Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2834

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2013
Datum publicatie
12-06-2013
Zaaknummer
201302775/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 5.1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2013/206
JV 2013/267
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302775/1/V3.

Datum uitspraak: 3 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2013 in zaak nr. 13/6181 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2013 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 21 maart 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2012 (zaak nr. 201210846/1/V3), overwogen dat bij Dublinclaimanten het gevaar dat zij zich zullen onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, in beginsel gegeven is, zodat de belangenafweging in beginsel in hun nadeel zal uitvallen. De staatssecretaris heeft volgens de rechtbank het risico dat de vreemdeling zich niet zou melden op het moment dat de daadwerkelijke overdracht aan de Franse autoriteiten in zicht kwam, niet hoeven aanvaarden.

2. In de tweede grief klaagt de vreemdeling, samengevat weergegeven, dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat de staatssecretaris bij zijn inbewaringstelling niet, althans niet afdoende, kenbaar rekening heeft gehouden met zijn minderjarigheid en de door hem naar voren gebrachte omstandigheden.

Hij betoogt hiertoe dat de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in het kader van zijn belangenafweging niet heeft mogen volstaan met een enkele verwijzing naar zijn hoedanigheid van Dublinclaimant. Hij verwijst in dit verband naar de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 27 december 2012, waarin is overwogen dat uit het bepaalde in paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) voortvloeit dat de staatssecretaris ook een belangenafweging dient te maken bij inbewaringstelling van een Dublinclaimant indien deze omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan hij van mening is dat hij niet in bewaring mag worden gesteld.

Hierbij is tevens van belang dat hij minderjarig is, aldus de vreemdeling, nu de staatssecretaris het beleid voert dat bij de inbewaringstelling van minderjarigen uiterste terughoudendheid past. Uit de brief van de staatssecretaris inzake de monitoring van nieuw beleid ten aanzien van de beperking van bewaring van alleenstaande minderjarige vreemdelingen aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 27 062, nr. 86) van 20 december 2012 kan voorts niet worden opgemaakt dat een minderjarige Dublinclaimant in bewaring mag worden gesteld op de enkele grond van de veronderstelling dat hij zich aan uitzetting zal onttrekken.

Volgens de vreemdeling weegt de enkele omstandigheid dat hij wordt aangemerkt als Dublinclaimant niet op tegen zijn minderjarigheid en de door hem naar voren gebrachte individuele omstandigheden. Hij wijst er in dit verband op dat hij van aanvang af te kennen heeft gegeven terug te willen naar Frankrijk, dat hij volledige medewerking aan zijn overdracht heeft geleverd en dat hij hier ook alle belang bij heeft gelet op de voogdijzitting die op 15 maart 2013 in Frankrijk zou plaatsvinden. Bij zijn inbewaringstelling is bovendien door de betrokken ambtenaar te kennen gegeven dat hij in bewaring is gesteld teneinde te voorkomen dat hij op straat zou belanden, aldus de vreemdeling.

2.1. Niet in geschil is dat op het moment van inbewaringstelling concrete aanknopingspunten bestonden dat de vreemdeling op grond van de Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend, aan een andere lidstaat van de Europese Unie zou kunnen worden overgedragen. Evenmin is in geschil dat de vreemdeling ten tijde van de inbewaringstelling en gedurende de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring minderjarig was.

2.2. In artikel 37, aanhef en onder b, van het Verdrag inzake de rechten van het kind is bepaald dat de Staten die partij zijn, waarborgen dat geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur.

2.3. Volgens paragraaf A6/5.3.3.6 van de Vc 2000, zoals deze paragraaf luidde ten tijde van belang, is het mogelijk om een Dublinclaimant op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring te stellen. Voor de toepassing van deze bewaringsgrond is het noodzakelijk dat er een belangenafweging plaatsvindt (zie A6/5.3.3.5). Bij overname- en terugnameverzoeken is de belangenafweging in beginsel al gegeven, nu de betrokken vreemdeling reeds eerder is vertrokken uit de lidstaat zonder af te wachten welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek (overname), dan wel uit de lidstaat is vertrokken die zich reeds verantwoordelijk had verklaard voor de behandeling van zijn asielverzoek (terugname). Het gegeven dat er gevaar bestaat dat de vreemdeling zich zal onttrekken aan het toezicht voordat de overdracht geëffectueerd kan worden, is dus in beginsel altijd aanwezig bij Dublinclaimanten.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 9 oktober 2012 in zaak nr. 201203318/1/V3) volgt uit het bepaalde in paragraaf A6/5.3.3.6. van de Vc 2000, zoals deze paragraaf luidde ten tijde van belang, evenwel dat ruimte bestaat om te beoordelen of de door de vreemdeling naar voren gebrachte omstandigheden aanleiding geven van het tegendeel uit te gaan.

