Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2888

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201208804/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft het CBR aan [appellante] een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208804/1/A3.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 juli 2012 in zaak nr. 11 - 4981 in het geding tussen:

[appellante]

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR).

Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2011 heeft het CBR aan [appellante] een Verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen van de categorie B geweigerd.

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het CBR heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. B. Kochheim-Bossink, advocaat te Aerdenhout, en het CBR, vertegenwoordigd door mr. Y.M. Wolvekamp, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 97, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen worden verklaringen van geschiktheid op aanvraag en tegen betaling van het daarvoor vastgestelde tarief door het CBR in het rijbewijzenregister geregistreerd ten behoeve van een ieder die aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen voldoet. Het CBR doet van deze registratie mededeling aan de aanvrager. Ingevolge artikel 103, eerste lid, registreert het CBR, indien de aanvrager naar zijn oordeel aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen ten aanzien van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen van de rijbewijscategorie of rijbewijscategorieën, waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet, in het rijbewijzenregister ten behoeve van de aanvrager voor die categorie of categorieën een verklaring van geschiktheid. Ingevolge artikel 104, eerste lid, kan de aanvrager van een verklaring van geschiktheid, indien hij een mededeling heeft ontvangen dat geen verklaring van geschiktheid in het rijbewijzenregister wordt geregistreerd, binnen vier weken na ontvangst daarvan het CBR verzoeken een of meer artsen aan te wijzen voor een keuring of herkeuring op zijn eigen kosten.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is in paragraaf 8.8 "Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)" bepaald dat voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen een specialistisch rapport is vereist. Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt. Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport - geschikt kunnen worden geacht. Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

2. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 28 maart 2011 heeft het CBR ten grondslag gelegd dat naar aanleiding van een door haar ingediende Eigen Verklaring [appellante] gekeurd is door psychiater M. Hanoeman. Blijkens zijn rapport van 14 augustus 2010 zijn bij [appellante] na laboratoriumonderzoek een verhoogde CDT-waarde en MCV-waarde van onderscheidenlijk 2,3% en 101 fL vastgesteld, bij een referentiewaarde tot 2,3% onderscheidenlijk van 80 tot en met 100 fL, hetgeen volgens het rapport een aanwijzing is voor overmatig alcoholgebruik. Deze waarden maken het onaannemelijk dat [appellante] het alcoholgebruik beperkt heeft tot, zoals zij heeft opgegeven, gemiddeld één dag per week met één of twee alcoholeenheden, aldus het rapport. In het rapport is opgenomen dat [appellante] heeft verklaard zichzelf te beschouwen als een gewoontedrinker. Voorts is opgenomen dat [appellante] in het verleden, op 28 januari 2006 en op 9 augustus 2006, eerder is onderzocht, waarbij in beide gevallen is geconcludeerd dat er alcoholmisbruik was, waarbij het niet aannemelijk was dat zij was gestopt, mede omdat er een verhoogde CDT-waarde van 3,2 onderscheidenlijk 3,3% was. Het rapport concludeert dat er alcoholmisbruik is.

