Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2866

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201210266/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële Herziening bestemmingsplan Strand en Duin" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210266/1/R1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Zandvoort,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Zandvoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Partiële Herziening bestemmingsplan Strand en Duin" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2013, waar [appellant], bij monde van [appellant A] en bijgestaan door mr. C. Lubben, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. de Graaf, werkzaam bij Catch Legal, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Procesbelang

2. De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant] geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De partiële herziening geeft duidelijkheid over de hoogte van bouwwerken en gebouwen ten opzichte van de zee, zodat [appellant] niet gebaat is bij een vernietiging van de partiële herziening, aldus de raad.

3. [appellant] woont aan de boulevard en heeft zicht op het bestemmingsplangebied waarop de partiële herziening betrekking heeft. Gelet hierop heeft hij naar het oordeel van de Afdeling belang bij de beoordeling van zijn beroep.

Het plan

4. De partiële herziening heeft tot doel het bestemmingsplan "Strand en Duin", vastgesteld op 27 november 2008 en goedgekeurd op 9 juni 2009, aan te vullen met bepalingen inzake de bouwhoogte van de begane grondvloer van strandbebouwing.

Het beroep

5. [appellant] betoogt dat het plan rechtsonzeker is. Volgens hem kan het peil in de praktijk moeilijk worden vastgesteld. Door de werking van de zee kan het peil niet worden bepaald aan de hand van de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst hij naar verleende omgevingsvergunningen en de daarbij behorende stukken, waaruit volgens hem volgt dat de hoogte van de begane grondvloer hoger is dan maximaal is toegestaan op grond van de voorwaarden behorende bij die vergunning. Voorts is volgens [appellant] onvoldoende gemotiveerd waarom in de partiële herziening wel een stabiel en uitvoerbaar peil kan worden opgenomen, waar dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Strand en Duin" vanwege de werking van de zee niet mogelijk was. Tevens is de motivering van de raad onjuist, zo stelt [appellant], aangezien uit de afgegeven vergunningen volgt dat andere wet- en regelgeving al hoogtebepalingen bevatten.

6. De raad stelt zich op het standpunt dat ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan "Strand en Duin" de maximale hoogte van de begane grondvloer van strandbebouwing geregeld werd door het hoogheemraadschap van Rijnland door middel van het verlenen van Keurvergunningen. In het bestemmingsplan waren daarom geen bepalingen hieromtrent opgenomen. Inmiddels heeft het hoogheemraadschap het bouwbeleid aangepast en is daarin niet langer een bepaling met betrekking tot de maximale vloerhoogte van strandbebouwing voorzien. Aangezien de raad het ontbreken van een dergelijke bepaling ongewenst acht, heeft hij aanleiding gezien het bestemmingsplan te herzien en aan de voorschriften een bepaling die ziet op de maximale bouwhoogte van de begane grondvloer van strandbebouwing toe te voegen.

7. De partiële herziening houdt in dat aan de bepalingen genoemd onder artikel 4, derde lid, onder c, f, g, i en j, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Strand en Duin" - te weten de bouwvoorschriften voor de aanduidingen "jaarrond", "strandhuisje", "strandpaviljoen", "zeilvereniging" en "watersport" ter plaatse van de gronden met de bestemming

"Recreatie-Dagrecreatie" - als voorwaarde is toegevoegd dat de begane grondvloer tussen 4,5 en 5,5 m boven NAP dient te worden gebouwd.

8. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Strand en Duin" wordt onder NAP Normaal Amsterdams Peil verstaan.

Ingevolge dit lid wordt onder peil verstaan:

a. voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang;

b. voor gebouwen waarvan de hoofdtoegang niet aan een weg grenst: de hoogte van het terrein van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

c. in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitend afgewerkte maaiveld.

9. De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant] meent, ter bepaling van de maximale bouwhoogte van de begane grondvloer van strandbebouwing in de partiële herziening wordt uitgegaan van het NAP en niet van het begrip peil zoals bedoeld in artikel 1 van de voorschriften van het bestemmingsplan "Strand en Duin". Het NAP is een objectief bepaalde standaard waar de werking van de zee geen invloed op heeft, zodat de hoogte van de begane grondvloer daarmee eveneens objectief bepaalbaar is. De Afdeling acht de partiële herziening derhalve in zoverre niet rechtsonzeker of onduidelijk.

Voor zover [appellant] betoogt dat het vaststellen van het peil in de praktijk moeilijk is en hij daarbij verwijst naar verleende omgevingsvergunningen, overweegt de Afdeling dat, wat hiervan ook zij, dit een kwestie van uitvoering is die in deze bestemmingsplanprocedure niet aan de orde kan komen.

10. Met betrekking tot het betoog van [appellant] dat onvoldoende is gemotiveerd waarom in de partiële herziening, anders dan in het bestemmingsplan "Strand en Duin", wel een stabiel en uitvoerbaar peil kan worden opgenomen, overweegt de Afdeling als volgt.

Anders dan [appellant] meent, heeft de raad vanwege het ten aanzien van keurvergunningen gehanteerde en gehandhaafde beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland in het bestemmingsplan "Strand en Duin" geen maximale hoogte voor de begane grondvloer van strandbebouwing opgenomen, en niet omdat het vaststellen van het peil niet mogelijk zou zijn. Omdat het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland veranderd is en de raad het bovendien ongewenst acht dat het bestemmingsplan als zodanig niet een dergelijke bepaling bevat, heeft de raad aanleiding gezien om de partiële herziening vast te stellen en zodoende een bepaling die betrekking heeft op de maximale bouwhoogte van de begane grondvloer van strandbebouwing in het bestemmingsplan op te nemen. Daarmee is van een onvoldoende motivering naar het oordeel van de Afdeling geen sprake.

Evenmin is sprake van een onjuiste motivering. De stelling van [appellant] dat in andere wet- en regelgeving al bepalingen omtrent de hoogte van strandbebouwing zijn opgenomen, wat hiervan ook zij, maakt niet dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om ook in het bestemmingsplan een regeling omtrent de maximale bouwhoogte van de begane grondvloer van strandbebouwing op te nemen.

11. [appellant] heeft voorts beoogd de omvang van het geschil uit te breiden door na afloop van de beroepstermijn ook nog de omvang van de partiële herziening aan te vechten door in zijn nadere stuk aan te voeren dat deze volgens hem ook had moeten zien op artikel 4, derde lid, onder d en e, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Strand en Duin". Binnen de beroepstermijn of, als een nadere termijn voor het aanvullen van de gronden is gegeven, uiterlijk binnen die termijn, dient vast te staan waartegen de beroepsgronden zijn gericht. Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede de rechtszekerheid van de andere partij, kan niet worden aanvaard dat de omvang van het geschil na afloop van die termijn wordt uitgebreid. Hetgeen in het nadere stuk alsnog met betrekking tot de partiële herziening naar voren is gebracht, moet daarom in deze procedure buiten beschouwing worden gelaten.

12. [appellant] heeft zich voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van zijn zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

13. Het beroep is ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.W.L. Simons-Vinckx, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovi?, ambtenaar van staat.

w.g. Simons-Vinckx w.g. Bošnjakovi?

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

410-667.