Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2073

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201205311/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonbos/Hooge Berkt en omgeving" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201205311/1/R3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Bergeijk,

2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Bergeijk,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Bergeijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Woonbos/Hooge Berkt en omgeving" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2013, waar [appellant sub 1], [appellanten sub 2] en de raad, vertegenwoordigd door A. Oosterwijk, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.1. [appellant sub 2A] woont op een afstand van ten minste 800 m van het plangebied. Vanuit haar woning heeft zij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plan mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts heeft [appellant sub 2A] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit, hoe sterk dat gevoel ook is, is daarvoor niet voldoende.

De conclusie is dat [appellant sub 2A] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dit luidde ten tijde van belang, geen beroep heeft kunnen instellen.

Het beroep, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2A], is niet-ontvankelijk.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. [appellant sub 2B] stelt dat eerder in het westen van het woonbos de bouw van tien nieuwe woningen was gepland, maar dat hierover geen overeenstemming kon worden bereikt met het provinciale bestuur, waarna deze percelen buiten het plan werden gelaten. De raad heeft, gelet op de mogelijke aantasting van het bos, ten onrechte geen integrale afweging gemaakt met betrekking tot de in het hier geplande woningbouw en de in het plan opgenomen mogelijkheden voor woningbouw elders in het woonbos en deze gronden in het westen van het woonbos ten onrechte niet opgenomen in het plan. Verder stelt [appellant sub 2B] dat het plan onzorgvuldig tot stand is gekomen, nu het college de nota van zienswijzen al had vastgesteld, terwijl de termijn om zienswijzen in te dienen tegen het ontwerpplan nog niet was afgelopen. Voorts voert zij aan dat de raad in een besluit van 19 oktober 2009 heeft opgenomen dat binnen het woonbos bepaalde afstanden tussen bouwkavels onderling en tussen bouwkavels en wandelpaden in acht dienen te worden genomen. In het plan wordt volgens haar ten onrechte voorbij gegaan aan deze uitgangspunten, nu twee bouwpercelen over bestaande paden zijn gelegd. Daarnaast zal één van de nieuwe woningen worden gebouwd op korte afstand van het cultuur-historisch waardevolle gebied rond de Schietberg, aldus [appellant sub 2B].

3.1. Over de door [appellant sub 2B] genoemde nieuwe woningen in het westen van het bos stelt de raad dat deze zijn gelegen in een onbebouwd deel van het woonbos, waarvoor een aanpassing van de Verordening ruimte 2012 (hierna: Verordening ruimte) is vereist die de nodige tijd vergt, terwijl het plan betrekking heeft op een deel van het bos waar al woningen staan. Voorts stelt de raad dat het college van burgemeester en wethouders vanaf 14 februari 2012 is begonnen met het behandelen van de al ingediende zienswijzen. Zienswijzen konden evenwel nog worden ingediend tot en met 15 februari 2012. Verder stelt de raad dat eerder is besloten om gemeentelijke reststroken in het bos te verkopen aan particulieren, met als uitgangspunt dat tussen de te verkopen gronden en rondom paden en wegen ruimtes dienen over te blijven van 10 tot 20 m. Daarnaast voorziet het plan in de bouw van slechts vier nieuwe woningen, die niet de in de verbeelding aangegeven paden raken. Voor zover delen van bestaande paden toch in een bouwkavel worden opgenomen, kunnen deze paden worden verlegd, aldus de raad.

3.2. Gelet op de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening komt de raad beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins in strijd met het recht.

In hetgeen [appellant sub 2B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het verweerschrift en ter zitting heeft de raad uiteengezet dat, nu de bouw van de geplande tien woningen in het westen van het woonbos is voorzien op een onbebouwd gedeelte van het bos, de Verordening ruimte hiertoe dient te worden aangepast en compensatiemaatregelen dienen te worden genomen door elders nieuw bos aan te planten. Omdat een aanpassing van de Verordening ruimte waarschijnlijk een langdurige procedure zou vergen, heeft de raad ervoor gekozen om de gronden waarop deze woningen zijn gepland uit het plan te laten om zodoende op korte termijn een actueel bestemmingsplan vast te kunnen stellen voor het overige deel van het woonbos. Het vastgestelde plan heeft betrekking op het deel van het woonbos waar al woningen zijn gesitueerd en waar al verdichting aanwezig is. Bij het toestaan van nieuwe woningbouw in dit deel van het woonbos gaat het derhalve om een andere situatie en een andere afweging dan met betrekking tot de bouw van de tien nieuwe woningen in het onbebouwde gedeelte van het woonbos.

