Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2839

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201303423/1/A1 en 201303423/2/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de werktuigenberging op het perceel [locatie] te Kootwijkerbroek, kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie [.],

nr. [….], (hierna: het perceel), voor 1 augustus 2012 te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303423/1/A1 en 201303423/2/A1.

Datum uitspraak: 6 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de

Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) en (met toepassing van artikel 8:86 van die wet) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kootwijkerbroek, gemeente Barneveld,

appellant,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 8 maart 2013 in de

zaken nrs. 12/6137 en 12/6138 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Barneveld.

Procesverloop

Bij besluit van 12 juni 2012 heeft het college [appellant] op straffe van een dwangsom gelast de werktuigenberging op het perceel [locatie] te Kootwijkerbroek, kadastraal bekend gemeente Garderen, sectie [.],

nr. [….], (hierna: het perceel), voor 1 augustus 2012 te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Tevens heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[partij A] en [partij B] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college en [partij A] en [partij B] hebben elk nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J. Brink, werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Tevens is daar [partij A] gehoord.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Niet in geschil is dat de aanwezigheid van de werktuigenberging, waar de last op ziet, in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2000" en voor het oprichten ervan geen omgevingsvergunning is verleend. Het college kon daartegen derhalve handhavend optreden.

3. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat daartegen handhavend kan optreden in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het dat niet doen. Dit kan zich voordoen, indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat in verband daarmee van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

4. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat concreet zicht op legalisering van de werktuigenberging bestaat, nu hij op 25 juni 2012 een verzoek om herziening van het bestemmingsplan heeft ingediend en hij van het college de toezegging heeft gekregen dat het daar onder voorwaarden aan wil meewerken. Verder heeft de voorzieningenrechter miskend dat het college hem heeft toegezegd dat de begunstigingstermijn van de last zal worden verlengd, totdat een besluit op zijn verzoek om herziening van het bestemmingsplan zal zijn genomen.

4.1. Vast staat dat ten tijde van het besluit van 25 oktober 2012 met betrekking tot het perceel geen voorbereidingsbesluit was genomen of een ontwerp van een gewijzigd bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee de illegale werktuigenberging zou worden gelegaliseerd. De voorzieningenrechter heeft de gestelde omstandigheid dat [appellant] ten tijde van belang een aanvraag om herziening van het bestemmingsplan had ingediend onder die omstandigheden terecht onvoldoende geacht om concreet zicht op legalisering aan te nemen. Ook de principetoezegging in de brief van het college van 5 april 2013 levert dit concrete zicht niet op, reeds omdat die brief van ruim na dat besluit dateert.

De voorzieningenrechter heeft terecht overigens evenmin bijzondere omstandigheden aangenomen die het college hadden moeten doen afzien van het handhavend optreden. Daartoe is van belang dat [appellant] zijn - zijdens het college weersproken - stelling dat het college hem heeft toegezegd dat de begunstigingstermijn wordt verlengd, totdat op zijn verzoek om herziening van het bestemmingsplan is besloten, niet aannemelijk heeft gemaakt.

Voor zover [appellant] verder heeft aangevoerd dat de handhaving onredelijk is, heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat het college de gevolgen van het feit dat hij de werktuigenberging heeft opgericht, zonder over een bouwvergunning te beschikken, voor zijn rekening heeft mogen laten.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Bolleboom

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2013

641.