigde] en bijgestaan door mr. R. van Eck, advocaat te Enschede, en de raad, vertegenwoordigd door A. Otten, C.H. Hartendorp en J.F.F. Lubbers, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de stichting Welbions Holding, vertegenwoordigd door drs. F.E. Ufkes, als partij gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. De raad betoogt dat [appellant] geen belang heeft bij zijn beroep nu hij slechts eigenaar/verhuurder is van het pand aan [locatie] en niet zelf een supermarkt ter plaatse exploiteert. [appellant] wordt niet rechtstreeks in zijn belang geraakt door een besluit dat voorziet in een vestigingsmogelijkheid voor een supermarkt, aldus de raad.

1.1. Ingevolge artikel 8.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dit luidde ten tijde van belang, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.2. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 7 maart 2007, in zaak nr. 200606317/1) is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende. Dit is bij bestemmingsplannen slechts het geval indien de concurrerende vastgoedeigenaar in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid.

[appellant] is eigenaar van het pand aan het [locatie]. Hij verhuurt dit pand aan de exploitant van een supermarkt. Het bestreden besluit voorziet in detailhandel, waaronder een supermarkt, op een afstand van ongeveer 400 m van het [locatie]. [appellant] heeft gesteld dat de in het plan voorziene ontwikkeling de verhuurbaarheid van zijn pand nadelig zal beïnvloeden en mogelijk zelfs leidt tot leegstand. Hij wijst daarbij op de omstandigheid dat de exploitant van de supermarkt aan het [locatie] een overeenkomst heeft gesloten met Welbions ter zake van huur en verhuur van detailhandelsruimte - een supermarkt - binnen het plangebied. Hoewel de exploitant van de supermarkt de overeenkomst met [appellant] nog niet heeft opgezegd, gaat [appellant] ervan uit dat dit alsnog zal geschieden nadat de supermarkt zich heeft gevestigd binnen het plangebied.

Gelet op de omstandigheid dat het plan voorziet in een supermarkt op een afstand van ongeveer 400 m van het pand van [appellant] is de Afdeling van oordeel dat [appellant] in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied werkzaam is als de in het plan voorziene bedrijvigheid. Niet uitgesloten is dat het plan de verhuurbaarheid van het pand van [appellant] nadelig zal beïnvloeden. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013 in de zaak nr. 201206236/1/R1. Het betoog van de raad dat [appellant] niet als ondernemer gekwalificeerd kan worden is naar het oordeel van de Afdeling, wat daar ook van zij, niet relevant voor de vraag of [appellant] belanghebbende is in beroep. Voldoende is dat [appellant] als eigenaar het pand verhuurt aan een exploitant van de supermarkt. De Afdeling volgt evenmin de stelling van de raad dat [appellant] niet rechtstreeks wordt geraakt in zijn belang door het voorziene winkelcentrum, omdat zijn pand aan het [locatie] niet uitsluitend bestemd is voor detailhandel. De enkele omstandigheid dat het pand tevens gebruikt kan worden voor andere doeleinden dan detailhandel laat onverlet dat het voorziene winkelcentrum nadelige gevolgen kan hebben voor de verhuurbaarheid van het pand van [appellant] .

De conclusie is dat het belang van [appellant] rechtstreeks is betrokken bij het bestreden besluit.

Het beroep inhoudelijk

2. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een gebied in het zuidwesten van Hengelo, direct ten oosten van het Fanny Blankers-Koen Stadion. Het plan maakt de realisatie mogelijk van een winkelcentrum met een bedrijfsvloeroppervlakte van 3.000 m² met daarboven 100 woningen.

3. [appellant] betoogt dat de raad is uitgegaan van een onjuiste planbegrenzing. Ontwikkelingen ten aanzien van detailhandel en woningbouw in de directe nabijheid van het plangebied zijn van doorslaggevende betekenis voor de uitvoerbaarheid van het plan. [appellant] wijst daarbij op de herinrichting van het Berfloplein en de voorziene woningbouw in Veldwijk Noord. Deze samenhangende ontwikkelingen worden ten onrechte neergelegd in afzonderlijke bestemmingsplannen, aldus [appellant] .

