Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2101

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201200543/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft het college een door de Faunabescherming ingediend verzoek om openbaarmaking van bij het college berustende kaarten van de jachtvelden binnen het werkgebied van de stichting Stichting Fauna Beheer Eenheid Veluwe afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2013/262 met annotatie van P.J. Stolk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201200543/1/A3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 22 december 2011 in zaak nr. 11/2649 in het geding tussen:

de stichting Stichting De Faunabescherming, gevestigd te Amstelveen

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2011 heeft het college een door de Faunabescherming ingediend verzoek om openbaarmaking van bij het college berustende kaarten van de jachtvelden binnen het werkgebied van de stichting Stichting Fauna Beheer Eenheid Veluwe afgewezen.

Bij besluit van 22 juni 2011 heeft het college het door de Faunabescherming daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 december 2011 heeft de rechtbank het door de Faunabescherming daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het college binnen vier weken na deze uitspraak de kaart "Veluwe Noord West" en "Zuid Oost Veluwe" geactualiseerd tot 2000, onderscheidenlijk 2010, openbaar maakt en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

De Faunabescherming heeft een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Faunabescherming en de Fauna Beheer Eenheid Veluwe, die met toepassing van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, hebben de Afdeling toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.H. Holterman, werkzaam bij de provincie, en de Faunabescherming, vertegenwoordigd door H. Aslander en ing. H. Stockmann, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de Fauna Beheer Eenheid Veluwe, vertegenwoordigd door drs. P.H. van Huffelen, als belanghebbende gehoord.

Het college heeft een ‘side letter’ overgelegd en voor dat stuk verzocht om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb. Bij beslissing van 22 januari 2013 heeft de geheimhoudingskamer van de Afdeling het verzoek om geheimhouding afgewezen en het college verzocht om de ‘side letter’ in te sturen opdat deze in het dossier wordt gevoegd.

Bij beslissing van 19 maart 2013 heeft de geheimhoudingskamer van de Afdeling een verzoek van het college om herziening van haar beslissing van 22 januari 2013 afgewezen. Het college is opnieuw verzocht om de ‘side letter’ in te sturen opdat deze in het dossier wordt gevoegd.

Het college heeft nadere stukken ingediend, waarin onder meer is vermeld dat is besloten de ‘side letter’ niet in te dienen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge artikel 10, tweede lid, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

a. (…)

b. (…)

c. (…)

d. (…)

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

f. (…)

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

2. Het college is in het bezit van verschillende gedigitaliseerde kaarten genaamd ‘Jachtvelden op de Veluwe 1993’. Deze zijn voor het leefgebied Veluwe Noord West geactualiseerd tot het jaar 2000 en voor het leefgebied Zuid Oost Veluwe tot het jaar 2010. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat uit deze kaarten in combinatie met openbaar toegankelijke gegevens uit onder meer het kadaster valt af te leiden welke grondeigenaren en jachthouders betrokken zijn of zijn geweest bij actief faunabeheer. Ook kan volgens het college met dezelfde kaarten relatief eenvoudig een beeld worden gevormd van locaties waar activiteiten in verband met faunabeheer plaatsvinden. Het bekend worden van deze gegevens kan leiden tot acties van dierenactivisten gericht tegen grondeigenaren of jachthouders, aldus het college. Verder acht het college het niet denkbeeldig dat openbaarmaking van de kaarten de samenwerking tussen het college en de andere bij het faunabeheer betrokken partijen negatief beïnvloedt. Het college heeft het verzoek van de Faunabescherming daarom afgewezen op grond van artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob.

3. De rechtbank heeft overwogen dat uit de kaarten als zodanig geen gegevens met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer van natuurlijke personen zijn af te leiden. Daarom is zij van oordeel dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob zich niet voordoet. Ook de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden ingeroepen, omdat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de kaarten de kans op acties van dierenrechtenactivisten vergroot dan wel deze acties eenvoudiger maakt.

4. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob niet van toepassing is. Daartoe voert het aan dat artikel 10, tweede lid, onder e, niet slechts betrekking heeft op persoonsgegevens of andere gegevens die direct inzicht geven in aspecten die behoren tot de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen. De bepaling strekt zich volgens het college ook uit tot de vraag of gegevens dergelijk inzicht geven in samenhang met andere informatie. Uit de kaart in combinatie met andere openbare gegevens valt af te leiden welke grondeigenaren en jachthouders betrokken zijn bij actief faunabeheer. Dat deze informatie ook kan worden verkregen door andere bronnen te raadplegen en de kaarten zelf niet de identiteitsgegevens van de betrokken natuurlijke personen omvatten, maakt niet dat bovengenoemde uitzonderingsgrond niet van toepassing is, aldus het college.

