Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201207163/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een zogenoemde antennetopbuis op het flatgebouw [locatie] te Katwijk.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2013/544
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207163/1/A1.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Katwijk,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 juni 2012 in zaak nr. 12/445 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het college geweigerd [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een zogenoemde antennetopbuis op het flatgebouw [locatie] te Katwijk.

Bij besluit van 16 januari 2012 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 juni 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 maart 2013, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door A.P. Eendebak, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het bouwplan voorziet in het oprichten van een ballastframe met daarop een zogenoemde antennetopbuis, waarvan de hoogte ongeveer 10 m bedraagt. De antenne is met tuidraden vastgemaakt.

2. De voorziene bouwhoogte is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoornes".

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de weigering in strijd is met artikel 10 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), nu eisen van welstand en stedenbouwkundige bezwaren dit grondrecht niet kunnen beperken. Hij verwijst daarbij naar een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Khurshid Mustafa en Tarzibachi tegen Zweden, van 16 december 2008, nr. 23883/06, (www.echr.co.int.) en naar de uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2012 in zaak nr. 201105694/1/A4 en 4 juli 2012 in zaak nr. 201111758/1/A1.

3.1. Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en die om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

Ingevolge het tweede lid kan, daar de uitoefening van deze vrijheden, plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, zij worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

3.2. [appellant] is zendamateur. Hij stelt dat de mast, voorzien in het bouwplan, nodig is om beter te kunnen zenden en te ontvangen op voor hem belangrijke radiofrequenties.

Niet in geschil is dat de weigering een inmenging in het door artikel 10, eerste lid, van het EVRM beschermde recht van [appellant] op de vrijheid van meningsuiting oplevert. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van de Afdeling van 19 april 2006 in zaak nr. 200505829/1), kan, indien aan het aanbrengen van wijzigingen aan een bouwwerk - bezien vanuit een oogpunt van hinder van omwonenden - zwaarwegende bezwaren zijn verbonden, een verbod dat een dergelijk nadeel wegneemt noodzakelijk worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Bij de beantwoording van de vraag of de realisering van het beoogde bouwwerk onevenredig bezwarend is voor anderen, dient, zoals de Afdeling ook eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 25 januari 1996 in zaak nr. H01.95.0253; Gst. 1996, 7034, 7), aandacht te worden geschonken aan onder meer de vormgeving ervan en de aard van zijn omgeving. Redelijke eisen van welstand kunnen daarbij een beperking van het recht op grond van het tweede lid rechtvaardigen. Voorts kunnen, zoals de Hoge Raad heeft overwogen (arrest van 18 januari 1972; NJ 1972, 193), welstandsvoorschriften beperkingen met zich brengen die in een democratische samenleving nodig zijn in het belang van de 'prevention of disorder', als bedoeld in het tweede lid van artikel 10 van het EVRM.

3.3. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat realisering van het bouwplan een aantasting van de beeldkwaliteit van de omgeving zou opleveren en het om die reden niet van het bestemmingsplan wil afwijken. Voorts acht het het bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand. Daarbij heeft het zich gebaseerd op het door de Welstandscommissie Katwijk op 13 december 2011 uitgebrachte negatieve welstandsadvies.

Aangezien de in het bouwplan voorziene antenne volgens dat welstandsadvies in strijd is met de voor dat gebied geldende welstandscriteria, neergelegd in de Welstandsnota 2007 en niet in geschil is dat het bouwplan een aantasting van de beeldkwaliteit van de omgeving oplevert, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat de strijd met de redelijke eisen van welstand en de stedenbouwkundige bezwaren een beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting op de voet van artikel 10, tweede lid, van het EVRM rechtvaardigen. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat [appellant] het ontvangen en zenden niet onmogelijk wordt gemaakt, nu voor het oprichten van een antenne-installatie, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder 17, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, geen omgevingsvergunning is vereist.

Het beroep van [appellant] op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 16 december 2008 faalt, reeds omdat in die zaak geen esthetische redenen van belang bestonden om een schotelantenne te doen verwijderen en zulke redenen zich hier wel voordoen.

[appellant] doet evenzeer tevergeefs een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2012. In die zaak was over het bouwplan een positief welstandsadvies uitgebracht. De uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2012 in zaak nr. 201111758/1/A1 biedt evenmin steun aan het betoog van [appellant].

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J. Hoekstra, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. van Leeuwen, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Van Leeuwen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

543.