Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2086

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201207948/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:BW0350, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 december 2010 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik door [belanghebbende] van het perceel [locatie a] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207948/1/A1.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats], gemeente Achtkarspelen,

tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2012 en de uitspraak van die rechtbank van 5 juli 2012 in zaak nr. 11/1264 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2010 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen het gebruik door [belanghebbende] van het perceel [locatie a] te [plaats].

Bij besluit van 27 april 2011 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd.

Bij tussenuitspraak van 19 januari 2012 heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen tien weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 27 april 2011 te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze uitspraak is aangehecht.

Het college heeft een nadere motivering gegeven van het besluit van 27 april 2011. [appellante] heeft daarop gereageerd.

Bij uitspraak van 5 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 27 april 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak en de daaraan voorafgaande tussenuitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 april 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door [directeur], bijgestaan door mr. A.J. Spoelstra, en het college, vertegenwoordigd door mr. B.J.H. Zuur, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kootstertille, herzien plan in onderdelen" rust op het perceel de bestemming "Bebouwing ten dienste van industriƫle doeleinden".

Ingevolge artikel 6, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften mogen op de gronden met deze bestemming uitsluitend gebouwen worden opgericht ten dienste van industrie, nijverheid of handel.

Ingevolge het eerste lid, sub b, is het college bevoegd vrijstelling te verlenen van het bepaalde in sub a voor de bouw van twee bijbehorende al dan niet vrijstaande woningen, voor zover noodzakelijk voor toezicht en beheer.

Ingevolge artikel 34, eerste lid, is, onverminderd hetgeen reeds is bepaald ten aanzien van het gebruik van gronden en opstallen in de vorige artikelen, het verboden de gronden en bouwwerken in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in die artikelen omschreven bestemmingen.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte heeft geweigerd handhavend op te treden. Daartoe voert zij aan dat de woning op het perceel in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt, nu de ter plaatse gevestigde steenhandel niet meer actief is. Volgens [appellante] kan de vrijstelling niet gebruikt worden voor andere bedrijfsactiviteiten op het perceel en voorts is de bewoning niet noodzakelijk voor het beheer en toezicht daarop.

2.1. Het college heeft een besluit van 18 mei 1998 overlegd. Uit dat besluit volgt dat het college aan Outback Holding B.V., waarvan [belanghebbende] directeur is, vrijstelling van het bestemmingsplan en bouwvergunning heeft verleend voor het oprichten van een bedrijfspand en een woning op het perceel. Vast staat dat [locatie a] destijds onderdeel uitmaakte van het perceel. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de activiteiten die op [locatie b en a] plaatsvinden in samenhang met elkaar bezien dienen te worden. Voorts staat vast dat ten tijde van het besluit van 18 mei 1998 ter plaatse een steenhandel werd geƫxploiteerd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit de verslagen van toezichthouders van het college, die het perceel in de periode van 1 februari 2012 tot en met 28 februari 2012 hebben bezocht, onder meer volgt dat ter plaatse bedrijfsmatige activiteiten in het verband van de steenhandel plaatsvonden. Reeds omdat die bedrijfsmatige activiteiten niet waren gestaakt, mocht het gebruik van de woning worden voortgezet. Voor zover dat gebruik in strijd moet worden geacht met artikel 34 van de planvoorschriften, wordt overwogen dat de planvoorschriften het gebruik van de woning overeenkomstig de verleende bouwvergunning en vrijstelling niet in de weg kunnen staan. Dat op het perceel inmiddels ook anders bedrijfsmatige activiteiten plaatsvinden, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraken.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Van Driel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

414-672.