Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201209966/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 7 september 2012 en 10 september 2012 hebben de ministers het inpassingsplan "Transformatorstation Vijfhuizen" (hierna: het rijksinpassingsplan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201209966/1/R1.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Metalkon B.V. en [appellant sub 1 A] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), gevestigd onderscheidenlijk wonend te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer,

2. [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B], (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer,

3. [appellant sub 3], wonend te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer,

en

de ministers van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, thans: Economische Zaken, en van Infrastructuur en Milieu (hierna: de ministers),

verweerders.

Procesverloop

Bij besluiten van 7 september 2012 en 10 september 2012 hebben de ministers het inpassingsplan "Transformatorstation Vijfhuizen" (hierna: het rijksinpassingsplan) vastgesteld.

Tegen deze besluiten (hierna in enkelvoud: het besluit) hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De ministers hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaaknummer 201210308/1/R1 ter zitting behandeld op 26 en 27 maart 2013, waar [appellant sub 2] is verschenen en de ministers zich hebben doen vertegenwoordigen.

Voorts is ter zitting de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid TenneT TSO B.V. als partij gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge de artikelen 3:11, 3:15 en 3:16 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt een ontwerpplan ter inzage gelegd voor de duur van zes weken en kunnen gedurende deze termijn zienswijzen naar voren worden gebracht.

[appellant sub 1] heeft tegen het ontwerp van het rijksinpassingsplan geen zienswijze naar voren gebracht.

Ingevolge de artikelen 8.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat luidde ten tijde van belang, en 6:13 van de Awb kan beroep slechts worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een rijksinpassingsplan door de belanghebbende die over dit ontwerpplan tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Deze omstandigheid doet zich niet voor. In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] bij brief van 23 maart 2010 zijn bezwaren tegen de bouw van een transformatorstation in de nabijheid van zijn woning aan TenneT kenbaar heeft gemaakt. Van de zijde van de toenmalige minister van Economische Zaken (hierna: EZ) is per brief van 21 april 2010 aangegeven dat dit bezwaar van [appellant sub 1] zou worden meegenomen in de procedure tot vaststelling van het rijksinpassingsplan, waarvan het ontwerp later dat jaar ter inzage zou worden gelegd. Van de zijde van de minister van EZ is bij brief van 7 juli 2010 aangegeven dat het bezwaar van [appellant sub 1] van 23 maart 2010 niet als zienswijze kan worden aangemerkt omdat deze is gericht aan TenneT. Daarop heeft de minister van EZ geadviseerd om alsnog een zienswijze naar voren te brengen wanneer het ontwerp van het rijksinpassingsplan ter inzage wordt gelegd. De minister van EZ heeft daarbij aangegeven op welke wijze [appellant sub 1] op de hoogte kan geraken van de terinzagelegging van het ontwerpplan en van de zienswijzetermijn en tevens heeft de minister in de brief van 7 juli 2010 aangegeven dat [appellant sub 1] ook persoonlijk op de hoogte zal worden gehouden van de procedure omtrent het rijksinpassingsplan voor het transformatorstation. Bij brief van 7 juni 2012 heeft de toenmalige minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie aan [appellant sub 1] te kennen gegeven dat de terinzagelegging van het ontwerp van het rijksinpassingsplan op 8 juni 2012 zal beginnen en op 19 juli 2012 zal eindigen en dat hij binnen die termijn een zienswijze naar voren kan brengen. Gelet op het voorgaande heeft [appellant sub 1] er niet op mogen vertrouwen dat zijn bezwaar in zijn brief van 23 maart 2010 als zienswijze bij de vaststelling van het bestreden besluit zou worden betrokken.

Het beroep van [appellant sub 1] is dan ook niet-ontvankelijk.

2. Het rijksinpassingsplan voorziet in het planologisch mogelijk maken van een nieuw transformatorstation in de gemeente Haarlemmermeer naast het bestaande 150/50/10 kV-transformatorstation. Het in het rijksinpassingsplan voorziene transformatorstation gaat het bestaande 150 kV-net verbinden met de nieuw aan te leggen 380 kV-hoogspanningsverbinding tussen Beverwijk en Bleiswijk, de zogenoemde Noordring.

