Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201201375/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijeholtpade" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201375/1/R1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Nijeholtpade, gemeente Weststellingwerf,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Weststellingwerf,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Nijeholtpade" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en [appellant B] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2012, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J. de Vet, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. van Weperen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.

Bij tussenuitspraak van 7 november 2012, nr. 201201375/1/T1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 14 november 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 14 januari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële herziening Kerkdreef" vastgesteld.

[appellant A] en [appellant B] zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over het besluit van 14 januari 2013 naar voren te brengen. [appellant A] en [appellant B] hebben daarvan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in overweging 3.7 van de tussenuitspraak overwogen dat het besluit van 14 november 2011 wat betreft het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor de gronden gelegen ten zuiden van de percelen [locaties] in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld. Zij heeft overwogen dat de bestemming "Woongebied" ruime gebruiksmogelijkheden biedt. Naast het door de raad beoogde gebruik als tuin, laat de gekozen bestemming tevens toe het gebruik voor onder meer woonstraten, voet- en fietspaden en op- en inritten, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen en waterlopen.

Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen is overwogen in overweging 3.7, nader te motiveren waarom een planregeling voor de gronden ten zuiden van de percelen [locaties], die verder strekt dan het enkel als zodanig bestemmen van het bestaande gebruik als tuin met gras en fruitbomen, gelet ook op de belangen van [appellant A] en [appellant B], ruimtelijk aanvaardbaar is, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een passende planregeling.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 14 januari 2013 de planregeling voor de gronden ten zuiden van de percelen [locaties] herzien. Het bestemmingsplan "Nijeholtpade" is zodanig gewijzigd bij besluit van 14 januari 2013 dat aan voornoemde gronden met de bestemming "Woongebied" de functieaanduiding "tuin" is toegevoegd.

3. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

4. Bij besluit van 14 januari 2013 heeft de raad het besluit van 14 november 2011 gewijzigd. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep mede betrekking op het besluit van 14 januari 2013.

5. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad het gebrek in het besluit van 14 november 2011 niet heeft mogen herstellen met een partiële herziening, maar dat het besluit van 14 november 2011 had moeten worden herzien met terugwerkende kracht. Het planologisch regime voor de gronden is ten onrechte vastgelegd in twee afzonderlijke bestemmingsplannen, met eigen regels van overgangsrecht en afzonderlijke data van inwerkingtreding, aldus [appellant A] en [appellant B].

5.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.1, van de planregels van het bestemmingsplan "Nijeholtpade" zijn de voor "Woongebied" aangewezen gronden bestemd voor:

a. woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:

1. een aan huis verbonden beroep;

2. kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten voor zover bestaand;

b. aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen;

met daaraan ondergeschikt:

c. tuinen, erven en binnenterreinen;

d. woonstraten, voet- en fietspaden en op- en inritten;

e. groenvoorzieningen;

f. parkeervoorzieningen;

g. speelvoorzieningen;

h. waterlopen;

i. waterhuishoudkundige voorzieningen;

j. gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2. Ingevolge artikel 2 van het bestemmingsplan "Partiële herziening Kerkdreef", vastgesteld door de raad op 14 januari 2013, blijft het bepaalde in de regels en op de verbeelding van het bestemmingsplan "Nijeholtpade", vastgesteld op 14 november 2011, van toepassing, met dien verstande dat:

- de verbeelding wordt aangevuld met de verbeelding van dit plan;

- de regels worden aangevuld met de artikelen 3 tot en met 6 van dit plan.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, mag ter plaatse van de aanduiding "tuin", in afwijking van de voor deze gronden aangewezen bestemming "Woongebied", het gebruik en de inrichting uitsluitend worden gericht op het gebruik en de inrichting als tuin behorende bij een woning.

5.3. Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat de raad onjuist heeft gehandeld door het gebrek te herstellen via een partiële herziening en de raad met terugwerkende kracht het besluit van 14 november 2011 had dienen te herzien, overweegt de Afdeling dat de raad met het vaststellen van een partiële herziening niet in strijd met de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) heeft gehandeld. Het gewenste herstel van het gebrek met terugwerkende kracht verdraagt zich niet met het stelsel van de Wro.

Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat niet duidelijk is wat de bestemming is van de gronden ten zuiden van de percelen [locaties] overweegt de Afdeling dat uit artikel 2 van de planregels van het bestemmingsplan "Partiële herziening Kerkdreef" volgt dat het besluit van 14 januari 2013 strekt tot het wijzigen van het bestemmingsplan "Nijeholtpade", wat betreft de gronden achter de percelen [locaties], door het toevoegen van de aanduiding "tuin" aan deze gronden. De besluiten van 14 november 2011 en 14 januari 2013 dienen in onderlinge samenhang te worden gelezen. Gelet op die besluiten in onderlinge samenhang bezien, is de ter plaatse geldende bestemming "Woongebied" met de aanduiding "tuin". Naar het oordeel van de Afdeling is duidelijk wat de bestemming is van de gronden ten zuiden van de percelen [locaties].

6. [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat de raad met het besluit van 14 januari 2013 weliswaar beoogd heeft om aan de gronden achter de percelen [locaties] een bestemming toe te kennen overeenkomstig het bestaande gebruik als tuin met fruitbomen en gras, maar uit de toelichting op dat besluit valt op te maken dat de raad een aanzienlijk ruimer gebruik toelaatbaar acht, zolang dit gebruik geen publieke, maar een private functie heeft. De raad noemt onder meer een gebruik van de gronden voor waterpartijen, speeltoestellen en als parkeerterrein. Het besluit van 14 januari 2013 biedt te ruime gebruiksmogelijkheden voor de gronden achter de percelen [locaties], aldus [appellant A] en [appellant B].

6.1. De raad heeft, met het oog op de belangen van [appellant A] en [appellant B], door het toekennen van de aanduiding "tuin" beoogd om de gebruiksmogelijkheden van de gronden ten zuiden van de percelen [locaties] te beperken ten opzichte van hetgeen mogelijk was op grond van de bestemming "Woongebied" zoals toegekend in het besluit van 14 november 2011. In het besluit van 14 januari 2013 is niet nader omschreven wat verstaan dient te worden onder "het gebruik en de inrichting als tuin behorende bij een woning" als bedoeld in artikel 3, lid 3.1, van de planregels. In het besluit van 14 november 2011 is het begrip "tuin bij een woning" evenmin gedefinieerd. Omdat een definitie ontbreekt, is het normale spraakgebruik richtinggevend. Uitgaande hiervan verzet de aanduiding "tuin" zich tegen openbare functies op de gronden ten zuiden van de percelen [locaties]. Op grond van het besluit van 14 november 2011 was een zodanig gebruik wel toegelaten.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid de gebruiksmogelijkheden van de gronden achter de percelen [locaties] kunnen beperken tot een gebruik en inrichting als tuin behorende bij een woning.

7. Gelet op hetgeen in de tussenuitspraak onder 3.7 is overwogen, is de Afdeling van oordeel dat het besluit van 14 november 2011, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor de gronden achter de percelen [locaties], in strijd met artikel 3:46 van de Awb is vastgesteld. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] tegen het besluit van 14 november 2011 is gegrond. Het besluit van 14 november 2011 dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor de gronden ten zuiden van de percelen [locaties].

8. In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het besluit van 14 januari 2013 strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep tegen het besluit van 14 januari 2013 is ongegrond.

9. Nu het besluit van 14 november 2011 wat betreft het plandeel "Woongebied" voor de gronden ten zuiden van de percelen [locaties] dient te worden vernietigd en het besluit van 14 januari 2013 voor de gronden enkel voorziet in een aanduiding "tuin" en niet in de bestemming "Woongebied" waarbinnen de aanduiding is toegekend, ziet de Afdeling aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit van 14 november 2011, voor zover vernietigd, in stand te laten.

Proceskosten

10. De raad dient ten aanzien van [appellant A] en [appellant B] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Weststellingwerf van 14 november 2011, waarbij het bestemmingsplan "Nijeholtpade" is vastgesteld, gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van 14 november 2011, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Woongebied" voor de gronden ten zuiden van de percelen [locaties];

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit, voor zover vernietigd, in stand blijven;

IV. verklaart het beroep tegen het besluit van de raad van de gemeente Weststellingwerf van 14 januari 2013, waarbij het bestemmingsplan "Partiële herziening Kerkdreef" is vastgesteld, ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Weststellingwerf tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1092,50 (zegge: duizendtweeënnegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Weststellingwerf aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovi?, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bošnjakovi?

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

91-739.