4.1. Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de door het college vertrouwelijk overgelegde documenten, stelt de Afdeling vast dat de door de Faunabescherming gevraagde kaarten de indeling van de jachtvelden, de grenzen en nummers daarvan, alsmede de begrenzing van de werkgebieden aangeven. Het college betoogt terecht dat artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob niet beperkt is tot persoonsgegevens als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 24 september 2008 in zaak nr. 200800614/1 is voor de vraag of openbaarmaking van gegevens in het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob kan worden geweigerd niet bepalend of sprake is van een persoonsgegeven als bedoeld in de Wbp. Bepalend is of bij openbaarmaking van een gegeven het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer aan de orde is en zo ja, of dat belang zwaarder dient te wegen dan het belang van de openbaarheid.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat zonder nadere motivering niet valt in te zien dat bij openbaarmaking van de kaarten het belang van de eerbieding van de persoonlijke levenssfeer van grondeigenaren en jachthouders die zijn betrokken bij actief faunabeheer aan de orde is. Uit de kaarten als zodanig volgen geen namen of adresgegevens van grondeigenaren en jachthouders. Het college heeft ter zitting bij de Afdeling te kennen gegeven dat het in een zogenoemde ‘side letter’ nader heeft toegelicht wat de unieke kenmerken zijn van de kaarten en hoe de openbaarheid daarvan in combinatie met andere reeds openbare bronnen kan leiden tot het achterhalen van die namen en adresgegevens. Deze ‘side letter’ heeft het college evenwel niet overgelegd. Het stuk behoort niet tot het dossier, zodat de Afdeling de daarin neergelegde nadere toelichting niet in haar oordeel kan betrekken. Met de ter zitting bij de Afdeling nader gegeven mondelinge toelichting op dit punt heeft het college niet aannemelijk gemaakt dat openbaarmaking van de kaarten leidt tot schending van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

De rechtbank heeft derhalve met juistheid overwogen dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob niet aan de orde is.

Het betoog faalt.

5. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob niet van toepassing is. Daartoe voert het aan dat het openbaar maken van gegevens die direct of indirect inzicht geven in de identiteit van jachthouders en faunabeheerders en de verdeling van het afschot over de jachtvelden, gerichte bedreiging en verstoring van concrete faunabeheershandelingen vereenvoudigt. Deze bedreiging of verstoring kan de samenwerking tussen het college en andere bij het faunabeheer betrokken partijen negatief beïnvloeden, aldus het college.

5.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat openbaarmaking van de kaarten de kans op acties van dierenactivisten vergroot dan wel vergemakkelijkt. De rechtbank heeft in dat kader terecht overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat de Veluwe is ingedeeld in jachtvelden, zodat niet valt in te zien dat kennis over de precieze verdeling daarvan dergelijke acties vergemakkelijkt. Het college heeft voorts zelf te kennen gegeven dat de eigendom van de gronden via andere bronnen, zoals het kadaster, eenvoudig is te achterhalen. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college nader toegelicht dat uit rapportages van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) volgt dat dierenactivisten gebruik maken van openbare gegevens. Zodra de indeling van de jachtvelden bekend is kan volgens het college gerichte verstoring van faunabeheeractiviteiten plaatsvinden. Het college heeft evenwel geen rapportages overgelegd van de AIVD waaruit dit blijkt. In zijn jaarverslag van 2010 constateert de AIVD dat zich een teruggang in de activiteiten van dierenactivisten voordoet in aantal en intensiteit. Volgens dat verslag hadden de activiteiten in 2010 voornamelijk een vreedzaam karakter. Uit het jaarverslag van de AIVD van 2011 volgt evenmin dat moet worden gevreesd voor acties van dierenactivisten. In het dossier bevinden zich verder geen stukken die tot een andere conclusie kunnen leiden.

Voor zover het college heeft betoogd dat de relatie met andere bij het faunabeheer betrokken partijen negatief wordt beïnvloed indien de kaarten openbaar worden gemaakt en dat openbaarmaking leidt tot terughoudendheid in de deelname aan faunabeheeractiviteiten, heeft de rechtbank daarin terecht geen aanleiding gezien voor een andersluidend oordeel, nu het college dat betoog niet heeft gestaafd met stukken.

De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de uitzonderingsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g, van de Wob niet aan de orde is.

Het betoog faalt.

6. Het college betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte zelf in de zaak heeft voorzien. Volgens het college beperkt de toetsing van de rechtbank zich tot de rechtmatigheid van bestuurlijke besluiten, waaruit voortvloeit dat zij terughoudend dient te zijn met het gebruik van haar bijzondere bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank had daarom het college op moeten dragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

6.1. Ingeval een besluit wordt vernietigd, dient de rechtbank de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil te onderzoeken. Daarbij dient zij onder meer te beoordelen of er grond is om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb haar uitspraak in de plaats te laten treden van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de uitzonderingsgronden van artikel 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob zich niet voordoen. Zij heeft voorts terecht overwogen dat evenmin is gebleken dat zich andere uitzonderingsgronden voordoen, zodat geen beletsel bestaat om de verzochte informatie openbaar te maken. De rechtbank heeft derhalve terecht zelf in de zaak te voorzien.

Het betoog faalt.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van gronden waarop deze rust.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de stichting Stichting De Faunabescherming in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 205,32 (zegge: tweehonderdvijf euro en tweeëndertig cent);

III. bepaalt dat van het college van gedeputeerde staten van Gelderland een griffierecht van € 466,00 (zegge: vierhonderdzesenzestig euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.

w.g. Vlasblom w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

176-721.