Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2861

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201107517/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201107517/1/R3.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de naamloze vennootschap N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, gevestigd te Rotterdam,

2. [appellant sub 2], wonend te Sint-Oedenrode,

3. [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 3]), beiden wonend te Son, gemeente Son en Breugel,

4. [appellant sub 4], wonend te Son, gemeente Son en Breugel,

5. [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 5]), beiden wonend te Son, gemeente Son en Breugel,

en

de raad van de gemeente Son en Breugel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2], [appellant sub 3] en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 augustus 2012, waar [appellant sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], [appellant sub 4], bijgestaan door mr. M. Brüll, advocaat te Helmond, [appellant sub 5A], bijgestaan door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.C. Groeneveld, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 24 oktober 2012 in zaak nr. 201107517/1/T1/R3 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 28 april 2011 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad het besluit van 28 april 2011 deels vervangen en voorzien van een nadere motivering.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun zienswijze over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld, naar voren te brengen. [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben daarvan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het beroep van [appellant sub 4]

1. Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad heeft nagelaten een afweging te maken of het permanente gebruik van de gronden met de bestemming "Agrarisch" achter het perceel [locatie 1] ten behoeve van het wegenbouwbedrijf van [appellant sub 4] voor het opslaan van teelaarde en het herplanten van bomen toelaatbaar is.

De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder overweging 6.3. deze afweging alsnog te maken en bij een bevestigend antwoord voor dit plandeel een andere bestemming of andere planregel vast te stellen.

1.1. De raad heeft ter uitvoering van de opdracht voormelde afweging gemaakt en zich daarbij op het standpunt gesteld dat het bij recht toelaten van het gebruik met zich brengt dat aan de desbetreffende gronden een bedrijfsbestemming moet worden toegekend. Volgens de raad is dit ongewenst, omdat deze bestemming ook andere bedrijfsactiviteiten mogelijk maakt en dit, gelet op de ligging van het perceel in de nabijheid van het Dommeldal, niet gewenst is.

2. [appellant sub 4] voert aan dat de raad niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in de tussenuitspraak. De raad heeft geen afweging gemaakt over de toelaatbaarheid van het bestaande gebruik van de gronden achter het perceel aan de [locatie 1], die niet zijn voorzien van de aanduiding "bouwvlak", voor het opslaan van teelaarde en het herplanten van bomen. Volgens [appellant sub 4] stelt de raad zich ten onrechte op het standpunt dat in een bedrijfsbestemming voor de gronden zou moeten worden voorzien om dit gebruik mogelijk te maken. De raad heeft niet gemotiveerd waarom de ligging van het perceel in de weg staat aan het bij recht toestaan van het bestaande gebruik. Voorts gaat de raad er ten onrechte vanuit dat het herplanten van bomen op de locatie aan de Ekkersrijt mogelijk is.

2.1. De Afdeling overweegt dat de raad een afweging had moeten maken over de toelaatbaarheid van het bestaande gebruik voor het opslaan van teelaarde en het herplanten van bomen. De raad heeft echter een afweging gemaakt over de toelaatbaarheid van bedrijfsmatige activiteiten die ingevolge een bedrijfsbestemming voor de gronden mogelijk zijn. Niet valt in te zien dat het bestaande gebruik alleen mogelijk kan worden gemaakt door in een bedrijfsbestemming te voorzien. Voorts gaat de raad, door te stellen dat het gebruik voor het opslaan van teelaarde en het herplanten van bomen op de locatie aan de Ekkersrijt kan worden voortgezet, eraan voorbij dat hij alleen had moeten bezien of het gebruik toelaatbaar is op het perceel aan de [locatie 1]. Voor zover de raad stelt dat dit gebruik zich niet verdraagt met de aanwezigheid van het Dommeldal dat in de nabijheid ligt, overweegt de Afdeling dat de raad dit standpunt niet met argumenten heeft onderbouwd. Gelet hierop heeft de raad niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling in de tussenuitspraak. Het besluit is derhalve ook thans nog in zoverre onvoldoende gemotiveerd, zodat geen aanleiding bestaat om in zoverre de rechtsgevolgen in stand te laten.

3. Het beroep van [appellant sub 4] is, gelet op overweging 9 van de tussenuitspraak, gegrond. Het besluit van 28 april 2001 dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de gronden achter het perceel aan de [locatie 1]. De raad dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. In dit geval acht de Afdeling het niet nodig om bij de voorbereiding van het nieuwe besluit de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) opnieuw te doorlopen. Gelet hierop zal de Afdeling een termijn stellen van 16 weken.

Het beroep van [appellant sub 3]

4. Bij tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de raad bij de vaststelling van het plan rekening had moeten houden met de voorgenomen bouw en de beoogde locatie van de akkerbouwloods op het perceel aan de Brouwerskampweg ongenummerd, tegenover [locatie 2]. Voorts heeft de Afdeling bij die uitspraak overwogen dat de raad echter bij de toekenning van een gekoppeld bouwblok van deze locatie is afgeweken wegens de ligging hiervan ten opzichte van het aanwezige waterwingebied. Niet gebleken is op welke wijze hij daarbij rekening heeft gehouden met de bedrijfsbelangen van [appellant sub 3].

