Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2863

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201201571/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor de oprichting van een motorcrossterrein aan de Radioweg ongenummerd te Stevensbeek.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6697
JOM 2013/564
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201571/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Milieuvereniging Land van Cuijk, gevestigd te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders Sint Anthonis,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 december 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor de oprichting van een motorcrossterrein aan de Radioweg ongenummerd te Stevensbeek.

Tegen dit besluit heeft Land van Cuijk beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2013, waar Land van Cuijk, vertegenwoordigd door W. Verbruggen, en het college, vertegenwoordigd door P. Wintjes, ing. M.P. Beurskens-Voermans en P.A. Jans, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Ter zitting is voorts [vergunninghouder], vertegenwoordigd door F.P.J. Aben, verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om een oprichtingsvergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

3. Land van Cuijk betoogt dat het college ten onrechte de twaalf wedstrijden die per jaar worden gehouden als incidentele bedrijfssituaties heeft aangemerkt, zodat deze bij de beoordeling van de geluidsoverlast niet zijn meegewogen.

3.1. Het college heeft bij de beoordeling van de van het motorcrossterrein te duchten geluidhinder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de Handreiking) toegepast.

In hoofdstuk 5, paragraaf 5.3, van de Handreiking is vermeld dat een ontheffing kan worden verleend om maximaal twaalf keer per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning.

3.2. De wedstrijden zijn, mede gelet op het verhandelde ter zitting, in aantal en qua tijdsduur, ondergeschikt aan de trainingen die twee dagdelen per week met een maximum van 7 uur en 45 minuten worden gehouden in de weken waarin geen wedstrijden worden georganiseerd. Voorts heeft [vergunninghouder] ter zitting onweersproken gesteld dat het houden van wedstrijden geen kernactiviteit van de club is. Onder deze omstandigheden heeft het college de wedstrijden in redelijkheid kunnen aanmerken als incidentele bedrijfssituaties.

De beroepsgrond faalt.

4. Land van Cuijk betoogt dat het college bij de beoordeling van de vergunningaanvraag voor zover het geluid betreft, geen goede belangenafweging heeft gemaakt, door onvoldoende te motiveren waarom kan worden afgeweken van de geldende standaard geluidsnormen. Land van Cuijk voert aan dat het motorcrossterrein 7 uur en 45 minuten per week geopend is, dat al twaalf jaar niet meer op het terrein wordt getraind en dat in die periode slechts incidenteel wedstrijden plaatsvonden. Voorts voert zij aan dat nog geen geluidswal is aangelegd en dat meer dan 95% van de deelnemers aan wedstrijden van buiten de gemeente Sint Anthonis komt. Omdat in een straal van 15 kilometer drie andere crossterreinen beschikbaar zijn, bestaat geen maatschappelijk belang bij verlening van de vergunning, aldus Land van Cuijk. Onder die omstandigheden heeft het college volgens Land van Cuijk ten onrechte een afwijking van de standaardnormen acceptabel geacht.

4.1. In de Handreiking is ten aanzien van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau bepaald dat zolang geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - zoals het geval is in de gemeente Sint Anthonis - bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking is opgenomen.

In hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn richtwaarden vermeld die zijn gerelateerd aan de aard van de woonomgeving en die tot uitgangspunt worden genomen bij het stellen van geluidgrenswaarden. Overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum etmaalwaarde van 55 dB(A) kan volgens de Handreiking in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces, waarbij geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

4.2. In de Handreiking is ten aanzien van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bepaald dat de richtwaarden voor landelijk gebied 40 dB(A) voor de dag- en 35 dB(A) voor de avondperiode bedragen. Uit het door RMB verrichte onderzoek van 1 juli 2008 blijkt dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid voor de woningen gelegen aan de Radioweg 3, 4 en 5 in de dag- en avondperiode 40 dB(A) bedraagt. Voor de overige woningen bedraagt het referentieniveau 45 dB(A) in de dag- en avondperiode. Het college heeft als resultaat van een bestuurlijke afweging een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 50 dB(A) etmaalwaarde aanvaardbaar geacht.

