Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2067

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201108621/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201108621/1/A4.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Cuijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van Cuijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2011 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2013, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door M. Pijnenburg en mr. L. Albers, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Toepasselijk recht

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht, zoals dat is opgenomen in artikel 1.2, tweede lid, van de Invoeringswet Wabo, volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding, omdat de aanvraag van een revisievergunning vóór de inwerkingtreding van de Wabo is ingediend.

Op 1 januari 2013 is de Wet aanpassing bestuursprocesrecht in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Algemeen toetsingskader

2. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd.

Het tweede lid, aanhef en onder a, bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend.

Ingevolge het derde lid worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college beoordelingsvrijheid toe.

Geluid

3. [appellant] betoogt dat het college in vergunningvoorschrift 5.3.1 ten onrechte grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de nachtperiode tot 40 dB(A) heeft gesteld ten behoeve van de afvoer van varkens als regelmatige afwijking van de representatieve bedrijfssituatie. Volgens hem had het college deze nachtelijke afvoer van varkens niet mogen toestaan zonder dat geluidreducerende maatregelen worden getroffen, zoals het realiseren van een afgesloten laadplaats. Een afgesloten laadplaats kan als een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek worden beschouwd, aldus [appellant] .

3.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 5.2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, op geluidgevoelige objecten niet meer bedragen dan 40, 35 en 30 dB(A) in onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

Ingevolge vergunningvoorschrift 5.3.1 mag, in afwijking van voorschrift 5.2.1, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, inclusief het afvoeren van varkens, op de beoordelingspunten [drie locaties] in de nachtperiode niet meer bedragen dan onderscheidenlijk 36, 32 en 40 dB(A).

Ingevolge vergunningvoorschrift 5.3.2 mag het afvoeren van varkens per week maximaal gedurende één dag plaatsvinden tussen 23.00 en 07.00 uur.

3.2. Het college heeft bij de beoordeling van het geluidaspect de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

Paragraaf 5.3 van de Handreiking biedt de mogelijkheid om voor regelmatige afwijkingen van de representatieve bedrijfssituatie met een beperkte frequentie, maar vaker dan twaalf maal per jaar, met een bestuurlijke afweging een grotere geluidbelasting toe te staan dan de geluidbelasting die optreedt in de representatieve bedrijfssituatie. Daarbij wordt in principe uitgegaan van een frequentie van maximaal circa één dag-, avond- of nachtperiode per week. In paragraaf 5.3 worden als omstandigheden die van belang zijn voor de door het bevoegd gezag te verrichten bestuurlijke afweging genoemd het tijdstip en de duur van de activiteit, de frequentie van voorkomen, de hoogte van het geluidniveau (absoluut en relatief), de noodzaak dan wel onvermijdelijkheid van de betreffende activiteit, de redelijkerwijs te treffen maatregelen en het al dan niet vóórkomen van incidentele bedrijfssituaties.

3.3. Aannemelijk is dat het voor de bedrijfsvoering van de inrichting nodig is om de varkens één maal per week in de nachtperiode te kunnen afvoeren. Volgens het college kan van [vergunninghouder], gezien de kosten van aanvullende geluidreducerende maatregelen en de beperkte frequentie van de activiteit, redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij ten aanzien van deze activiteit deze maatregelen treft. Volgens het college is een afgesloten laadplaats, zoals bepleit door [appellant] , niet een voor veehouderijen gebruikelijke maatregel. Het college heeft daarom op grond van een bestuurlijke afweging als bedoeld in paragraaf 5.3 van de Handreiking besloten tot het opnemen van voorschrift 5.3.1. Hetgeen [appellant] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen. Er bestaat verder geen aanleiding voor het oordeel dat met de aan de vergunning verbonden voorschriften en beperkingen niet is gewaarborgd dat in de inrichting wat geluid betreft de beste beschikbare technieken worden toegepast.

De beroepsgrond faalt.