3.1. Volgens de raad is de beoogde herstructurering van de Berflo Es, waarvan het plangebied deel uitmaakt, van een zodanige omvang dat het niet mogelijk is om alle ontwikkelingen gelijktijdig in één bestemmingsplan neer te leggen. De ontwikkelingen vinden dan ook gefaseerd plaats.

3.2. Gelet op de systematiek van de Wro komt de raad beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de samenhang tussen detailhandel en woningbouw in de diverse deelgebieden zodanig is dat in redelijkheid niet voorzien had kunnen worden in een gefaseerde uitvoering en in separate bestemmingsplannen.

4. [appellant] betoogt dat het plan zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de wijk, omdat geen behoefte bestaat aan de in het plan voorziene detailhandel. Ook leidt het plan tot leegstand. De vraag naar detailhandelsruimte binnen Hengelo neemt af, hetgeen mede een gevolg is van demografische ontwikkelingen. De raad heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de behoefte aan nieuwe woningen in Veldwijk Noord en de daarbij behorende voorzieningen, zoals detailhandel, aldus [appellant].

4.1. Volgens de raad leidt het plan niet tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Voor de inwoners van stadsdeel Zuid blijft na planrealisatie een voldoende voorzieningenniveau behouden, ook ingeval het plan tot gevolg heeft dat elders winkels moeten sluiten. In afzonderlijke bestemmingsplannen vindt zo nodig een herbestemming plaats van bestaande detailhandelsfuncties buiten het plangebied. In het op 11 januari 2013 vastgestelde bestemmingsplan "Hengelo Zuid - Berflo Es e.o." wordt onder meer voorzien in ruimere gebruiksmogelijkheden voor de panden aan het Berfloplein, waaronder het pand van [appellant] , aldus de raad.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraken van 10 juni 2009 in zaak nr. 200808122/1/R3 en van 2 december 2009 in zaak nr. 200901438/1/R3; www.raadvanstate.nl), komt voor de vraag of sprake is van een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de mogelijkheid dat sprake is van een overaanbod in het verzorgingsgebied en een mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen, maar is doorslaggevend of voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van hun woning hun dagelijkse boodschappen en geregelde inkopen kunnen doen.

[appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de realisatie van de in het plan voorziene detailhandel leidt tot het verdwijnen van een zodanig deel van het winkelaanbod in de wijk dat voor de inwoners van het verzorgingsgebied wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het doen van hun dagelijkse boodschappen en geregelde inkopen. De Afdeling acht het aannemelijk dat zelfs indien het plan leidt tot leegstand van panden aan het Berfloplein, de afname van de detailhandelsfunctie ter plaatse zal worden gecompenseerd door het aanbod van het voorziene nieuwe winkelcentrum, nu de afstand tussen de twee locaties ongeveer 400 m bedraagt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau in de Berflo Es.

5. [appellant] betoogt dat het plan in strijd is met het gemeentelijk beleid als vastgelegd in de "Beleidsvisie Detailhandel 2006-2012" van juni 2006 (hierna: Beleidsvisie 2006) en de "Detailhandelsvisie Hengelo 2006 - 2016, Geactualiseerde beleidsvisie 2012", vastgesteld door de raad op 21 februari 2012, (hierna: Beleidsvisie 2012). Uitgangspunt is een herschikking en concentratie van bestaande detailhandelsfuncties in Veldwijk Noord. Het plan leidt echter tot uitbreiding van detailhandel, hetgeen in strijd is met het detailhandelsbeleid, aldus [appellant] .

