Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2891

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201209623/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het dakterras aan de achterzijde van de woning van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Amstelveen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2013/98
TBR 2013/101 met annotatie van B. Rademaker
OGR-Updates.nl 2013-0159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209623/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amstelveen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2012 in zaak nr. 12/48 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen.

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2011 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het dakterras aan de achterzijde van de woning van [belanghebbende] op het perceel [locatie] te Amstelveen.

Bij besluit van 22 november 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 augustus 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2013, waar [appellante], bijgestaan door mr. M. Schouten, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.J. Tielbeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Daar is voorts [belanghebbende], voornoemd, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

Ingevolge artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) is in afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo geen omgevingsvergunning vereist voor de categorieën gevallen in artikel 3 in samenhang met artikel 5 van bijlage II.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. geen verandering van de draagconstructie,

b. geen verandering van de brandcompartimentering of subbrandcompartimentering,

c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Ingevolge artikel 1b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet is het verboden een gebouw te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, tenzij een omgevingsvergunning het uitdrukkelijk toestaat.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, is het verboden een bestaand gebouw in een staat te brengen, te laten komen of te houden die niet voldoet aan de op de staat van dat gebouw van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, tweede lid.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu technische voorschriften gegeven omtrent het bouwen van woningen en andere gebouwen.

Ingevolge het tweede lid worden bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur voorts uit het oogpunt van veiligheid, gezondheid en bruikbaarheid voorschriften gegeven omtrent de staat van bestaande woningen en van bestaande andere gebouwen.

Ingevolge artikel 2.19, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 bevat een bestaand bouwwerk voorzieningen waardoor het van een vloer vallen voldoende wordt voorkomen.

Ingevolge het tweede lid, wordt, voor zover voor een gebruiksfunctie in tabel 2.19 voorschriften zijn aangewezen, voor die gebruiksfunctie aan de in het eerste lid gestelde eis voldaan door toepassing van die voorschriften.

Ingevolge artikel 2.20, eerste lid, heeft een vloer bij een rand een afscheiding als die rand meer dan 1,5 m hoger ligt dan een aansluitende vloer, het aansluitende terrein of het aansluitende water.

Ingevolge artikel 2.22, tweede lid, heeft een afscheiding als bedoeld in artikel 2.20, tot een hoogte van 0,6 m boven de vloer geen openingen met een breedte groter dan de in tabel 2.19 aangegeven grenswaarde.

2. Bij besluit van 11 maart 2010 heeft het college aan [belanghebbende] bouwvergunning verleend voor het vergroten van de achterzijde van de woning op het perceel. Op de bouwtekening, behorend bij die vergunning, staat dat de terrasafscheiding op de eerste verdieping over de hele breedte en op een meter van de achtergevel wordt geplaatst.

Vast staat dat de terrasafscheiding in afwijking van de bouwvergunning over de halve breedte van de eerste verdieping en op een meter van de achtergevel is geplaatst, hetgeen in overeenstemming is met het bestemmingsplan. In het kozijn van de deuren die niet zijn omheind is een doorvalbeveiliging aangebracht.

3. Bij brief van 4 februari 2011 heeft [appellante] het college verzocht om handhavend op te treden tegen het gerealiseerde dakterras op het perceel wegens het ontbreken van een vloerafscheiding dan wel valbescherming als bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003. [appellante] heeft het college verzocht erop toe te zien dat een terrasafscheiding wordt aangebracht overeenkomstig de verleende bouwvergunning. Bij brief van 8 maart 2011 heeft [appellante] het college verzocht de inmiddels gerealiseerde terrasafscheiding in overeenstemming met de verleende bouwvergunning te laten brengen.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college haar bezwaar, voor zover dat betrekking heeft op strijd met het Bouwbesluit 2003, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe voert zij aan dat het relativiteitsvereiste in deze procedure geen rol speelt.

4.1. Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken verstaan.

4.2. De rechtbank heeft ten onrechte het standpunt van het college gevolgd dat, nu de privacy van [appellante] geen belang is dat artikel 2.20, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 beoogt te beschermen, zij niet als belanghebbende bij de door haar gestelde overtreding kan worden aangemerkt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 5 maart 2008 in zaak nr. 200703571/1), is voor de ontvankelijkheid van het bezwaar niet relevant of het belang van degene die bezwaar maakt, een belang is dat in dit geval het Bouwbesluit 2003 beoogt te beschermen. Slechts van belang is of degene die bezwaar maakt, een belang heeft dat rechtstreeks wordt getroffen door het besluit waartegen bezwaar wordt gemaakt.

