Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201209594/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 april 2011 heeft het dagelijks bestuur besloten om tot invordering over te gaan van een door de Stichting verbeurde dwangsom ten bedrage van € 25.000,00.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/398 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209594/1/A1.

Datum uitspraak: 12 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Stichting de Ceintuurbaan (hierna: de Stichting), gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 24 augustus 2012 in zaak nr. 12/1223 in het geding tussen:

de Stichting

en

het dagelijks bestuur van het stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2011 heeft het dagelijks bestuur besloten om tot invordering over te gaan van een door de Stichting verbeurde dwangsom ten bedrage van € 25.000,00.

Bij besluit van 31 januari 2012 heeft het dagelijks bestuur het door de Stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 augustus 2012 heeft de rechtbank het door de Stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de Stichting hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 mei 2013, waar de Stichting, vertegenwoordigd door M.M. van Gellekom en J.L. van de Graaf, bijgestaan door mr. G.H. Schoorl, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door M.G. Spiegelenburg, werkzaam bij het stadsdeel Zuid, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 13 oktober 2010 heeft het dagelijks bestuur de Stichting onder oplegging van een dwangsom van € 25.000,00 ineens, gelast om binnen een termijn van een maand de berging op de vierde verdieping van het pand op het perceel Ceintuurbaan 428 te Amsterdam terug te brengen naar de oorspronkelijke situatie. Dit besluit is in rechte onaantastbaar. Niet in geschil is dat de overtreding niet binnen de begunstigingstermijn is beëindigd, zodat de dwangsom van rechtswege is verbeurd.

2. De Stichting betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld, dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe nopen om geheel of gedeeltelijk van de invordering af te zien. Daartoe voert zij aan dat de rechter niet hoeft te toetsen of er een bijzondere omstandigheid is, omdat het dagelijks bestuur slechts niet gepubliceerd informeel beleid heeft gevolgd. Voorts heeft het dagelijks bestuur de indruk gewekt dat over de te betalen dwangsom onderhandeld kon worden, gelet op een e-mailbericht van 21 januari 2011 en een overleg van 29 september 2011. Voorts voert zij aan dat zij ten tijde van het nemen van het invorderingsbesluit met het dagelijks bestuur in overleg was over het alsnog legaliseren van de zolderwoning.

2.1. Ingevolge artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) beslist het bestuursorgaan alvorens aan te manen tot betaling van de dwangsom omtrent de invordering ervan.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201106121/1/A1), dient bij een besluit omtrent invordering van een verbeurde dwangsom, aan het belang van de invordering zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een besluit tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

2.3. Bezien dient te worden of zich bijzondere omstandigheden voordoen waarin geheel of gedeeltelijk van invordering kan worden afgezien.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de gestelde handelswijze van het dagelijks bestuur niet een dergelijke bijzondere omstandigheid vormt.

In de e-mail van een medewerker van het stadsdeel van 21 januari 2011, is vermeld dat, omdat de aanvraag om omgevingsvergunning van 9 november 2010 buiten behandeling is gesteld, zal worden overgegaan tot invordering van de dwangsom indien niet binnen enkele dagen een nieuwe aanvraag wordt gediend. Deze e-mail kan niet worden aangemerkt als een door het dagelijks bestuur concrete en ondubbelzinnige toezegging, gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De mededeling van de eigen architect van de Stichting, dat de aanvraag van 9 november 2010 nog wel in behandeling was, komt voor haar eigen risico. Het had op haar weg gelegen om naar aanleiding van de e-mail contact met het dagelijks bestuur op te nemen. Verder heeft de Stichting niet binnen enkele dagen een nieuwe aanvraag ingediend. Voorts heeft het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt gesteld, dat het overleg over verlening van een omgevingsvergunning geen betrekking had op de zonder vergunning gerealiseerde woonruimte in de berging op de vierde verdieping, maar op het realiseren van een nieuwe zelfstandige woning met dakterras ter hoogte van de vierde verdieping. Ook de gestelde opmerkingen gemaakt door medewerkers tijdens een informeel overleg van 29 september 2011 kunnen niet als een toezegging als hiervoor omschreven worden aangemerkt. De uitnodiging om een voorstel te doen ten aanzien van de verbeurde dwangsom, betrof enkel een geboden mogelijkheid om bijzondere omstandigheden aan de orde te stellen.

Gelet op het vorengaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het dagelijks bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen aanleiding was om van gehele of gedeeltelijke invordering van de verbeurde dwangsom af te zien.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Soede

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2013

270-736.