3. [appellant sub 2] betoogt dat in het rijksinpassingsplan onvoldoende rekening is gehouden met de aanwezigheid van zijn woningen. In dit verband voert hij aan dat hij ten gevolge van het rijksinpassingsplan vreest voor een toename van de geluidbelasting, met name in de nachtelijke uren en bij vochtig weer, en voor de gevolgen van elektromagnetische straling. Hij wijst erop dat niet veel bekend is over een hoogspanningsverbinding van 380 kV in relatie tot een transformatorstation en over de verspreiding van geladen fijn stof. Verder voert hij aan dat zijn woonsituatie reeds zeer slecht is ten gevolge van het vrachtverkeer op de Spaarnwouderweg, de aanwezigheid van rijks- en provinciale wegen en verkeersknooppunten en ten gevolge van de Polderbaan van Schiphol. In dit verband wijst hij erop dat zijn woningen ten noordoosten van het voorziene transformatorstation staan zodat bij een zuidwestenwind de geladen fijn stof naar zijn woningen waait. Zolang over deze gevolgen van het rijksinpassingsplan geen zekerheid bestaat, meent hij dat hij niet aan deze gevaren mag worden blootgesteld. [appellant sub 2] betoogt verder dat ten onrechte de richtafstand van 500 m uit de brochure "Bedrijven en Milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-brochure) niet is gehanteerd. Daarnaast vreest hij voor schade door interferentie van de bekabeling rondom het transformatorstation met zijn bedrijfsapparatuur. Ten slotte wijst [appellant sub 2] op het gevaar van calamiteiten bij het transformatorstation en een waardevermindering van zijn onroerend goed.

3.1. De ministers stellen zich op het standpunt dat de VNG-brochure is toegepast om een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten en milieugevoelige objecten te creëren. Wat betreft het aspect geluid is gemotiveerd daarvan afgeweken omdat het transformatorstation niet zoneringsplichtig is. De ministers stellen dat de geluidsbelasting op de woningen van [appellant sub 2] voldoet aan de normen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit, thans: Activiteitenbesluit milieubeheer). In de zienswijzenota hebben de ministers aangegeven dat de toename van de geluidbelasting ten gevolge van het voorziene transformatorstation op de woningen van [appellant sub 2] minder dan 0,05 dB bedraagt en daarmee verwaarloosbaar klein is.

Verder voeren de ministers aan dat het voorzorgsbeleid van het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: het advies van VROM) niet van toepassing is op een transformatorstation, maar dat daarmee desalniettemin rekening is gehouden. De magneetveldzone is berekend en uit die berekening volgt dat er geen gevoelige bestemmingen als bedoeld in het advies van VROM binnen de magneetveldzone liggen.

De ministers stellen zich voorts op het standpunt dat op basis van de huidige wetenschappelijke inzichten de oplading door een coronaontlading te gering is om schadelijke effecten voor de gezondheid op te leveren. Zij wijzen op een onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM) uit 2007 "Hoogspanningslijnen en fijn stof, een literatuuronderzoek" (hierna: het RIVM-rapport) en de actualisatie daarvan uit 2011.

Verder stellen de ministers zich op het standpunt dat elektronica en computer- en besturingsapparatuur moeten voldoen aan Europese en Nederlandse normen ten aanzien van gevoeligheid voor elektromagnetische en elektrische velden. De bekabeling rondom het transformatorstation Vijfhuizen wordt aangelegd met inachtneming van de norm NEN-EN 50341, welke norm eisen stelt aan het stoorniveau dat mag worden veroorzaakt. Zowel TenneT als de gebruikers dienen zich aan de normen te houden, zodat de apparatuur in beginsel geen beperkingen zal ondervinden van interferentie. Bovendien zal TenneT, indien zich desondanks problemen zouden voordoen, maatregelen nemen om storingen te voorkomen, aldus de ministers.

4. [appellant sub 2] is eigenaar van twee woningen die staan aan de [locatie 1 en 2] in Vijfhuizen. Tevens exploiteert hij daar een bedrijf voor het stallen van caravans.

