Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2871

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201204700/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2012:BW1787, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de minister [appellant sub 2] een boete van € 33.000,00 opgelegd wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201204700/1/A3.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de minister van Infrastructuur en Milieu,

2. [appellant sub 2], gevestigd te [plaats], gemeente Molenwaard,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 februari 2012 in zaak nr. 10/1261 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2010 heeft de minister [appellant sub 2] een boete van € 33.000,00 opgelegd wegens overtreding van de Arbeidstijdenwet (hierna: Atw).

Bij besluit van 16 september 2010 heeft de minister het door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 februari 2012 heeft de rechtbank het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, voor zover het de hoogte van de boete betreft en deze gematigd tot € 17.500,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de minister en [appellant sub 2] elk hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en de minister hebben ieder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 mei 2013, waar [appellant sub 2], vertegenwoordigd door haar [bestuurder], bijgestaan door mr. K. Vierhout, advocaat te Haarlem, en de minister, vertegenwoordigd door mr. W. Autar en M. Drijer, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 15, tweede lid, van de verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (hierna: verordening 3821/85) moeten de bestuurders voor iedere dag dat zij rijden, registratiebladen gebruiken, vanaf het tijdstip waarop zij het voertuig overnemen.

Ingevolge het vijfde lid moet de bestuurder op het registratieblad de volgende gegevens aanbrengen:

(…)

d) kilometerstand:

- vóór de eerste rit die op het blad wordt geregistreerd,

- aan het einde van de laatste rit die op het registratieblad wordt geregistreerd,

- indien van voertuig wordt gewisseld gedurende de werkdag, van de kilometerteller van het gebruikte voertuig en van de kilometerteller van het voertuig dat zal worden gebruikt.

Ingevolge artikel 5:12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Atw, zoals die luidde ten tijde van belang, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld die afwijken van, in de plaats komen van of strekken tot aanvulling van het bij paragraaf 5.2 bepaalde, ten aanzien van arbeid, verricht door personen, werkzaam in of op motorrijtuigen.

Ingevolge artikel 7:2, derde lid, gelezen in verbinding met het eerste lid van dat artikel, wordt een beschikking op grond van deze wet van een ambtenaar, als bedoeld in de artikelen 8:1, tweede lid, en 10:5, tweede lid, voor zover het betreft de arbeid verricht door personen, als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, alsmede arbeid in bedrijven of inrichtingen die rechtstreeks betrekking heeft op arbeid verricht in of op motorrijtuigen als bedoeld in artikel 5:12, tweede lid, onderdeel a, genomen namens de minister van Verkeer en Waterstaat (thans: de minister van Infrastructuur en Milieu).

Ingevolge artikel 10:3, eerste lid, maakt een toezichthouder, indien hij constateert dat een beboetbaar feit is begaan, daarvan zo spoedig mogelijk een rapport op.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder e, is het rapport gedagtekend en vermeldt het in ieder geval de natuurlijke of rechtspersoon op wie de verplichting rust tot naleving van het beboetbare wettelijke voorschrift.

Ingevolge artikel 10:5, tweede lid, zoals dat luidde ten tijde van belang, legt, voor zover het de in artikel 5:12, tweede lid, onderscheiden categorieën van arbeid betreft, een daartoe door de minister van Verkeer en Waterstaat en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid tezamen aangewezen ambtenaar de boete op aan de natuurlijke persoon of rechtspersoon, op wie de verplichtingen rusten, welke voortvloeien uit deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als beboetbaar feit.

Ingevolge artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (hierna: het Atbv), zoals dat luidde ten tijde van belang, is het de werkgever, de werknemer en de persoon, bedoeld in artikel 2:7, eerste lid, van de Atw, verboden in of op controlemiddelen onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen te stellen, te doen stellen, of toe te laten dat zij daarin of daarop gesteld worden.

Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, levert het niet naleven van artikel 2.4:4 een beboetbaar feit op.

Volgens Bijlage 1 bij de Beleidsregels boeteoplegging Atw en Atbv (wegvervoer) wordt bij de berekening van een boete voor overtreding van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv een normbedrag gehanteerd van € 1.320,00.

2. Aan het besluit van 18 februari 2010 heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellant sub 2] heeft toegelaten dat haar chauffeurs 25 maal in strijd met artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv onjuiste kilometerstanden op de tachograafschijven hebben vermeld.

3. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat reeds uit de enkele constatering dat er onjuiste gegevens of aantekeningen zijn geplaatst op controlemiddelen, zoals tachograafschijven, zonder dat zij deze heeft gecorrigeerd in haar administratie, volgt dat zij dit heeft toegelaten, als bedoeld in artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv, heeft miskend dat in het boeterapport slechts melding is gemaakt van een discrepantie tussen de kilometerstand en de afstandsregistratie en van haar niet in redelijkheid kon worden verwacht dat zij alle discrepanties tussen de kilometerstanden en de afstandsregistraties opmerkt. Als het, zoals in dit geval, gaat om discrepanties van enkele kilometers, zijn de discrepanties alleen op te merken als van iedere tachograafschijf de minutieus op- en neergaande beweging van de afstandsregistratie wordt geteld en vergeleken met de door de chauffeur opgeschreven kilometerstanden. Daarbij komt dat de overtredingen geheel buiten medeweten van haar als werkgever zijn verricht, aldus [appellant sub 2].