2.4. Volgens paragraaf A6/1.5 van de Vc 2000, zoals deze paragraaf luidde ten tijde van belang, dient een versterkte mate van terughoudendheid te worden betracht bij vrijheidsontneming van minderjarigen. Dit brengt met zich mee dat er extra aandacht zal moeten zijn voor de mogelijkheid van het gebruik van minder ingrijpende maatregelen dan vrijheidsontneming. In de brief van de staatssecretaris van 20 december 2012 staat hieromtrent voorts nog het volgende vermeld:

"De kern van dit nieuwe beleid is dat bij het in vreemdelingenbewaring stellen van alleenstaande minderjarigen uiterste terughoudendheid past. Nog meer dan bij volwassenen het geval is, geldt dat bewaring alleen in uiterste gevallen mag worden toegepast en voor een zo kort mogelijke duur. Bij de afweging tussen het belang van de amv om diens vrijheid te behouden en het belang van de overheid om door toepassing van detentie diens beschikbaarheid te garanderen wordt nog meer dan voorheen grote waarde toegekend aan het eerstgenoemde belang. Daarom is vreemdelingenbewaring van amv's alleen nog mogelijk als de overheid zwaarwegende belangen heeft om de beschikbaarheid van de minderjarige volledig te garanderen.

[ … ]

Het is niet mogelijk gebleken om in de periode ná de beschreven beleidsaanpassing een categorie of groep minderjarige vreemdelingen aan te wijzen of te volgen die voorheen wel in bewaring zou zijn gesteld, maar onder het gewijzigde beleid niet. Of vreemdelingenbewaring is aangewezen is immers een individuele afweging, waarbij niet enkel wordt gekeken naar de criteria in het beleid, maar daarbinnen ook naar de individuele omstandigheden van de vreemdeling. Bewaring vond en vindt niet categorisch plaats."

2.5. Gelet op het beleid dat de staatssecretaris voert ten aanzien van minderjarige vreemdelingen, dient voorafgaande aan de inbewaringstelling van minderjarige vreemdelingen een concrete afweging plaats te vinden met betrekking tot het toepassen van de maatregel in relatie tot de minderjarigheid, ongeacht of de betrokken vreemdeling tevens kan worden aangemerkt als Dublinclaimant. Het dossier dient zowel uit een oogpunt van kenbaarheid als uit een oogpunt van toetsbaarheid stukken te bevatten die uitdrukkelijk blijk geven van de verrichte belangenafweging die volgens het beleid is vereist.

2.6. In de maatregel van bewaring van 4 maart 2013 is ter motivering verwezen naar artikel 5.1a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. De verdere motivering van het besluit ziet hier ook op. Voor het overige is in het dossier geen motivering terug te vinden. Pas ter zitting is de staatssecretaris ingegaan op de minderjarigheid van de vreemdeling en verwijst hij naar het beleid zoals dat is neergelegd in de Vc 2000 en de brief van 20 december 2012.

Uit de dossierstukken kan niet worden opgemaakt dat de staatssecretaris voorafgaand aan de inbewaringstelling vorenbedoelde concrete afweging heeft verricht. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De tweede grief slaagt.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 4 maart 2013 van de staatssecretaris alsnog gegrond verklaren. Nu de vrijheidsontnemende maatregel reeds is opgeheven, kan een daartoe strekkend bevel achterwege blijven. Aan de vreemdeling wordt met toepassing van artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000 na te melden vergoeding toegekend over de periode van 4 maart 2013 tot 27 maart 2013, de dag waarop de inbewaringstelling van de vreemdeling is opgeheven.

4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 21 maart 2013 in zaak nr. 13/6181;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van €1.810,00 (zegge: achttienhonderdtien euro), ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de secretaris van de Raad van State;

V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.416,00 (zegge: veertienhonderdzestien euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. D. Roemers en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2013

480-777.