De kleinste afstand van de gronden waarop het transformatorstation is voorzien en de gronden van [appellant sub 2] bedraagt ongeveer 200 m.

De afstand van het voorziene transformatorstation tot aan de woning [locatie 1] bedraagt ongeveer 215 m en tot aan de woning [locatie 2] ongeveer 230 m.

5. In de VNG-brochure wordt voor geluid een afstand van 500 m aanbevolen tussen woningen en electriciteitsdistributiebedrijven met een opgesteld tranformatorvermogen van meer dan 1000 MVA (SBI-code 4035, nummer C5). Hierbij wordt ervan uitgegaan dat sprake is van een geluidzoneringsplichtige inrichting.

Voor het aspect gevaar is voor inrichtingen met de SBI-code 4035, nummer C5 in de VNG-brochure een afstand van 50 m als richtafstand opgenomen.

5.1. Ingevolge artikel 2.17, eerste lid, van het Activiteitenbesluit mag het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige installaties en toestellen, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten en laad- en losactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid, de inrichting op de gevel van gevoelige gebouwen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) voor onderscheidenlijk de dag-, avond- en nachtperiode.

5.2. In het kader van het rijksinpassingsplan hebben de ministers onderzoek laten doen naar de gevolgen van het rijksinpassingsplan op de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan de Spaarnwouderweg. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Geluidonderzoek in het kader van het rijksinpassingsplan ten behoeve van het geprojecteerde transformatorstation van TenneT te Vijfhuizen" van 10 oktober 2011, opgesteld door Peutz. Dit is aangevuld met een brief van Peutz van 21 november 2012. (hierna tezamen aangeduid als het akoestisch onderzoek).

In het akoestisch onderzoek staat dat de langetijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten gevolge van het rijksinpassingsplan voor de woning aan de [locatie 2] voor de dagperiode 34 dB(A), voor de avondperiode 35 dB(A) en voor de nachtperiode 31 dB(A) bedragen. De langetijdgemiddelde beoordelingsniveaus ten gevolge van het rijksinpassingsplan voor de woning aan de [locatie 1] bedragen voor de dagperiode 35 dB(A), voor de avondperiode 35 dB(A) en voor de nachtperiode 31 dB(A).

5.3. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat hij vreest voor calamiteiten overweegt de Afdeling dat wat betreft het aspect gevaar in de VNG-brochure een richtafstand van 50 m wordt aanbevolen. Nu de woningen van [appellant sub 2] op 215 en 230 m van het voorziene transformatorstation staan, hebben de ministers zich terecht op het standpunt gesteld dat wat betreft het aspect gevaar wordt voldaan aan de richtafstanden in de VNG-brochure.

5.4. De Afdeling overweegt voorts dat de ministers bij het bestreden besluit de VNG-brochure hebben toegepast maar dat zij voor de aan te houden afstand wat betreft het aspect geluid in redelijkheid hebben kunnen afwijken. In dit verband overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet gemotiveerd heeft betwist dat het voorziene transformatorstation geen zoneringsplichtige inrichting in de zin van de Wet geluidhinder is en dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat de normen uit het Activiteitenbesluit, ook in de nachtperiode, ten gevolge van het rijksinpassingsplan niet worden overschreden. Verder overweegt de Afdeling dat het geluid dat [appellant sub 2] van het bestaande transformatorstation stelt te horen bij vochtig weer wordt veroorzaakt door het corona-effect en zich manifesteert als een knetterend geluid. De ministers hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hieraan geen doorslaggevend gewicht hoeft te worden toegekend. In dit verband hebben de ministers van belang mogen achten dat de afstand tussen de woningen en het voorziene transformatorstation ruim 200 m bedraagt en dat het coronageluid zich met name manifesteert in het hoogfrequente gebied, waar de luchtabsorptie groter is dan bij lage frequenties. Voorts overweegt de Afdeling dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een toename van de geluidbelasting van minder dan 0,05 dB verwaarloosbaar is.

