Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2093

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201205245/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het CBR het aan [wederpartij] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/185
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205245/1/A3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (thans: de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen; hierna: het CBR),

appellante,

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 april 2012 in de zaken nrs. 12/2289 en 12/2313 in het geding tussen:

B. [wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het CBR.

Procesverloop

Bij besluit van 24 november 2011 heeft het CBR het aan [wederpartij] afgegeven rijbewijs ongeldig verklaard.

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft het het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 april 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het CBR met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen een nieuw besluit op het door [wederpartij] gemaakte bezwaar neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het CBR hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 27 december 2012 heeft het CBR het door [wederpartij] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 24 november 2011 herroepen.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [wederpartij] een schriftelijke reactie gegeven op dat besluit.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2013, waar het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, werkzaam in zijn dienst, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. W.N. van der Voet, advocaat te Delft, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van deel C volgt dat, nu de aangevallen uitspraak vóór 1 januari 2013 bekend is gemaakt, deze moet worden beoordeeld aan de hand van het recht, zoals dit vóór inwerkingtreding van deze wet gold.

Ingevolge artikel 130, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: Wvw) doen de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen personen, indien bij hen een vermoeden bestaat dat de houder van een rijbewijs niet langer over de rijvaardigheid, dan wel de lichamelijke of geestelijke geschiktheid, vereist voor het besturen van een of meer categorieën van motorrijtuigen, waarvoor dat rijbewijs is afgegeven, beschikt, daarvan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling aan het CBR onder vermelding van de feiten en omstandigheden die aan het vermoeden ten grondslag liggen. Bij ministeriële regeling worden de feiten en omstandigheden aangewezen die aan het vermoeden ten grondslag dienen te liggen en worden ter zake van de uitoefening van deze bevoegdheid nadere regels vastgesteld.

Ingevolge artikel 131, eerste lid, aanhef en onder c, besluit het CBR, indien een schriftelijke mededeling, als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen tot een onderzoek naar de rijvaardigheid of onderscheidenlijk de geschiktheid.

Ingevolge artikel 134, eerste lid, stelt het CBR zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken na ontvangst van de bevindingen van de deskundige of deskundigen, de uitslag van het onderzoek vast.

Ingevolge het tweede lid besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, indien de uitslag van het onderzoek daartoe aanleiding geeft. Bij ministeriële regeling worden de gevallen aangewezen waarin daarvan sprake is.

Ingevolge artikel 27, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 besluit het CBR tot ongeldigverklaring van het rijbewijs, bedoeld in artikel 134, derde (lees: tweede) lid, van de Wvw, indien de uitslag van het onderzoek, onderscheidenlijk de onderzoeken, inhoudt dat betrokkene niet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van een of meer categorieën motorrijtuigen voldoet.

Ingevolge artikel 2 van de Regeling eisen geschiktheid 2000 (hierna: de Regeling) worden de eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

In die bijlage is onder paragraaf 8.1 "Algemeen" van hoofdstuk 8 "Psychiatrische stoornissen" vermeld dat in dit hoofdstuk beschreven eisen voornamelijk betrekking hebben op de situatie, waarbij een voorgeschiedenis van psychiatrische problematiek aanwezig is. Bij de beoordeling van die voorgeschiedenis is het ziektebeloop (de betrokkene zal bij voorkeur minstens een tot twee jaar vrij moeten zijn van recidieven, afhankelijk van de ernst van de aandoening), de (on)voorspelbaarheid van uitingen van de aandoening, het ziekte-inzicht en de therapietrouw van de betrokkene, van belang. Als de aandoening een reversibele organische stoornis ten grondslag had (heeft), dan kan de keurling na herstel in de regel goedgekeurd worden. Is of was een reversibele organische stoornis niet in het geding, dan doet zich de vraag voor of er restverschijnselen zijn, of dat er kans is op een recidief dat de verkeersveiligheid in gevaar kan brengen. Beantwoording van die vraag vergt een specialistisch rapport, aldus die passage.

Onder paragraaf 8.3 "Stemmingsstoornissen" is vermeld dat personen met een unipolaire of bipolaire stoornis, die therapeutisch goed zijn ingesteld (regelmatige controle, recidiefvrije periode van minstens één jaar) en een redelijk ziekte-inzicht hebben, in beginsel niet ongeschikt hoeven te zijn. Wel is een specialistisch rapport vereist. Mensen met regelmatig terugkerende manische episoden zijn in het algemeen ongeschikt voor het rijbewijs. Hetzelfde geldt voor mensen met een geregeld optredende depressie IEZ. Ook mensen die voor hun aandoening hoge doses sederende psychofarmaca nodig hebben zijn ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer, aldus die passage.

2. Na een mededeling in de zin van artikel 130, eerste lid, van de Wvw te hebben ontvangen heeft het CBR [wederpartij] verplicht zich te onderwerpen aan een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw. Dit onderzoek is op 14 mei 2011 verricht door een psychiater en een andere arts. Op verzoek van [wederpartij] heeft een tweede onderzoek plaatsgevonden, uitgevoerd op 28 september 2011 door een andere psychiater. Volgens beide verslagen van bevindingen (hierna: de verslagen) is [wederpartij] volgens de DSM-IV-TR-classificatie gediagnosticeerd met een depressieve stoornis NAO, een partner-relatieprobleem, een acculturatieprobleem en een persoonlijkheidsstoornis NAO met borderline trekken.

