Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2056

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201201506/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juli 2010 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag aan [appellante] over het jaar 2007 op € 4.428,00 vastgesteld en de teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201201506/1/A2.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Bennebroek, gemeente Bloemendaal,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 10 januari 2012 in zaak nr. 11/1617 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2010 heeft de Belastingdienst de kinderopvangtoeslag aan [appellante] over het jaar 2007 op € 4.428,00 vastgesteld en de teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 11 februari 2011, aangevuld bij besluit van 25 februari 2011, heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, de tegemoetkoming nader op nihil vastgesteld en de teveel betaalde voorschotten van haar teruggevorderd.

De Belastingdienst heeft het door [appellante] tegen het besluit van 25 februari 2011 ingediende bezwaarschrift naar de rechtbank doorgezonden.

Bij uitspraak van 10 januari 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 11 februari 2011 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, doch bepaald dat de rechtsgevolgen ervan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Met toestemming van partijen is afgezien van behandeling van de zaak ter zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet kinderopvang (hierna: Wko) wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen onder gastouderbureau verstaan: een organisatie die gastouderopvang tot stand brengt en begeleidt.

Ingevolge die aanhef en onder j wordt onder houder verstaan: degene die een kindercentrum of een gastouderbureau exploiteert.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op een kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 52 geschiedt kinderopvang op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en de ouder.

Ingevolge artikel 56, tweede lid, zijn de artikelen 52, 53 en 54 van overeenkomstige toepassing op de houder van een gastouderbureau.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. De rechtbank heeft het besluit van 11 februari 2011 vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. Zij heeft de rechtsgevolgen ervan echter in stand gelaten, omdat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau heeft plaatsgevonden.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij over 2007 geen aanspraak heeft op kinderopvangtoeslag, heeft miskend dat de gastouderopvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau heeft plaatsgevonden, nu de tussenkomst van ViaViela tussenkomst is, als bedoeld in artikel 5, eerste lid, van de Wko. Voorts heeft de rechtbank, door te overwegen dat zij geen schriftelijke overeenkomst heeft overgelegd, miskend dat uit de Wko geen verplichting daartoe volgt. Ook heeft de rechtbank miskend dat haar kinderen uitstekend zijn opgevangen door bevoegde gastouders en deze opvang geheel overeenkomstig doel en geest van de Wko heeft plaatsgehad.

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 19 oktober 2011 in zaak nr. 201102492/1/H2; www.raadvanstate.nl), vloeit uit de wet voort dat geen aanspraak op kinderopvangtoeslag bestaat, indien geen overeenkomst, als bedoeld in artikel 52 van de Wko, de basis voor de opvang vormt. Ingevolge voormelde bepaling, gelezen in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de Awir, moet degene die aanspraak op kinderopvangtoeslag maakt aan de hand van een akte van een overeenkomst met de houder aantonen dat de opvang krachtens zodanige overeenkomst plaatsvindt.

De rechtbank heeft [appellante] in de gelegenheid gesteld om met het overleggen van een akte van een met het gastouderbureau voor bemiddeling in 2007 gesloten overeenkomst aan te tonen dat die tussenkomst door ViaViela heeft plaatsgevonden. [appellante] heeft geen zodanige akte aan de rechtbank overgelegd. De rechtbank is onder die omstandigheden met juistheid tot het oordeel gekomen dat de Belastingdienst zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat [appellante] over 2007 geen aanspraak op kinderopvangtoeslag heeft. Dat de kinderen, zoals [appellante] stelt, uitstekend door bevoegde gastouders zijn opgevangen maakt dat niet anders.

Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van staat.

w.g. Loeb w.g. Bindels

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

85-705.