6. In de toelichting op het rijksinpassingsplan staat dat het advies van VROM van toepassing is op bovengrondse hoogspanningsverbindingen, maar niet op transformatorstations. Desondanks is in het rijksinpassingsplan aandacht besteed aan dit onderwerp en is onderzocht waar in dit concrete geval de grens van de magneetveldzone van 0,4 µT ligt. Hierbij wordt verwezen naar een afbeelding in paragraaf 5.6 waarop de magneetveldzone van het transformatorstation is aangegeven.

6.1. De Afdeling verwijst voor de inhoud van het advies van VROM naar overweging 11.2 van de uitspraak van de Afdeling van heden, in zaak nr. 201210308/1/R1.

De Afdeling overweegt dat de magneetveldzone van het transformatorstation is berekend en dat de woningen van [appellant sub 2] niet binnen deze zone staan. In het niet gemotiveerde betoog van [appellant sub 2] dat hij vreest voor de gevolgen van elektromagnetische straling, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat dit aspect door gebruik te maken van het advies van VROM onvoldoende in de belangenafweging is betrokken.

7. De Afdeling verwijst voor de inhoud van het RIVM-rapport naar overweging 27.2 van de uitspraak van de Afdeling van heden, in zaak nr. 201210308/1/R1.

[appellant sub 2] heeft het RIVM-rapport niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid hebben kunnen baseren op het RIVM-rapport. Nu hieruit volgt dat de geladen fijn stofdeeltjes geen gevolgen voor de gezondheid hebben, overweegt de Afdeling dat de omstandigheid dat in de nabijheid van de woningen van [appellant sub 2] ook wegen en de Polderbaan liggen de geladen fijn stofdeeltjes niet tot een extra gezondheidsrisico leiden.

8. In hetgeen is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat de ministers er niet in redelijkheid van mochten uitgaan dat [appellant sub 2] door de realisering van de hoogspanningsverbinding geen problemen met fijngevoelige elektronica, computerapparatuur en machines zal ondervinden dan wel dat hij daardoor onevenredig in hun belangen worden geschaad. Hierbij betrekt de Afdeling dat door TenneT eventuele interferentie van de bekabeling rondom het transformatorstation op andere elektrische systemen door beïvloedingsberekeningen wordt gemonitord. Voorts is bij dit oordeel van belang dat de ministers uiteen hebben gezet dat voldoende waarborgen bestaan om te voorkomen dat problemen zich voordoen en zo deze zich onverhoopt voor zouden doen, TenneT daarvoor een oplossing zal aandragen en de kosten zal vergoeden.

9. Wat de eventueel nadelige invloed van het rijksinpassingsplan op de waarde van de percelen van [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de ministers bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht hadden moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het rijksinpassingsplan aan de orde zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat [appellant sub 2] gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot gezondheidsrisico’s en geluidhinder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bouw van het transformatorstation ertoe zal leiden dat de overdracht van zijn onderneming in ernstige mate zal worden bemoeilijkt.

10. Met betrekking tot het beroep van [appellant sub 3] overweegt de Afdeling als volgt. [appellant sub 3] heeft in zijn beroepschrift betoogd dat hij bezwaar heeft tegen het rijksinpassingsplan omdat hij vreest voor straling, geluidoverlast en gevaar in het algemeen. Hierdoor is zijn woning niet meer te verkopen, aldus [appellant sub 3]. [appellant sub 3] heeft zijn betoog niet van enige motivering voorzien. Reeds daarom kan dit niet slagen.

11. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het rijksinpassingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

De beroepen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3] zijn ongegrond.

12. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] dat ongeacht de uitkomst van deze procedure de door hem gemaakte kosten ten behoeve van het instellen van beroep tegen het bestreden besluit zouden moeten worden vergoed, overweegt de Afdeling als volgt. Een veroordeling van het verwerend bestuursorgaan in de proceskosten van een appellant vindt in beginsel alleen plaats indien het bestreden besluit wordt vernietigd. Niet is gebleken van omstandigheden waardoor in dit geval een uitzondering op deze hoofdregel moet worden gemaakt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Metalkon B.V. en [appellant sub 1 A] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2 A] en [appellant sub 2 B] en [appellant sub 3] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

533-559.