3. De voorzieningenrechter heeft het besluit van 17 februari 2012 vernietigd wegens strijd met de zorgvuldigheid en een ontoereikende motivering. Hij heeft hiertoe overwogen dat de verslagen niet of niet voldoende concludent zijn, omdat zij geen conclusies ten aanzien van de rijgeschiktheid van [wederpartij] bevatten. Voorts bepaalt paragraaf 8.3 van de Regeling weliswaar dat mensen met een geregeld optredende depressie in engere zin ‘in het algemeen ongeschikt zijn voor het rijbewijs’, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat iedere betrokkene, gediagnosticeerd met een depressieve stoornis, zonder meer ongeschikt wordt geacht voor een rijbewijs of de vereiste rijgeschiktheid mist voor een periode van minstens één jaar. Een dergelijke conclusie behoeft een op de betrokkene toegespitste nadere motivering, aldus de voorzieningenrechter.

4. Het CBR betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de onderzoeksrapporten geen conclusies bevatten ten aanzien van de rijgeschiktheid van [wederpartij] op grond van de paragrafen 8.1 en 8.3 van de bijlage bij de Regeling. Ingevolge artikel 134, eerste lid, van de Wvw stelt het CBR de uitslag van het onderzoek vast.

Voorts heeft de voorzieningenrechter, door te overwegen dat uit paragraaf 8.3 van de Regeling niet kan worden afgeleid dat bij toepasselijkheid van voormelde paragraaf ongeschiktheid voor ten minste één jaar aan de orde is, miskend dat in die paragraaf staat dat bij een unipolaire of bipolaire stoornis, wat bij [wederpartij] onbetwist aan de orde is, een recidiefvrije periode van minstens één jaar wordt geëist.

Tot slot heeft de voorzieningenrechter ten onrechte van belang geacht dat uit de krachtens artikel 130, eerste lid, van de Wvw gedane mededeling niet blijkt van aan alcohol gerelateerde feiten of andere rechtstreeks haar rijvaardigheid of verkeersgedrag betreffende omstandigheden. Er was jegens [wederpartij] een vermoeden van ongeschiktheid gerezen dat door het CBR diende te worden onderzocht. Tevens heeft de voorzieningenrechter ten onrechte van belang geacht dat [wederpartij] niet aan een rijproef is onderworpen. Een rijproef is volgens paragrafen 8.1 en 8.3 van de Regeling niet vereist om de houder van een rijbewijs ongeschikt te kunnen oordelen, aldus het CBR.

4.1. Dat betoog slaagt. Volgens de verslagen bestonden de onderzoeken uit anamneses, lichamelijk onderzoek en psychiatrisch onderzoek. Dat geen van de verslagen conclusies bevat omtrent de geschiktheid van [wederpartij], maakt niet dat zij niet voldoende concludent zijn, nu het ingevolge artikel 134, eerste lid, van de Wvw aan het CBR is om de conclusie van ongeschiktheid al dan niet te trekken.

Ingevolge paragraaf 8.3 van de Regeling hoeven personen met een unipolaire stoornis die therapeutisch goed zijn ingesteld en een redelijk ziekte-inzicht hebben niet ongeschikt te zijn. Therapeutisch goed ingesteld zijn houdt in dit geval volgens de Regeling onder meer in dat er een recidiefvrije periode van minstens één jaar is. De betrokkene is per definitie ongeschikt, wanneer deze recidiefvrije periode nog niet is verstreken. Zodanige conclusie behoeft geen op de betrokkene betrokken nadere motivering. Dat de recidiefvrije periode van een jaar ten tijde van het onderzoek van 28 september 2011 niet was verstreken, heeft [wederpartij] niet betwist.

4.2. Voorts heeft de voorzieningenrechter ten onrechte van belang geacht dat de mededeling van 28 maart 2011 aan het CBR niet is gebaseerd op aan alcohol gerelateerde feiten of andere rechtstreeks haar rijvaardigheid of verkeersgedrag betreffende omstandigheden. De Regeling bevat verschillende geschiktheidseisen voor het besturen van motorrijtuigen. Deze eisen zijn niet gekoppeld aan het zich al dan niet hebben voorgedaan van aan alcohol gerelateerde feiten of andere rechtstreeks de rijvaardigheid of het verkeersgedrag betreffende omstandigheden. Voor het kunnen vergen dat betrokkene zich aan een onderzoek naar de geschiktheid, als bedoeld in artikel 131, eerste lid, van de Wvw onderwerpt, is derhalve niet vereist dat de mededeling daar op is gebaseerd.

Uit de paragrafen 8.1 en 8.3 van de Regeling volgt voorts niet dat een rijproef vereist is om een rijbewijs ongeldig te kunnen verklaren.

5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het door [wederpartij] tegen het besluit van het CBR van 17 februari 2012 ingestelde beroep ongegrond verklaren.

6. Het CBR heeft het besluit van 27 december 2012 genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, gelezen in samenhang met de artikelen 6:18, eerste lid, en 6:19, eerste lid, van die wet, geacht eveneens voorwerp te zijn van dit geding. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is aan dat besluit de grondslag komen te ontvallen. Om die reden zal de Afdeling het vernietigen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 april 2012 in de zaken nrs. 12/2289 en 12/2313;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen van 27 december 2012, kenmerk 2011004424/MK.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. De Leeuw-van Zanten

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

97-773.