Gelet op de omstandigheid dat [appellante] naast het perceel woont en zicht op de woning van [belanghebbende] heeft, is haar belang rechtstreeks geraakt door het in bezwaar gehandhaafde besluit tot weigering om handhavend op treden tegen het dakterras aan de achterzijde van de woning.

De rechtbank heeft derhalve niet onderkend dat het college het door [appellante] gemaakte bezwaar, voor zover dat betrekking heeft op het Bouwbesluit 2003, ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank is ten onrechte niet ingegaan op het betoog van [appellante] dat het college ten onrechte van handhavend optreden heeft afgezien voor zover het dakterras in strijd is met het Bouwbesluit 2003.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden. Daartoe voert zij aan dat de terrasafscheiding in afwijking van de bij besluit van 11 maart 2010 verleende bouwvergunning is gerealiseerd en dat de doorvalbeveiliging niet voldoet aan de eisen van het Bouwbesluit 2003. [appellante] stelt voorts dat het college ten onrechte concreet zicht op legalisering heeft aangenomen.

5.1. Bij brief van 4 augustus 2011 heeft [belanghebbende] een revisietekening bij het college ingediend. Deze brief kan niet worden aangemerkt als een verzoek aan het college om een besluit te nemen tot wijziging van de verleende bouwvergunning, nu daarin slechts is vermeld dat op verzoek van het college een revisietekening wordt ingediend. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de op 11 maart 2010 verleende bouwvergunning is gewijzigd door het indienen van die revisietekening.

5.2. Vast staat dat de terrasafscheiding in afwijking van de verleende bouwvergunning over de halve breedte in plaats van over de hele breedte van de eerste verdieping is gerealiseerd. In zoverre is in strijd gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Ingevolge artikel 2.1, derde lid, van de Wabo in verbinding gelezen met artikel 2.3, eerste lid, van het Bor geldt dat verbod niet voor gevallen als bedoeld in artikel 3 van bijlage II van het Bor indien de activiteit niet in strijd is met het bestemmingsplan. Dit betekent dat indien in afwijking van een verleende vergunning wordt gebouwd, maar de bouwactiviteit op zichzelf vergunningvrij is, artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo niet aan de overtreder daarvan kan worden tegengeworpen. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat los van een aanvraag vergunningvrij wel een bouwwerk mag worden gebouwd, maar tegelijk met de bouw van een vergund bouwwerk niet vergunningvrij mag worden gebouwd, hetgeen niet strookt met de bedoeling van de wetgever, zoals deze blijkt uit de toelichting op het Bor (vgl. Stb. 2010, 143, blz. 133). Nu de terrasafscheiding in overeenstemming is met het bestemmingsplan en de draagconstructie niet wordt gewijzigd, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het gewijzigd aanbrengen van de terrasafscheiding als bouwen van niet-ingrijpende aard kan worden aangemerkt waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 3, aanhef en onder 8, van bijlage II van het Bor. De rechtbank heeft in zoverre met juistheid overwogen dat het college op dit punt terecht van handhavend optreden heeft afgezien.

5.3. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat het college, behoudens bijzondere omstandigheden waarvan niet is gebleken, gehouden was tot handhavend optreden over te gaan ten aanzien van de doorvalbeveiliging die in het kozijn van de niet-omheinde deuren is aangebracht. Deze doorvalbeveiliging is in strijd met het bepaalde in artikel 2.22, tweede lid, van het Bouwbesluit 2003, in verbinding gelezen met artikel 2.20, eerste lid, en de artikelen 1b en 2 van de Woningwet, nu deze beveiliging tot een hoogte van 0,6 m open is.

Het betoog slaagt.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 november 2011 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikelen 1:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

7. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 augustus 2012 in zaak nr. 12/48;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen van 22 november 2011, kenmerk Z-2011/030142;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.888,00 (zegge: achttienhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 388,00 (zegge: driehonderdachtentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

357-672.