4.3. Het college heeft in redelijkheid dat standpunt kunnen innemen. Het heeft daarbij van belang mogen achten dat het motorcrossterrein beperkt is opengesteld, namelijk twee dagdelen per week met een maximum van 7 uur en 45 minuten, en dat het aantal motoren dat aan de trainingen deel mag nemen in voorschrift 4.2.3 is beperkt tot elf motoren op de grote baan en één motor op de jeugdbaan. De stelling van Land van Cuijk dat bewust voor deze tijden en aantallen is gekozen, zodat de inrichting niet in categorie 19.2 van bijlage I van het Inrichtingen- en vergunningbesluit milieubeheer valt, geeft, wat daarvan zij, geen grond voor het oordeel dat het college om die reden geen rekening had mogen houden met de beperkte openstelling van het motorcrossterrein. De beperkte openstelling is door [vergunninghouder] als zodanig aangevraagd. Dat het gebruik dat van het motorcrossterrein is gemaakt de afgelopen twaalf jaren minder intensief is geweest dan de thans vergunde situatie, geeft om die reden evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Voorts heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat geluiddempende maatregelen worden toegepast overeenkomstig het "convenant geluidsreductie crossmotoren". Naar het college ter zitting onweersproken heeft gesteld is inmiddels een geluidswal met daarin een geluiddempende sluis aangelegd. De omstandigheid dat, naar Land van Cuijk stelt, het grootste gedeelte van de wedstrijddeelnemers van buiten de gemeente Sint Anthonis komt en dat in de nabije omgeving andere crossterreinen zijn opgericht, zodat er geen maatschappelijk belang bestaat bij verlening van de vergunning, is niet relevant voor de afweging die het college heeft gemaakt. Het college heeft in het besluit van 19 december 2011 terecht overwogen dat de vergunning ingevolge artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

De beroepsgrond faalt.

5. Land van Cuijk betoogt dat het in het aan de oprichtingsvergunning ten grondslag gelegde akoestisch onderzoek voor het motorcrossterrein van 2 november 2010 (hierna: het akoestisch onderzoek) gebruikte bronniveau van de motoren te laag is, omdat door haar rekenkundig is aangetoond dat hogere bronniveau's gebruikt moeten worden.

5.1. Het akoestisch onderzoek is, naar het college in het verweerschrift heeft toegelicht, gebaseerd op geluidsmetingen bij diverse situaties en verschillende motoren waarbij het gemiddelde geluidsniveau is vastgesteld. Dat niveau is vervolgens gebruikt voor de in het akoestisch onderzoek opgenomen berekeningen van de geluidsbelasting. Anders dan in de door Land van Cuijk berekende geluidsbelasting is daarbij rekening gehouden met de omstandigheden die het geluidsniveau gedurende het crossen beïnvloeden, waaronder de belasting en het toerental van de motoren en de vermoeidheid van de rijders gedurende een rit. De hierbij berekende geluidsniveaus komen grotendeels overeen met de gemiddelde resultaten van de door RMB op 11 juli 2010 uitgevoerde controlemeting. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen Land van Cuijk aanvoert geen grond voor het oordeel dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte is uitgegaan van onjuiste bronvermogens van de crossmotoren.

Land van Cuijk betoogt evenzeer tevergeefs dat in het akoestisch onderzoek geen rekening is gehouden met de in het circuit aanwezige bochten. Zoals hierboven is overwogen, heeft het college in het akoestisch onderzoek de gemiddelde geluidsniveaus berekend. Uit de in het akoestisch onderzoek opgenomen bijlagen met daarop de plattegrond van het motorcrossterrein blijkt dat, verdeeld over het gehele terrein, 103 meetpunten zijn gebruikt. Het berekende geluidsniveau betreft een gemiddelde waarin de bochten, rechte stukken en de springheuvels zijn opgenomen.

6. Voor zover Land van Cuijk in beroep opnieuw verwijst naar de door haar ingediende zienswijze met betrekking tot de door de springschans veroorzaakte geluidsbelasting en de aanwezigheid van beschermde dieren rondom het plangebied, geldt dat het college in het in beroep bestreden besluit op deze zienswijze is ingegaan. Land van Cuijk heeft niet uiteengezet, dat en waarom deze reactie onjuist dan wel onvolledig is.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Huijben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

313-724.