5.1. De raad stelt dat het beleid voor Veldwijk Noord uitgaat van concentratie van detailhandel. Het plan voorziet in een buurtwinkelcentrum met een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 3.000 m². Dit winkelcentrum vervangt de winkelstrip aan het - binnen het plangebied gelegen - Olympiaplein. De bedrijfsvloeroppervlakte van de gesloopte winkels aan het Olympiaplein bedraagt 1.300 m². Volgens de raad heeft het plan daarom tot gevolg dat in Veldwijk Noord de detailhandelsfunctie met ongeveer 1.700 m² wordt vergroot. De toevoeging van extra detailhandel is volgens de raad aanvaardbaar, omdat dit leidt tot kwalitatieve verbetering van het winkelaanbod en tot schaalvergroting in Hengelo-Zuid.

5.2. Het detailhandelsbeleid als vastgelegd in de Detailhandelsvisie 2006 is geactualiseerd in de Detailhandelsvisie 2012. Aan de Detailhandelsvisie 2006 ligt het rapport "Hengelo Detailhandelsstructuurvisie" van het adviesbureau Droogh Trommelen en Partners van 21 juni 2006 ten grondslag. Bijlage 6 bij dit rapport bevat onder meer een indicatieve berekening van het haalbare aanbod aan winkels voor voedings- en genotsmiddelen in heel Hengelo en voor duurzame en overige goederen in het centrum van Hengelo. De uitkomsten van deze indicatieve berekening zijn opgenomen in de Detailhandelsvisie 2006. In paragraaf 4.6 staat dat voor voedings- en genotmiddelen voor de gemeente Hengelo beperkte uitbreidingsruimte aanwezig is tot 2015 en dat deze ruimte vooral zal worden ingezet voor schaalvergroting van het bestaande aanbod. In de binnenstad bedraagt de uitbreidingsruimte voor duurzame en overige goederen tot 2015 maximaal 15.000 m² winkelvloeroppervlakte.

In de Detailhandelsvisie 2012 staat dat in het gebied Veldwijk Noord voorzien wordt in een buurtwinkelcentrum ter vervanging van de winkelstrip aan het Olympiaplein. Dit centrum krijgt een bedrijfsvloeroppervlakte van maximaal 3.000 m². Het programma dient zich bij voorkeur te vullen met één supermarkt, winkels en dienstverlenende functies.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met het gemeentelijk detailhandelsbeleid zoals vastgelegd in de Detailhandelsvisie 2006 en de Detailhandelsvisie 2012. Anders dan [appellant] heeft gesteld verzet het beleid zich niet tegen uitbreiding van de detailhandelsfunctie.

6. [appellant] betoogt dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Hiertoe voert hij aan dat niet vaststaat dat Welbions over de noodzakelijke financiële middelen beschikt voor het ontwikkelen van het plangebied. [appellant] wijst daarbij onder meer op de omstandigheid dat Welbions heeft besloten om een deel van het project uit te stellen, als gevolg van de moeilijke financiële omstandigheden waarin de ontwikkelaar verkeert. Ook is de berekening van de grondexploitatie ten onrechte gebaseerd op het prijspeil van 2005, aldus [appellant].

6.1. De raad stelt dat de omstandigheid dat een deel van het project is uitgesteld juist gunstig is voor de exploitatie, nu dat leidt tot lagere kosten. De twee uitgestelde (deel)projecten betreffen hoofdzakelijk vervangende woningbouw, met als doel het moderniseren van de woningvoorraad.

De grondexploitatie voor het plan is herzien op 22 mei 2012 en is gerekend met het prijspeil per 1 januari 2012, aldus de raad.

6.2. De Afdeling overweegt dat in het kader van een beroep tegen een besluit omtrent vaststelling van een bestemmingsplan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, daaronder begrepen de financiële uitvoerbaarheid, slechts kan leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel tien jaar. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat Welbions niet in staat zal zijn om de ontwikkeling van het plangebied te financieren. Uit de door de raad overgelegde grondexploitatieberekening volgt dat gerekend is met het prijspeil van 1 januari 2012. In zoverre mist de beroepsgrond feitelijke grondslag.

7. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovi?, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bošnjakovi?

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

91-739.