Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2070

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201203132/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2011" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201203132/1/R3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E],

[appellant F], [appellant G] en [appellant H], allen wonend te Handel, gemeente Gemert-Bakel,

en

de raad van de gemeente Gemert-Bakel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Gemert-Bakel Buitengebied herziening oktober 2011" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A], [appellant B], [appellant C], [appellant D], Van Emmen, [appellant F], [appellant G] en [appellant H] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2013, waar [appellant A] en de raad, vertegenwoordigd door mr. F.T.H. Branten, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Verder is ter zitting [belanghebbende] gehoord.

Overwegingen

1. Het plan voorziet onder andere in een juridisch-planologische regeling die de vestiging van een dierenpension op het perceel [locatie] te Handel mogelijk maakt.

2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.1. [appellant B], [appellant C], [appellant D], Van Emmen en [appellant G] wonen op een afstand van ten minste 500 m van het beoogde dierenpension op het perceel [locatie]. Vanuit hun woningen hebben zij geen zicht op het plangebied. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die in het plangebied mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en persoonlijk belang rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat zij geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8.2, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening, zoals dit luidde ten tijde van belang, geen ontvankelijk beroep kunnen instellen.

Het beroep, voor zover dit is ingesteld door anderen dan [appellant A], [appellant F] en [appellant H], is niet-ontvankelijk.

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

4. Het beroep van [appellant A], [appellant F] en [appellant H] (hierna: [appellant A] en anderen) is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-104" op het perceel [locatie]. Zij betogen dat, nu de broer van initiatiefnemer, [belanghebbende], in de raad zit, er wellicht sprake is van belangenverstrengeling. Voorts voeren zij aan dat voor de vestiging van een dierenpension geen noodzaak bestaat en dat het perceel in plaats daarvan ook kan worden gebruikt voor agrarische of aanverwant agrarische activiteiten. Verder stellen [appellant A] en anderen dat door het verwachte geblaf van de honden in het dierenpension hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast. Ook de gebruikers van de naast het plangebied gelegen wandel- en mountainbikeroute zullen volgens hen geluidhinder ondervinden van hondengeblaf. Verder voeren [appellant A] en anderen aan dat het plan zal leiden tot een aantasting van het nabijgelegen natuurgebied. De naast het plangebied gelegen bosgebieden en akkers vormen een ecologische verbindingszone. Door geluid en licht afkomstig van het dierenpension zullen volgens hen vogels en andere dieren permanent worden verstoord. Hierbij betogen zij dat met het hondenpension geen openbaar belang is gemoeid, maar dat dit wel een van de voorwaarden is met betrekking tot nieuwe ontwikkelingen in de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS).

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de vestiging van een dierenpension in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens hem is niet gebleken van een overaanbod aan dierenpensions, waardoor de vestiging van een dierenpension niet haalbaar zou zijn. Over de te verwachten geluidhinder stelt hij dat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat deze niet ernstig zal toenemen als gevolg van het hondenpension. Verder stelt de raad dat uit de verrichte risicoanalyse blijkt dat het plan geen onevenredig nadelige invloed heeft op de bestaande flora en fauna in de omgeving. Daarbij komt dat de gronden in het vorige plan een agrarische bestemming hadden die schadelijker was voor de omliggende natuur. Door de vestiging van een dierenpension en de aanleg van erfbeplanting is sprake van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering, aldus de raad.

4.2. De raad heeft verklaard dat het raadslid F.M. Meulenmeesters, de broer van de initiatiefnemer, niet heeft deelgenomen aan de stemming over de vaststelling van het plan. Het betoog dat sprake zou zijn van belangenverstrengeling en de raad bij de vaststelling van het plan in strijd zou hebben gehandeld met artikel 2:4, tweede lid, van de Awb, mist hiermee reeds hierom feitelijke grondslag.

4.3. Aan het perceel [locatie] te Handel is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1, onder 1, zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden onder andere bestemd voor agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten, met dien verstande dat binnen elk in kolom 1 van de tabel opgenomen bestemmingsvlak:

1. enkel de bedrijfsvorm is toegelaten die in de kolom is aangegeven;

[…].

Uit de kolom van de tabel volgt dat op het perceel enkel een dierenpension is toegelaten.

4.4. De beoogde exploitanten van het dierenpension hebben een bedrijfsplan opgesteld met daarin een prognose van het aantal honden en katten dat per jaar gebruik zal maken van het dierenpension. [appellant A] en anderen hebben deze gegevens niet bestreden en verder hebben zij hun stelling dat geen behoefte bestaat aan een dierenpension op deze plaats ook niet anderszins nader onderbouwd. Verder hebben [appellant A] en anderen hun stelling dat geen noodzaak bestaat voor een dierenpension op deze plaats niet nader onderbouwd. De Afdeling acht het gegeven dat de beoogde beheerders van het dierenpension volgens [appellant A] en anderen in de huidige situatie al elders werkzaam zijn in ruimtelijk opzicht niet relevant.