4.1. De Afdeling heeft de raad opgedragen om binnen zestien weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen is overwogen onder overweging 5.3. het bestreden besluit te wijzigen, zonder toepassing te geven aan afdeling 3.4 van de Awb, door op de verbeelding voor het perceel aan de Brouwerskampweg ongenummerd, tegenover [locatie 2], te Son te voorzien in een gekoppeld bouwvlak dat in overeenstemming is met de locatie en de omvang van de akkerbouwloods op de situatietekening bij het besluit van het college van burgemeester en wethouders van 19 juni 2012 tot het verlenen van een bouwvergunning eerste fase.

4.2. Bij besluit van 7 februari 2013 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak op de verbeelding voor het perceel aan de Brouwerskampweg ongenummerd, tegenover [locatie 2], voorzien in de aanduiding "bouwvlak", dat in overeenstemming is met de locatie en de omvang van de akkerbouwloods op voormelde situatietekening, met de aanduiding "relatie". Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van het geding tussen [appellant sub 3] en de raad.

5. [appellant sub 3] voert aan dat het bouwvlak niet overeenkomt met een bouwplan waarvoor eerder van rechtswege bouwvergunning is verleend. Voorts is volgens [appellant sub 3] het perceel aan de [locatie 3] voor een vergroting van het bouwvlak in aanmerking gekomen en heeft de raad in zoverre in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door in dit geval geen groter bouwvlak toe te kennen. Tot slot is het bouwvlak ten onrechte gekoppeld aan het bouwvlak op het perceel aan de [locatie 2].

5.1. [appellant sub 3] heeft in zijn beroepschrift en het door hem bij brief van 11 april 2012 nader ingediende stuk te kennen gegeven dat hij een bouwvlak wenst dat in overeenstemming is met het bouwvlak op de situatietekening bij de aanvraag van 3 februari 2010 om een bouwvergunning die bij voormeld besluit van 19 juni 2012 is ingewilligd. In de tussenuitspraak is de raad opgedragen op de verbeelding in dit bouwvlak te voorzien.

Voor zover [appellant sub 3] zich met het bovenstaande, voor zover dat ziet op de locatie en de omvang van het bouwvlak, keert tegen de overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behoudens zeer uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een zeer uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel moet worden uitgegaan.

Voor zover [appellant sub 3] in het beroepschrift ook heeft beoogd op te komen tegen de koppeling van het nieuwe bouwvlak aan het bouwvlak op het perceel aan de [locatie 2], overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er aanleiding is om in een koppeling te voorzien, omdat het gebruik van dit bouwvlak ten dienste zal staan aan het bedrijf op het perceel [locatie 2].

6. Voorts voert [appellant sub 3] aan dat het bouwvlak op het perceel aan de [locatie 2] is verkleind ten opzichte van het bouwvlak op dit perceel dat in het vorige bestemmingsplan was voorzien.

6.1. De Afdeling overweegt dat [appellant sub 3] hiermee zijn beroepsgronden heeft uitgebreid met een nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgrond. Nu [appellant sub 3] door het besluit van 7 februari 2013 ten aanzien van het plandeel waarop deze nieuwe beroepsgrond betrekking heeft, niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, kan, gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting, dat ook ten grondslag ligt aan artikel 6:13 van de Awb, alsmede de rechtszekerheid, niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die reeds tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht. Dit betekent dat hetgeen [appellant sub 3] in zoverre aanvoert, buiten inhoudelijke bespreking blijft.

7. Het beroep van [appellant sub 3] is, gelet op overweging 9 van de tussenuitspraak, gegrond, voor zover gericht tegen het besluit van 28 april 2011. Dit besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de aanduidingen "bouwvlak" en "relatie" voor de gronden op het perceel aan de Brouwerskampweg ongenummerd, tegenover [locatie 2].

Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 3], voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2013, ongegrond.

De beroepen van Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, [appellant sub 2] en [appellant sub 5]

8. De beroepen van Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, [appellant sub 2] en [appellant sub 5] zijn, gelet op de overwegingen 3.1, 4.1 en 7.3, 7.4 en 8.3, van de tussenuitspraak, ongegrond.

Proceskostenveroordeling

9. De raad dient ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van de beroepen van Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, [appellant sub 2] en [appellant sub 5] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], voor zover gericht tegen het besluit van 28 april 2011, en het beroep van [appellant sub 4] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Son en Breugel van 28 april 2011, voor zover het betreft:

a. de aanduidingen "bouwvlak" en "relatie" voor de gronden op het perceel aan de Brouwerskampweg ongenummerd, tegenover [locatie 2];

b. het plandeel met de bestemming "Agrarisch" voor de gronden achter het perceel aan de [locatie 1];

III. draagt de raad van de gemeente Son en Breugel op om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit tot herziening van het plan voor het onderdeel genoemd onder II, sub b, te nemen en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

IV. verklaart de beroepen van de naamloze vennootschap N.V. Rotterdam-Rijn Pijpleiding Maatschappij, [appellant sub 2] en [appellant sub 5A] en [appellant sub 5B] ongegrond;

V. verklaart het beroep van [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], voor zover gericht tegen het besluit van 7 februari 2013, ongegrond;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Son en Breugel tot vergoeding van de in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. aan [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B] tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

b. aan [appellant sub 4] tot een bedrag van € 986,32 (zegge: negenhonderdzesentachtig euro en tweeëndertig cent), waarvan € 944,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Son en Breugel het door appellanten voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 3A] en [appellante sub 3B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander; en

b. € 152,00 (zegge: honderdtweeënvijftig euro) voor [appellant sub 4].

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Lap

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

288-629.