Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2071

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201203253/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen en voor het in werking hebben na die verandering van een veehouderij met melkkoeien, vrouwelijk jongvee en vleeskalveren aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203253/1/A4.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats], gemeente De Bilt,

en

het college van burgemeester en wethouders van De Bilt,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2012 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor het veranderen en voor het in werking hebben na die verandering van een veehouderij met melkkoeien, vrouwelijk jongvee en vleeskalveren aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2013, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtenden], bijgestaan door mr. S. Land, en het college, vertegenwoordigd door A.A.J. van Brenk, C. Löwe-Stevelmans en R. van der Sluiszen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder, vertegenwoordigd door J. Bouwman, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag om verlening van de vergunning voor de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

2. Ter zitting hebben [appellanten] hun beroepsgrond over de legenda van de plattegrondtekening ingetrokken.

3. [appellanten] stellen dat het aanvraagformulier van 13 juli 2010 ten onrechte niet bij het ontwerp van het bestreden besluit ter inzage heeft gelegen.

3.1. Ingevolge artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

3.2. Op pagina twee van de considerans van het bestreden besluit staat dat de aanvraag onder meer het aanvraagformulier van 13 juli 2010 en de aanvullende gegevens van 30 september 2010, inhoudende een aanvraagformulier en plattegrondtekening waarmee het aanvraagformulier van 13 juli 2010 en de plattegrondtekening van 4 juli 2010 worden vervangen, omvat. Het aanvraagformulier van 13 juli 2010 was daardoor niet langer een formulier dat redelijkerwijs nodig was voor de beoordeling van het ontwerp van het bestreden besluit. Bovendien maakt het aanvraagformulier van 13 juli 2010 op grond van vergunningvoorschrift 1.1 geen deel uit van de vergunning.

De beroepsgrond faalt.

4. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

5. [appellanten] stellen dat de aanvraag om een vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan had moeten worden geweigerd. [appellanten] verwijzen in dit verband naar hun zienswijze naar aanleiding van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen. Daarin wordt onder meer aangevoerd dat door verlening van de vergunning strijd ontstaat met artikel 4, eerste lid, van het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ter plaatse geldende bestemmingsplan "Maartensdijk Buitengebied" op grond waarvan de gebouwen gezamenlijk geen grotere oppervlakte dan 1.250 m2 mogen hebben.

5.1. Ingevolge artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer kan de vergunning, in afwijking van het eerste lid, tevens worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met het bestemmingsplan.

5.2. Artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer behelst geen verplichting maar een bevoegdheid de vergunning wegens strijd met het bestemmingsplan te weigeren. Niet in geschil is dat de gevraagde vergunning in strijd is met het ten tijde van het nemen van het bestreden besluit ter plaatse geldende bestemmingsplan. In een reactie op de zienswijzen heeft het college gesteld dat het zal bevorderen de aangevraagde wijziging op het perceel mogelijk te maken met een ontheffing of aanpassing van het bestemmingsplan. Reeds daarom heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten de gevraagde vergunning niet op grond van artikel 8.10, derde lid, van de Wet milieubeheer te weigeren.

De beroepsgrond faalt.

6. [appellanten] stellen dat het college ten onrechte niet heeft gecontroleerd of de ventilatie- en anti-tocht-rolluiken van de vleeskalverenstal luchtdicht gehouden kunnen worden. Volgens hen is dit niet mogelijk, zodat het college bij de beoordeling van geurhinder ten onrechte niet is uitgegaan van natuurlijke ventilatie. [appellanten] hebben een V-Stacks berekening overgelegd waaruit blijkt dat bij natuurlijke ventilatie de geldende geurnormen ter plaatse van zes woningen worden overschreden. Ook stellen zij dat met het aangevraagde ventilatiesysteem niet aan de geldende geurnormen kan worden voldaan. Ter adstructie hiervan hebben zij eveneens een V-Stacks berekening overgelegd.

6.1. Volgens de aanvraag is voor de vleeskalverenstal een stalsysteem aangevraagd met een centraal emissiepunt en onderdruk in de stal. De aanvraag maakt volgens vergunningvoorschrift 1.1 deel uit van de vergunning. Voorts heeft het college met de vergunningvoorschriften 5.19 en 5.20 voorgeschreven dat ramen en deuren van de stallen, voor zover zij geen functie hebben voor de luchtverversing in de stal, behoudens het doorlaten van personen, dieren of goederen gesloten moeten worden gehouden en dat de lucht afkomstig van de vleeskalverenstal via het centrale emissiepunt zoals aangegeven op de aanvraag en de bijbehorende tekeningen moet worden afgevoerd. In zoverre is de werking van het aangevraagde en vergunde ventilatiesysteem gewaarborgd. Het college dient bij het nemen van het bestreden besluit uit te gaan van de situatie die is aangevraagd. Een onderzoek naar de feitelijke situatie was, anders dan [appellanten] stellen, dan ook niet nodig. Bovendien heeft vergunninghouder ter zitting gesteld dat de inrichting nog niet overeenkomstig de vergunning in werking is.

6.2. Voor de vleeskalverenstal is geen natuurlijke ventilatie aangevraagd. De V-Stacksberekening, die uitgaat van natuurlijke ventilatie, leidt derhalve niet tot het oordeel dat niet aan de ter plaatse geldende geurnormen kan worden voldaan.

