Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2103

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201206426/1/V6
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft de minister het verzoek van [verzoeker] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201206426/1/V6.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 juni 2012 in zaak nr. 11/1290 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te Haren

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2011 heeft de minister het verzoek van [verzoeker] om haar het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 16 november 2011 (hierna: het besluit van 16 november 2011) heeft de minister het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2012 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 november 2011 vernietigd en bepaald dat de minister opnieuw op het gemaakte bezwaar dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), hoger beroep ingesteld.

[verzoeker] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 februari 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.

2. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4 van deze wet, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

Ingevolge artikel 23 kunnen bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van de RWN.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, aanhef en onder a, b en e, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap verstrekt de verzoeker bij de indiening van het naturalisatieverzoek betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot zijn geslachtsnaam en voornaam of voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland, en nationaliteit.

Ingevolge het vijfde lid kan de autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook de minister, verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zonodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten.

Volgens de Handleiding voor de toepassing van de RWN (hierna: de Handleiding) dient een verzoeker een geldig buitenlands reisdocument en buitenlandse akten van de burgerlijke stand, waaronder een buitenlandse geboorteakte over te leggen.

De Handleiding vermeldt voorts dat een verzoeker in beginsel een geldig buitenlands reisdocument dient over te leggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit dient niet alleen te geschieden in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand. Indien de verzoeker niet in het bezit is van een geldig buitenlands reisdocument en houder is van een verblijfsvergunning asiel, of staatloos is, mag hij óf een vluchtelingenpaspoort óf een vreemdelingenpaspoort overleggen. Is de verzoeker houder van een regulier verblijfsrecht (dit is alles dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is), dan moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument worden overgelegd, tenzij de verzoeker met ‘staatloos’ in de gemeentelijke basisadministratie is opgenomen. Dit geldt met ingang van 1 mei 2009 ook voor houders van een regulier verblijfsrecht, die bij de verlening en/of verlenging van het verblijfsrecht door de Immigratie- en Naturalisatiedienst zijn vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort), tenzij de hier bedoelde verzoeker op onderstaand beschreven wijze aantoont dat hij door de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig buitenlands reisdocument.

Van het vereiste van het overleggen van een geldig buitenlands reisdocument (paspoort) is vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. In bewijsnood is een verzoeker die een schriftelijke verklaring overlegt van de autoriteiten van het land waarvan hij onderdaan is, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de desbetreffende verzoeker niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig buitenlands reisdocument. Indien een verzoeker voornoemde verklaring niet kan overleggen, toont hij met andere bewijsstukken aan dat hij al het mogelijke heeft gedaan om in het bezit te komen van een geldig buitenlands reisdocument, aldus de Handleiding.

Verder is in de Handleiding vermeld dat van het vereiste van het overleggen van gelegaliseerde uit het buitenland afkomstige documenten kan worden vrijgesteld de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is dergelijke documenten over te leggen en dat, indien geen sprake is van bewijsnood, geen vrijstelling wordt verleend. Bewijsnood zal zich volgens de Handleiding met name voordoen in het geval dat registers van de burgerlijke stand in het land waar de documenten vandaan moeten komen niet bestaan dan wel onvolledig zijn, alsmede wanneer in het land in kwestie geen stukken kunnen worden verkregen vanwege de op dat moment bestaande politieke situatie.

3. De staatssecretaris heeft het verzoek van [verzoeker] om verlening van het Nederlanderschap afgewezen omdat haar identiteit en nationaliteit niet kunnen worden vastgesteld. Niet in geschil is dat [verzoeker] bij haar verzoek geen geldig buitenlands paspoort en geen gelegaliseerde geboorteakte heeft overgelegd.

4. De staatssecretaris betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij [verzoeker] niet heeft vrijgesteld van de in de Handleiding neergelegde eis documenten over te leggen om haar identiteit en nationaliteit aan te tonen. De staatssecretaris voert daartoe, onder verwijzing naar het Tussentijds Bericht Nationaliteiten 2009/1 van 12 februari 2009 (hierna: TBN 2009/1), aan dat hij van [verzoeker], die in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier, verstrekt wegens tijdsverloop in haar asielprocedure, heeft mogen vergen deze documenten over te leggen. Daaraan doet, aldus de staatssecretaris, niet af dat de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Breda, in de uitspraak van 20 mei 2003 in zaken nrs. 02/28041 en 02/28046 (hierna: de uitspraak van 20 mei 2003) heeft overwogen dat [verzoeker] bij gedwongen terugkeer naar Azerbeidzjan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en het besluit, strekkende tot ongegrondverklaring van het door [verzoeker] gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van haar asielverzoek, heeft vernietigd. Aan [verzoeker] is nadien immers een verblijfsvergunning regulier verleend, waarna zij het door haar gemaakte bezwaar in de asielprocedure heeft ingetrokken. Voorts is, aldus de staatssecretaris, in deze zaak niet relevant dat hij niet op enig moment na de uitspraak van 20 mei 2003 heeft gepoogd aan te tonen dat [verzoeker] niet langer een reëel risico loopt als hiervoor bedoeld.

