Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201209338/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het CBR aan [appellant] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209338/1/A3.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 15 augustus 2012 in zaken nrs. 12/521 en 12/1892 in het geding tussen:

[appellant]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2011 heeft het CBR aan [appellant] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd.

Bij brief van 13 juli 2011 heeft het CBR [appellant] opgeroepen voor een onderzoek naar de rijvaardigheid.

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] ongeldig verklaard.

Bij besluit van 29 december 2011 heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 31 mei 2011 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard Bij besluit van 29 december 2011 heeft het CBR het door [appellant] tegen het besluit van 30 augustus 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 augustus 2012 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen de besluiten van 29 december 2011 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2013, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. J.J. Kwant, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw 1994) besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriƫle regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, behoudens bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde uitzonderingen, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen, zoals dat luidde ten tijde hier van belang, worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 van de Wvw 1994 bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2. Het CBR heeft aan het besluit van 30 augustus 2011 ten grondslag gelegd dat [appellant] voor het onderzoek naar de rijvaardigheid niet op de vastgestelde tijd en plaats aanwezig was en geen geldige reden voor verhindering had. [appellant] heeft daarmee niet de vereiste medewerking verleend, aldus het CBR. Om deze reden heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] voor alle categorieƫn ongeldig verklaard.

3. [appellant] heeft ter zitting bij de rechtbank naar voren gebracht dat het tegen het besluit van 31 mei 2011 gemaakte bezwaar moet worden opgevat als gericht tegen de brief van 13 juli 2011. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de brief een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Hij voert hiertoe aan dat de mededeling in de brief dat bij niet verschijnen het rijbewijs ongeldig verklaard kan worden, op rechtsgevolg is gericht, nu dit niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.

3.1. Het betoog faalt. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de brief van 13 juli 2011 niet op rechtsgevolg is gericht. De brief strekt tot feitelijke vaststelling van de datum waarop een onderzoek naar de rijvaardigheid van [appellant] zou plaatsvinden. Dat [appellant] zich dient te onderwerpen aan een dergelijk onderzoek, en derhalve verplicht is om op de daartoe vastgestelde datum op het onderzoek te verschijnen, vloeit voort uit het besluit tot oplegging van het onderzoek, van welk besluit de brief van 13 juli 2011 een concrete invulling is. Dat in de brief is vermeld dat bij niet verschijnen het rijbewijs ongeldig kan worden verklaard, doet aan het vorenstaande niet af. De brief behelst nog geen ongeldigverklaring van het rijbewijs. Daartoe dient ingevolge artikel 132, tweede lid, van de Wvw 1994 bij afzonderlijk besluit te worden beslist.

4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat hij een geldige reden voor verhindering had. Hij voert hiertoe aan dat het CBR hem ondeugdelijk heeft opgeroepen voor het onderzoek naar de rijvaardigheid. Hij heeft geen oproepingsbrief ontvangen en uit de stukken in het dossier kan niet worden afgeleid dat hem een oproepingsbrief is gezonden. Uit de door het CBR overgelegde kopie van de envelop die het retour heeft ontvangen kan niet worden afgeleid dat deze envelop naar het juiste adres is verzonden. Voorts kan niet worden vastgesteld dat in deze envelop de oproepingsbrief zat die voor hem bestemd was, aldus [appellant].