Gelet op het vorenstaande heeft de raad de in het westen van het woonbos gelegen gronden waarop de tien nieuwe woningen zijn gepland in redelijkheid niet hoeven op te nemen in het plan.

3.3. De nota van zienswijzen is op 29 maart 2012 door de raad vastgesteld. Niet gebleken is daarbij dat zienswijzen die op of na 14 februari, maar binnen de zienswijzetermijn, zijn ingediend buiten beschouwing zijn gelaten. De Afdeling wijst er hierbij op dat twee zienswijzen, die na 14 februari zijn ingediend, zijn beantwoord in de nota van zienswijzen. Het betoog over de behandeling van zienswijzen faalt.

3.4. Uit de plantoelichting volgt dat de raad op 19 oktober 2009 heeft besloten om restbosstroken die eigendom zijn van de gemeente te verkopen aan particulieren. Hierbij heeft de raad besloten dat de stroken tussen bouwkavels minimaal 10 m breed dienen te zijn en dat de buitenzoom minimaal 20 m breed dient te blijven, om het boskarakter te benadrukken. In de huidige situatie zijn 79 woonkavels gelegen in het plangebied. Het plan voorziet in de bouw van vier nieuwe woningen in het gebied. Uit de verbeelding blijkt dat ook rondom deze nieuwe woningen bosstroken van minimaal 10 m breed zullen liggen. Verder staat in de plantoelichting dat drie wandelpaden in het gebied als gevolg van de nieuwe woningen beperkt zullen worden omgeleid. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de voorziene nieuwbouwmogelijkheden niet in strijd zijn met de uitgangspunten van het eerdere raadsbesluit en dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verdichting van het bos. Verder heeft [appellant sub 2B] niet aannemelijk gemaakt dat de cultuurhistorische waarde van het gebied rondom de Schietberg onaanvaardbaar zal worden aangetast ten gevolge van de nieuwe woningen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de nota van zienswijzen volgt dat de raad zich bij de vaststelling van het plan en de hierin opgenomen mogelijkheden voor nieuwe woningen in het woonbos rekenschap heeft gegeven van de cultuurhistorische waarde van de Schietberg.

3.5. In hetgeen [appellant sub 2B] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

4. Het beroep van [appellant sub 1] heeft betrekking op het perceel [locatie]. [appellant sub 1] voert aan dat de hoofdgebouwen op deze gronden ten onrechte zijn aangemerkt als twee vrijstaande bungalows op twee verschillende bouwpercelen van 500 m2. In werkelijkheid gaat het volgens hem om één schakelwoning op een perceel van 1000 m2.

4.1. Het perceel [locatie] heeft de bestemming "Wonen-Woonbos".

Ingevolge artikel 14, lid 14.2, onder 14.2.2, aanhef en sub a, van de planregels is per bestemmingsvlak maximaal één woning toegestaan, tenzij anders aangegeven ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden". Uit de verbeelding blijkt dat op deze gronden maximaal twee woningen zijn toegestaan.

4.2. Anders dan [appellant sub 1] kennelijk aanneemt sluit de planregeling voor het perceel [locatie] aan bij de feitelijk bestaande situatie. De Afdeling stelt vast dat op het perceel twee bungalows staan. Deze zijn alleen door middel van een pergola met elkaar verbonden en worden afzonderlijk bewoond. Het plan staat twee verschillende wooneenheden toe op deze gronden. Daarnaast wordt in het plan binnen de bestemming "Wonen-Woonbos" geen onderscheid gemaakt tussen vrijstaande woningen en schakelwoningen.

Overigens heeft de raad in het verweerschrift en ter zitting uiteengezet dat het vorige plan "Eerselsedijk-Riethovensedijk" een overeenkomstige regeling bevatte voor deze gronden.

4.3. Hetgeen [appellant sub 1] in het beroepschrift heeft aangevoerd over de gemeentelijke administratie met betrekking tot de Wet waardering onroerende zaken en de bij de stukken gevoegde taxatieverslagen heeft geen betrekking op de inhoud van het bestreden besluit en kan derhalve in deze procedure niet aan de orde komen.

4.4. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-Woonbos" op het perceel [locatie] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door [appellant sub 2A];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] geheel en het beroep van [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Mathot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

413-656.