6.3. Ten aanzien van de V-Stacks berekening met het aangevraagde ventilatiesysteem stelt het college dat [appellanten] een onjuiste diameter van de uitstroomopening en een onjuiste uittreesnelheid van het emissiepunt hebben toegepast. Het verschil in berekening betreft de uitstroomopening. [appellanten] hebben bij hun berekening de diameter van één van de ventilatoren tot uitgangspunt genomen. Nu er in de aangevraagde situatie een centraal emissiepunt is, is het college bij de berekeningen terecht uitgegaan van de oppervlakte daarvan. De door het college in het verweerschrift gegeven berekening van de parameters komt overeen met hetgeen daarover in de Gebruikershandleiding V-Stacks vergunning, versie 2010.1, staat vermeld. Bij de V-Stacks berekening ten behoeve van het bestreden besluit is het college dan ook van de juiste parameters uitgegaan. Hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. In zoverre bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat de inrichting in de aangevraagde en vergunde situatie niet aan de ter plaatse geldende geurnormen kan voldoen.

De beroepsgrond faalt.

7. [appellanten] stellen dat het college er bij het bepalen van de bestaande rechten ten onrechte van is uitgegaan dat de melding van 27 februari 1995, waarin staat dat 400 konijnen niet langer worden gehouden, geen rechtskracht toekomt. Volgens hen valt het houden van 400 konijnen daarom niet onder de voor de inrichting bestaande rechten.

7.1. In de considerans van het bestreden besluit stelt het college slechts in het kader van luchtkwaliteit dat de 400 konijnen onder de bestaande rechten vallen. Nu in de aangevraagde situatie reeds wordt voldaan aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes, heeft het college ten behoeve van het nemen van het bestreden besluit geen beroep hoeven doen op bestaande rechten. Ter zitting heeft het college dit bevestigd. De vraag of het houden van 400 konijnen tot de voor de inrichting bestaande rechten behoort, is derhalve niet van belang.

De beroepsgrond faalt.

8. [appellanten] voeren aan dat het in strijd met de aanvraag permanent op stal houden van melkvee niet kan worden gehandhaafd, omdat dit niet in strijd is met een wettelijk voorschrift. Zij stellen dat het college er sinds 24 januari 2012 van op de hoogte is dat het melkvee van vergunninghouder permanent op stal wordt gehouden. Volgens hen had de verleende vergunning daarom op grond van artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer geweigerd moeten worden.

8.1. Volgens de aanvraag is onder meer vergunning gevraagd voor het houden van 150 melk- en kalfkoeien met RAV-categorie A.1.100.1, te weten: beweiden. Volgens het dictum van het bestreden besluit maakt de aanvraag deel uit van de verleende vergunning, zodat het college daarop kan handhaven. Het college diende bij het nemen van het bestreden besluit uit te gaan van de situatie die is aangevraagd. De feitelijke situatie speelt bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit derhalve geen rol.

De beroepsgrond faalt.

9. [appellanten] stellen dat bij het nemen van het bestreden besluit is uitgegaan van een te laag aantal dagen voor het verpompen en uitrijden van drijfmest. Gelet op het volume van de opslag en het aantal te houden dieren had volgens hen van een groter aantal moeten worden uitgegaan.

9.1. Het verpompen van mest vindt volgens de aanvraag vier dagen per jaar gedurende zes uur in de dagperiode plaats. De aangevraagde mestkelder heeft een opslagcapaciteit van 4.140 m3. Het college stelt in een reactie op de zienswijze dat het aantal dagen dat de drijfmest wordt verpompt en afgevoerd, gelet op de grote opslagcapaciteit, geen vragen oproept. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het standpunt van het college onjuist is.

De beroepsgrond faalt.

10. [appellanten] stellen dat bij de vergunningverlening ten onrechte gebruik is gemaakt van de 12-dagen-regeling uit de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Volgens hen vallen de activiteiten namelijk onder de representatieve bedrijfssituatie.

10.1. Het college heeft voor de beoordeling van geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting de Handreiking gehanteerd. In paragraaf 5.3 van de Handreiking is onder meer vermeld dat een ontheffing kan worden verleend om maximaal twaalf dagen per jaar activiteiten uit te voeren die meer geluid veroorzaken dan de geluidgrenzen voor de representatieve bedrijfssituatie uit de vergunning. Het gaat daarbij om bijzondere activiteiten, welke niet worden gerekend tot de representatieve bedrijfssituatie.

10.2. Er bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het college in vergunningvoorschrift 2.3 het zes dagen per jaar inkuilen van voer, het twee nachten per jaar verladen van vee en het vier dagen per jaar afvoeren van drijfmest niet als incidentele bedrijfssituatie heeft kunnen aanmerken, nu deze activiteiten niet tot de kernactiviteiten van de inrichting, namelijk het houden van melkkoeien, vrouwelijk jongvee en vleeskalveren, behoren. [appellanten] hebben ook niet gemotiveerd waarom deze activiteiten volgens hen onder de representatieve bedrijfssituatie vallen.

De beroepsgrond faalt.

11. Voor zover [appellanten] zich in het beroepschrift hebben beperkt tot het verwijzen naar de over het ontwerp van het besluit naar voren gebrachte zienswijzen, overweegt de Afdeling dat het college in het bestreden besluit zijn reactie daarop heeft gegeven. In het beroepschrift, noch ter zitting hebben [appellanten] redenen aangevoerd waarom deze reactie onjuist zou zijn.

De beroepsgrond faalt.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, ambtenaar van staat.

w.g. Wortmann w.g. De Jong

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

628.