4. [appellant] voert aan dat niet duidelijk is hoe vaak de nachtelijke afvoer van varkens per jaar kan plaatsvinden.

4.1. Uit vergunningvoorschrift 5.3.2 volgt dat de nachtelijke afvoer van varkens één keer per week mag plaatsvinden. Er geldt op grond van de verleende vergunning geen beperking in het aantal weken per jaar dat deze activiteit mag plaatsvinden. Met inachtneming van voorschrift 5.3.2 kan de nachtelijke afvoer van varkens derhalve maximaal 52 keer per jaar plaatsvinden. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de vergunning in zoverre onduidelijk is.

De beroepsgrond faalt.

5. [appellant] betoogt dat het geluid van het laden van de varkens door het college is onderschat. Volgens hem wordt in het akoestisch rapport bij de aanvraag, waarop het college zich bij zijn beoordeling heeft gebaseerd, voor het laden van varkens ten onrechte uitgegaan van een bronvermogen van 99 dB(A). Het is volgens [appellant] gebruikelijk om uit te gaan van een bronvermogen van 114 dB(A) als worstcasescenario.

5.1. In het akoestisch rapport bij de aanvraag is voor het laden van de varkens uitgegaan van een gemiddeld bronvermogen van 99 dB(A) en, in verband met pieken in de geluidbelasting als gevolg van het schreeuwen van de varkens en het bewegen van de laadklep, van een maximaal bronvermogen van 112 dB(A). Hetgeen [appellant] aanvoert geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze bronvermogens niet representatief zijn voor het laden van de varkens, zoals dat in de inrichting plaatsvindt. De enkele stelling dat bij andere varkenshouderijen is uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 114 dB(A) voor het laden van de varkens is daarvoor onvoldoende.

De beroepsgrond faalt.

Geur

6. [appellant] betoogt dat het college, gelet op de sterk overbelaste geursituatie in de omgeving en het feit dat het om een grote IPPC-inrichting gaat, toepassing van een luchtwasser met een geurreductie van 85% had moeten eisen in plaats van de aangevraagde luchtwasser met een geurreductie van 75%. Volgens hem zijn in buurgemeenten al veel luchtwassers met 85% geurreductie vergund, is het kostenverschil met een luchtwasser met 75% geurreductie klein en wordt door de overheid subsidie verleend voor het toepassen van deze luchtwassers. [appellant] voert verder aan dat de werkelijke geuremissie van de inrichting groter is dan de op grond van de Wet geurhinder en veehouderij berekende geuremissie. Volgens hem is er in die wet geen rekening mee gehouden dat de geuremissie toeneemt bij vergroting van het leefoppervlak per dier. Het college had volgens hem deze omissie in de wetgeving moeten compenseren door aanvullende geurreducerende maatregelen te eisen. Nu het college dit heeft nagelaten, worden niet de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken toegepast, aldus [appellant] .

6.1. In artikel 3, derde en vierde lid, van de Wet geurhinder en veehouderij, die het toetsingskader vormt voor de door de dierenverblijven van de inrichting veroorzaakte geurbelasting, is geregeld hoe met overbelaste geursituaties moet worden omgegaan. Het college stelt zich op het standpunt dat, hoewel de geurnorm in dit geval wordt overschreden, de geurbelasting zodanig gereduceerd wordt dat vergunning kan worden verleend op grond van artikel 3, vierde lid. Volgens het college wordt verder voldaan aan het vereiste dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast, zodat ook in zoverre geen grond bestond om de gevraagde vergunning te weigeren.