4.1. Het CBR heeft een kopie overgelegd van een envelop die het retour heeft ontvangen van Post NL met daarop een sticker waaruit blijkt dat deze aangetekend is verzonden. Op de envelop is een sticker aangebracht waaruit blijkt dat bij het aanbieden op 14 juli 2011 de envelop niet kon worden bezorgd. Voorts is een sticker aangebracht waaruit blijkt dat deze envelop retour afzender is gezonden omdat deze niet is afgehaald. Daarnaast heeft het CBR een detailpagina van Post NL overgelegd waaruit, gelet op de daarin genoemde barcode die overeenkomt met de op de envelop vermelde barcode, kan worden afgeleid dat de envelop op 13 juli 2011 aan Post NL is aangeboden. Uit de overgelegde detailpagina blijkt verder dat de envelop op 15 juli 2011 weer op het postkantoor lag, omdat de geadresseerde afwezig bleek, dat het poststuk op 5 augustus 2011 retour is gezonden aan de afzender, omdat het niet is afgehaald en dat het op 9 augustus 2011 bij de afzender is afgeleverd. Post NL kent de vaste praktijk dat, indien uitreiking van een aangetekend stuk aan de geadresseerde niet mogelijk blijkt, in de brievenbus van de geadresseerde een kennisgeving wordt achtergelaten dat het stuk gedurende een zekere termijn op het postkantoor kan worden afgehaald.

In de detailpagina wordt [appellant], onder vermelding van zijn juiste adres, als geadresseerde genoemd. Nu de in de detailpagina genoemde barcode overeenkomt met de barcode op de envelop, heeft het CBR aannemelijk gemaakt dat die envelop naar [appellant] is gestuurd en dat een kennisgeving in zijn brievenbus is achtergelaten, omdat de envelop niet aan hem kon worden uitgereikt. Het CBR heeft voorts, anders dan [appellant] betoogt, aannemelijk gemaakt dat de overgelegde envelop hoort bij de oproepingsbrief die was gericht aan [appellant]. Daartoe wordt overwogen dat het CBR een oproepingsbrief heeft overgelegd, gericht aan [appellant] met het opschrift "aantekenen", gedateerd 13 juli 2011, welke datum overeenkomt met de datum waarop de envelop door het CBR aan Post NL is aangeboden. De oproepingsbrief bevat verder een stempel met de datum waarop deze door het CBR retour is ontvangen. Deze datum, 10 augustus 2011, past bij de datum waarop de envelop na retourzending bij het CBR is afgeleverd.

De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het CBR niet aannemelijk heeft gemaakt dat het de oproepingsbrief deugdelijk aan [appellant] heeft verzonden. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het CBR aan hem uitstel van het onderzoek op 18 augustus 2011 moest verlenen, nu buiten zijn schuld een situatie was ontstaan waardoor hij niet in staat was het onderzoek bij te wonen. Hij voert daartoe aan dat hij wegens verblijf in het buitenland de brief van 13 juli 2011 niet in ontvangst heeft kunnen nemen of heeft kunnen afhalen. Hij heeft zijn buurvrouw gevraagd tijdens zijn afwezigheid op zijn post te letten, maar omdat de brief van 13 juli 2011 slechts aangetekend is verzonden, heeft zij die niet in ontvangst kunnen nemen of kunnen afhalen.

5.1. Het betoog faalt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 december 2009 in zaak nr. 200904205/1/H3), komt het niet afhalen van een aangetekend stuk en het niet kennisnemen daarvan voor risico van de geadresseerde. De rechtbank heeft in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd terecht geen aanleiding gezien voor afwijking van dat uitgangspunt. Het lag op de weg van [appellant] om geschikte maatregelen te nemen voor het in ontvangst nemen en behandelen van zijn post tijdens zijn gestelde verblijf in het buitenland. Door zijn buurvrouw, als gesteld, te vragen om op zijn post te letten, maar haar kennelijk niet te machtigen tot het afhalen van aangetekende post, heeft [appellant] geen geschikte maatregel genomen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat uit het besluit van 31 mei 2011 kon worden afgeleid dat een oproep voor een onderzoek zou volgen en dat in de begeleidende brief bij dat besluit is vermeld dat toekomstige correspondentie slechts aangetekend zal worden verzonden. Bovendien had hij het CBR van tevoren ervan op de hoogte kunnen stellen dat hij naar het buitenland zou afreizen, hetgeen hij evenwel heeft nagelaten.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

582-782.