4.1. Volgens de Handleiding moet de houder van een regulier verblijfsrecht, hetgeen alles is dat niet een verblijfsrecht asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd is, in beginsel een buitenlands reisdocument overleggen. In de toelichting bij TBN 2009/1 staat dat door deze wijziging van de Handleiding houders van ongeacht welke reguliere verblijfsvergunning in het kader van het verzoek om optie of naturalisatie in beginsel niet langer worden vrijgesteld van het overleggen van een geldig buitenlands paspoort en een gelegaliseerde of van apostille voorziene buitenlandse geboorteakte. Gelet hierop is de aard van de verleende verblijfsvergunning bepalend voor het antwoord op de vraag of de staatssecretaris [verzoeker] in aanmerking diende te laten komen voor vrijstelling van de eis de gevraagde documenten over te leggen. Dit brengt met zich dat ook in een geval als hier aan de orde, waarin de naturalisandus beschikt over een verblijfsvergunning regulier op grond van tijdsverloop in de asielprocedure, is vereist dat deze documenten overlegt om zijn identiteit en nationaliteit aan te tonen. Zoals de staatssecretaris terecht betoogt, heeft [verzoeker] na de uitspraak van 20 mei 2003 het door haar gemaakte bezwaar in de asielprocedure ingetrokken, waarna zij in het bezit is gesteld van voormelde - reguliere - verblijfsvergunning. Bijgevolg kan [verzoeker] in het kader van deze naturalisatieprocedure, waar het gaat om vrijstelling van de eis documenten over te leggen om haar identiteit en nationaliteit aan te tonen, aan haar verblijfsstatus geen aanspraak op vrijstelling ontlenen.

Het betoog slaagt.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het besluit van 16 november 2011 worden getoetst in het licht van de daartegen in beroep voorgedragen beroepsgronden, voor zover die, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

6. [verzoeker] heeft betoogd dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zij niet in bewijsnood verkeert. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat zij de autoriteiten in Azerbeidzjan en de Azerbeidzjaanse ambassade te Den Haag heeft verzocht om afgifte van de gevraagde documenten, zonder resultaat. De staatssecretaris is er volgens [verzoeker] voorts ten onrechte aan voorbijgegaan dat, gelet op het thematisch ambtsbericht staatsburgerschaps- en vreemdelingenwetgeving in Azerbeidzjan van de minister van Buitenlandse Zaken van 30 maart 2010 (lees: juli 2011; hierna: het ambtsbericht), de registers van de burgerlijke stand in Azerbeidzjan niet bestaan dan wel onvolledig zijn en zij de gevraagde documenten derhalve niet kan verkrijgen. [verzoeker] voert daarnaast aan dat zij niet naar Azerbeidzjan kan reizen om de gevraagde documenten te verkrijgen, omdat zij daarbij een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. [verzoeker] heeft daartoe gewezen op de uitspraak van 20 mei 2003. [verzoeker] heeft verder aangevoerd dat zij geen in Azerbeidzjan woonachtige familieleden heeft en de staatssecretaris van haar dus evenmin heeft mogen vergen dat zij de gevraagde documenten tracht te verkrijgen met behulp van derden.

6.1. Volgens het ambtsbericht is van personen die voor meer dan 50% etnisch Armeens zijn of van wie meer dan alleen de vader of moeder etnisch Armeens is, die tot het midden van de jaren ’90 van de vorige eeuw zijn vertrokken uit Azerbeidzjan, bekend dat ze na hun vertrek zijn uitgeschreven uit hun woonplaats en daardoor feitelijk hun Azerbeidzjaanse staatsburgerschap hebben verloren. Nog daargelaten dat [verzoeker] heeft gesteld dat alleen haar moeder van Armeense afkomst is, heeft zij met de enkele verwijzing naar het ambtsbericht niet aangetoond dat als gevolg van een zogenoemde deregistratie haar persoonlijke gegevens niet meer voorkomen in het bevolkingsregister in Azerbeidzjan en zij feitelijk de Azerbeidzjaanse nationaliteit heeft verloren.

[verzoeker] heeft voorts niet aangetoond dat zij van de Azerbeidzjaanse autoriteiten geen gelegaliseerde geboorteakte en een paspoort kan verkrijgen. Dat zij zowel de autoriteiten in Azerbeidzjan als de Azerbeidzjaanse ambassade te Den Haag heeft verzocht om afgifte van de gevraagde documenten zonder een antwoord te hebben ontvangen, is daartoe onvoldoende. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat uit de algemene ambtsberichten inzake Azerbeidzjan van de minister van Buitenlandse Zaken van maart 2010 en mei 2012 niet blijkt dat het onmogelijk is van de Azerbeidzjaanse autoriteiten documenten te verkrijgen. Voorts wordt [verzoeker] niet gevolgd in haar betoog dat de staatssecretaris ten onrechte van haar heeft gevergd de Azerbeidzjaanse autoriteiten te benaderen, aangezien zij dat reeds uit eigen beweging heeft gedaan. Verder heeft [verzoeker] - anders dan door te verwijzen naar de uitspraak van 20 mei 2003 - niet gestaafd dat zij, zoals zij heeft gesteld, thans bij terugkeer naar Azerbeidzjan een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dat, naar [verzoeker] heeft gesteld, zij geen in Azerbeidzjan woonachtige familieleden heeft, laat onverlet dat zij de hulp van een - professionele - derde zou kunnen inroepen ter verkrijging van de gevraagde documenten. De gemachtigde van [verzoeker] heeft ter zitting van de Afdeling desgevraagd bevestigd dat [verzoeker] dat niet heeft gedaan.

Gelet op het vorenstaande heeft de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat, nu [verzoeker] niet al het mogelijke heeft gedaan om de gevraagde documenten te verkrijgen, zij niet in bewijsnood verkeert.

Het betoog faalt.

7. Het beroep van [verzoeker] tegen het besluit van 16 november 2011 is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 7 juni 2012 in zaak nr. 11/1290;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Oei

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

382-670.