6.2. [appellant] betwist niet dat vergunningverlening in overeenstemming is met de Wet geurhinder en veehouderij. Hetgeen hij aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt stelt dat wordt voldaan aan het vereiste dat de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Dat er luchtwassers zijn met een grotere geurreductie dan de aangevraagde luchtwasser betekent niet dat de aangevraagde luchtwasser, waarvan het college dient uit te gaan bij de beoordeling of vergunning kan worden verleend, niet een voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare techniek is. Het betoog van [appellant] dat het college aanvullende geurreducerende maatregelen had moeten treffen, omdat de werkelijke geuremissie groter is dan de op grond van de Wet geurhinder en veehouderij berekende geuremissie, faalt, reeds omdat [appellant] dit betoog onvoldoende heeft onderbouwd.

De beroepsgrond faalt.

Energie

7. [appellant] betoogt dat het college vanwege het grote propaangas- en stroomverbruik van de inrichting een energiebesparingsonderzoek had moeten voorschrijven.

7.1. Ingevolge vergunningvoorschrift 1.2.1 dient in de inrichting een centraal registratiesysteem aanwezig te zijn waarin onder meer een registratie van het energieverbruik moet zijn opgenomen.

Ingevolge vergunningvoorschrift 1.3.1 moeten de energiebesparende maatregelen welke zijn opgenomen in het aanvraagformulier worden uitgevoerd. Een genoemde maatregel mag worden vervangen door een gelijkwaardige alternatieve maatregel die aantoonbaar ten minste dezelfde energiebesparing oplevert en geen nadelige invloed op de totale milieubelasting heeft.

7.2. Het college heeft bij de beoordeling van het energieverbruik van de inrichting onder meer rekening gehouden met de "Circulaire Energie in de milieuvergunning" van de ministeries van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer en Economische Zaken van oktober 1999 (hierna: de Circulaire). De Circulaire is in de Regeling aanwijzing BBT-documenten aangewezen als document waarmee het college bij het nemen van het bestreden besluit rekening diende te houden. In de Circulaire worden inrichtingen met een jaarlijks energieverbruik van 25.000 of meer m3 aardgas(equivalent) of 50.000 of meer kWh elektriciteit als energierelevant aangemerkt. Niet in geschil is dat het verwachte jaarlijkse propaangasverbruik van de inrichting 45.000 liter bedraagt en het verwachte jaarlijkse stroomverbruik 135.000 kWh, zodat voornoemde ondergrens van de Circulaire wordt overschreden.

7.3. Het college heeft in het bestreden besluit beoordeeld welke voorschriften over energieverbruik aan de vergunning verbonden moeten worden. Omdat in de aanvraag meerdere energiebesparende maatregelen zijn opgenomen, heeft het voorschrijven van een energiebesparingsonderzoek volgens het college in dit geval weinig toegevoegde waarde en kan bij uitvoering van de energiebesparende maatregelen volstaan worden met een registratieplicht. In hetgeen [appellant] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

De beroepsgrond faalt.

Kadaverplaats

8. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte vergunning heeft verleend voor de aangevraagde kadaverplaats. Volgens hem ligt de kadaverplaats te dicht bij zijn perceel en dient deze, onder meer vanwege stank en het risico van verspreiding van ziektes, te worden verplaatst naar een andere locatie.

8.1. Het college diende te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Ter beoordeling staat of het college voor de locatie van de kadaverplaats, zoals aangevraagd, vergunning heeft kunnen verlenen. Of een andere locatie geschikter is, is daarbij niet van belang.

Behoudens de niet nader onderbouwde stelling dat het houden van dieren op zijn perceel in de directe nabijheid van de kadaverplaats niet zonder risico’s is, heeft [appellant] zijn betoog dat voor de aangevraagde kadaverplaats vanwege onder meer stank en het risico van verspreiding van ziektes geen vergunning verleend had moeten worden, niet met concrete argumenten onderbouwd. In aanmerking genomen dat aan de vergunning verschillende voorschriften over het aanbieden van kadavers zijn verbonden, geeft hetgeen [appellant] aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voor de kadaverplaats vergunning kan worden verleend.

De beroepsgrond faalt.

Slotoverwegingen

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Van Grinsven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

462-738.