3.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het boeterapport staat dat de inspecteur 25 maal een discrepantie tussen de tachograafschijf en de genoteerde kilometerstand heeft geconstateerd, waarop de werkgever geen wijzigingen of correcties heeft aangebracht. Bij elke vermelding is, anders dan in de door [appellant sub 2] in dit verband aangehaalde zaak (uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2009 in zaak nr. 200802148/1), tevens vermeld dat [appellant sub 2] als werkgever artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv heeft overtreden, omdat zij heeft toegelaten dat onjuiste gegevens of onjuiste aantekeningen zijn gesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank het terecht voor [appellant sub 2] duidelijk geacht, welke overtredingen haar werden verweten.

3.2. Voorts bevat het in artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv geregelde verbod geen opzet of schuld als bestanddeel. Derhalve is er een overtreding, indien de in die bepaling verboden feiten zich hebben voorgedaan. Indien een werkgever betoogt dat hem terzake van die overtreding geen verwijt treft en hij in dat verband schulduitsluitingsgronden aanvoert, zal hij dat aannemelijk moeten maken (uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2005 in zaak nr. 200403288/1). Dat het controleren van de tachograafschijven [appellant sub 2], als gesteld, veel tijd zou hebben gekost, kan niet tot het oordeel leiden dat haar ter zake van de overtreding geen verwijt treft. Dat het plaatsen van onjuiste aantekeningen op de tachograafschijven, als gesteld, door haar medewerkers is gebeurd, kan dat evenmin. Door dat toe te laten, heeft [appellant sub 2] het verbod van artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv overtreden.

De conclusie is dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat reeds uit de enkele constatering dat onjuiste aantekeningen op de tachograafschijven zijn geplaatst, zonder dat [appellant sub 2] deze in haar administratie heeft gecorrigeerd, volgt dat zij dit heeft toegelaten, als bedoeld in artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv. Het betoog faalt.

4. De minister betoogt dat de rechtbank, door aan de matiging ten grondslag te leggen dat controle van alle tachograafschijven niet in redelijkheid van [appellant sub 2] kan worden gevergd, heeft miskend dat op de werkgever - ongeacht de omvang van de onderneming en het aantal chauffeurs - nu eenmaal de plicht rust om alle tachograafschijven te controleren, onder meer op kilometerstanden.

4.1. De boete die aan [appellant sub 2] is opgelegd wegens overtreding van het in artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv neergelegde verbod is gelijk aan 25 maal het bedrag dat volgens Bijlage 1 bij de beleidsregels bij overtreding van de bepaling in dit artikelonderdeel als boete wordt opgelegd. Aangezien [appellant sub 2] 25 maal overtreding van die bepaling is verweten, strookt de haar opgelegde boete met het ter zake gevoerde beleid.

4.2. Ingevolge artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv is [appellant sub 2] als werkgever verplicht om alle tachograafschijven op onjuiste kilometerstanden te controleren. De werklast als gevolg hiervan is geen reden voor het oordeel dat de overtreding van deze bepaling [appellant sub 2] deswege slechts in beperkte mate kon worden verweten.

De verschillen tussen de op de tachograafschijven vermelde kilometerstanden en het volgens de tachograafschijven daadwerkelijk gereden aantal kilometers variëren tussen 3 en 64 kilometer. Deze verschillen zijn niet zo klein, dat hierin aanleiding bestaat om een beperkte mate van verwijtbaarheid aan te nemen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat een geringe overschrijding van het aantal kilometers niet zonder meer op een kortdurende overschrijding van de rust- en rijtijden duidt. Zoals de minister ter zitting heeft doen toelichten, kunnen de extra kilometers in verband met het laden of lossen van goederen worden afgelegd. In die situatie kunnen de rij- en rusttijden ernstiger zijn veronachtzaamd dan het geringe verschil tussen het vermelde aantal en het gereden aantal kilometers zou kunnen doen vermoeden. Of dat in dit geval zo is, kan door de gebrekkige registratie nu juist niet worden vastgesteld.

Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de overtreding van het in artikel 2.4:4, aanhef en onder a, van het Atbv neergelegde verbod [appellant sub 2] slechts in beperkte mate kan worden verweten en daarin aanleiding gevonden om de boete te matigen. Het betoog slaagt.

5. Het door [appellant sub 2] ingestelde hoger beroep is ongegrond, dat van de minister is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 16 september 2010, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 en 4.2 is overwogen, ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het door [appellant sub 2] B.V. ingestelde hoger beroep ongegrond;

II. verklaart het door de minister van Infrastructuur en Milieu ingestelde hoger beroep gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 februari 2012 in zaak nr. 10/1261;

IV. verklaart het bij de rechtbank in deze zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Binnema, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Binnema

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

589.