4.5. De raad heeft akoestisch onderzoek laten verrichten naar de te verwachten geluidhinder voor omwonenden. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het onderzoeksrapport "Akoestisch onderzoek voor een huisdierenpension gelegen aan de [locatie] te Handel" van 27 juli 2011 van het onderzoeksbureau G&O consult. Volgens het onderzoeksrapport zal het geluid afkomstig van het dierenpension het woonklimaat van omwonenden niet onevenredig aantasten. Gelet hierop faalt het betoog over de geluidhinder.

Overigens heeft [belanghebbende] ter zitting verklaard een geluidscherm te zullen neerzetten om de geluidhinder verder te beperken.

4.6. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de genoemde wandel- en mountainbikeroute ligt in een gebied met agrarische bedrijven en industrie. Het gebied kan mede worden gebruikt voor recreatieve doeleinden, maar heeft geen specifiek recreatieve functie. Een dierenpension heeft daarom volgens de raad geen onaanvaardbare gevolgen voor de wandel- en mountainbikeroute. Dit standpunt acht de Afdeling niet onredelijk.

4.7. Het plangebied is gelegen in de nabijheid van gebieden die zijn aangewezen als Ecologische Hoofstructuur (hierna: EHS) op een plaats waar voorheen een intensieve veehouderij was gevestigd. Volgens de plantoelichting vormt het beoogde dierenpension een minder grote belasting voor de omliggende natuur dan de agrarische activiteiten die voorheen op dit perceel werden verricht. In het vorige plan was ter plaatse namelijk een varkenshouderij gevestigd met een bijbehorende ammoniakdepositie op de omliggende natuur. Met de vaststelling van het plan zal volgens de toelichting de varkenshouderij worden gesloopt en worden vervangen door een dierenpension, waarmee de uitstoot van ammoniak als gevolg van intensieve veehouderij op de omliggende natuur verdwijnt. Daarnaast dient ingevolge artikel 6, lid 6.5, onder 1, van de planregels het perceel landschappelijk te worden ingepast overeenkomstig het desbetreffende inrichtingsplan. Verder is het perceel [locatie] aangeduid als "reconstructiewetzone-extensiveringsgebied wonen". Het gemeentelijke beleid voorziet in de mogelijkheid om binnen het als zodanig aangeduide gebied een agrarisch verwant bedrijf te vestigen op een vrijkomende agrarische bedrijfslocatie.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een ernstige aantasting van de nabijgelegen EHS-gebieden en heeft de raad in redelijkheid deze voormalige agrarische bedrijfslocatie kunnen herbestemmen voor agrarisch verwante bedrijfsactiviteiten zoals een dierenpension.

4.8. De stelling dat het plan leidt tot een verstoring van flora en fauna vat de Afdeling op als een betoog dat het plan niet uitvoerbaar is vanwege de verbodsbepalingen uit de Flora en faunawet (hierna: Ffw).

De vragen of een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is, komen pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. De raad dient een plan echter niet vast te stellen indien hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Uit de risicoanalyse in de plantoelichting volgt dat geen broedvogels of beschermde plantensoorten voorkomen in het plangebied. Verder komen in het plangebied geen verblijfplaatsen voor van vleermuizen. De uitstraling van licht heeft mogelijk effect op het foerageergebied en de migratieroutes van vleermuizen die voorkomen in het bosgebied, maar dit kan worden voorkomen door de uitstraling van licht op de bosrand te beperken. Niet aannemelijk is gemaakt dat in strijd met de Ffw de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen in het geding komt. Verder volgt uit de risicoanalyse dat de vaste rust- en verblijfplaatsen van soorten zoogdieren door werkzaamheden kunnen worden verstoord. De plantoelichting vermeldt dat het hier gaat om soorten waarvoor in het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten een algemene vrijstelling is opgenomen van de verboden in de Ffw, dan wel soorten waarvoor ontheffing kan worden verleend van de verboden in de Ffw nu het plan geen afbreuk doet aan de gunstige staat van instandhouding van deze soorten. [appellant A] en anderen hebben dit niet betwist. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich op voorhand in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Ffw niet in de weg zal staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.

5. In hetgeen [appellant A] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijf" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf-104" op het perceel [locatie] strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep, voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk, voor zover dat is ingesteld door [appellant B], [appellant C], [appellant D], [appellant E] en [appellant G];

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mathot, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Mathot

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

413-656.