Op verzoek van [appellante] heeft door psychiater H.V. Warnaar een herkeuring plaatsgevonden. In zijn rapport van 4 maart 2011 heeft Warnaar verwezen naar de voorgeschiedenis zoals deze in het rapport van Hanoeman is opgenomen, alsmede naar de resultaten van het laboratoriumonderzoek op 14 augustus 2010. De laboratoriumwaarden bij een onderzoek op 23 februari 2011 lagen binnen de referentiewaarden. Er is alcoholmisbruik dat sinds kort, maar nog niet gedurende twaalf maanden in remissie is, aldus Warnaar.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zowel de bevindingen van de psychiater Hanoeman als van psychiater Warnaar ondeugdelijk zijn, zodat op basis daarvan de verklaring van geschiktheid niet had mogen worden geweigerd zonder nader onderzoek. Daartoe voert zij aan dat Hanoeman in zijn rapport van 14 augustus 2010 ten onrechte heeft opgenomen dat zij zichzelf beschouwt als gewoontedrinker. Daarnaast heeft Warnaar, evenals Hanoeman, de laboratoriumwaarden verkeerd geïnterpreteerd. De op 14 augustus 2010 geconstateerde CDT-waarde ligt ruim onder de afkapwaarde vanaf 2,8%, dat wil zeggen, de waarde waarbij met 95% zekerheid kan worden gezegd dat deze buiten het referentiegebied valt. Ten onrechte heeft Warnaar, op deze omstandigheid gewezen door het CBR, zonder een nadere motivering zijn rapport gehandhaafd. Voorts blijkt uit verschillende onderzoeken dat haar MCV-waarde constant hoog is, terwijl haar CDT-waarde laag is, waaruit volgt dat de verhoogde MCV-waarde niet aan alcoholmisbruik is gerelateerd. Ten slotte is, doordat het bloedmonster van 14 augustus 2010 bij transport verloren is gegaan, het doen verrichten van een contra-expertise niet mogelijk. Hierdoor is er strijd met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, aldus [appellante] .

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 maart 2013 in zaak nr. 201205124/1/A3), bestaat in een geval waarin de diagnose alcoholmisbruik is gesteld, slechts aanleiding om een weigering een verklaring van geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen in het rijbewijzenregister te registreren niet in stand te laten indien de psychiatrische rapportage naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertoont, inhoudelijk tegenstrijdig of anderszins niet of niet voldoende concludent is, zodanig dat het CBR zich daarop niet heeft mogen baseren. Die omstandigheden doen zich hier niet voor.

Dat de op 14 augustus 2010 geconstateerde CDT-waarde onder de afkapgrens ligt, laat onverlet dat deze boven de referentiewaarde ligt en derhalve verhoogd is. De geconstateerde CDT-waarde moet bovendien worden bezien in het licht van andere bevindingen die in de rapporten van Hanoeman en Warnaar zijn vermeld, namelijk de verhoogde MCV-waarde op 14 augustus 2010 en de onderzoeksresultaten uit 2006, welke bevindingen erop wijzen dat de verhoging van de CDT-waarde door alcoholmisbruik is veroorzaakt. [appellante] heeft een andere oorzaak van de verhoogde CDT- en MCV-waarde niet aannemelijk gemaakt. Dat voor en na 14 augustus 2010 normale CDT-waarden zijn geconstateerd, is daartoe onvoldoende, gelet op, zoals in het besluit van 10 augustus 2011 is toegelicht, het tijdsverloop en de snelle normalisering van de CDT-waarde bij niet-bovenmatig alcoholgebruik. [appellante] heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij structureel een relevant verhoogde MCV-waarde heeft. Voor de vaststelling van alcoholmisbruik is relevant of de MCV-waarde boven de referentiewaarde ligt. Blijkens de desbetreffende rapporten is op 23 februari 2011 en 1 maart 2011 bij [appellante] een MCV-waarde geconstateerd die onder de referentiewaarde ligt. Dat geen contra-expertise mogelijk is ten aanzien van de op 14 augustus 2010 geconstateerde bloedwaarden brengt niet met zich dat die constateringen niet bij de beoordeling mochten worden betrokken. Niet kan worden ingezien waarom niet op andere wijze aannemelijk gemaakt zou kunnen worden dat de verhoogde bloedwaarden niet door alcoholmisbruik zijn veroorzaakt. De betwisting door [appellante] dat zij tegenover Hanoeman heeft verklaard zichzelf te beschouwen als een gewoontedrinker behoeft geen nadere bespreking. Reeds gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het CBR de onderzoeken, waarin de diagnose misbruik van alcohol is gesteld, ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit van 10 augustus 2011. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. De Vries

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

582-782.