Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2047

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201110752/1/A4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Charbon International B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het briketteren van houtvezel en het produceren van houtskool op het perceel Bedrijvenpark Twente 127, 129 en 168 te Almelo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201110752/1/A4.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Plaatselijk Belang Aadorp (hierna: PB Aadorp), gevestigd te Aadorp, gemeente Almelo,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2011 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Charbon International B.V. een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het briketteren van houtvezel en het produceren van houtskool op het perceel Bedrijvenpark Twente 127, 129 en 168 te Almelo.

Tegen dit besluit heeft PB Aadorp beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 maart 2013, waar PB Aadorp, vertegenwoordigd door ir. F. Schukken en G.J. Kassies, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Orie, A.M. van Beek en E.M. Suseibeek, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Charbon International B.V., vertegenwoordigd door mr. J.P. Drost en ing. H. Neelen, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten gewijzigd. Uit het overgangsrecht van de Invoeringswet Wabo volgt dat de wetswijzigingen niet van toepassing zijn op dit geding. In deze uitspraak worden dan ook de wetten aangehaald, zoals zij luidden voordat zij bij invoering van de Wabo werden gewijzigd.

2. PB Aadorp voert aan dat de werkelijke emissies worden onderschat en dat in onvoldoende mate tegemoet wordt gekomen aan de in de voorschriften vastgelegde waarden ten aanzien van de klachten over stankoverlast. Op grond van het verhandelde ter zitting begrijpt de Afdeling deze beroepsgrond aldus dat de voorschriften die het college aan de vergunning heeft verbonden, volgens PB Aadorp ontoereikend zijn om geuroverlast te voorkomen dan wel te beperken.

Voorts stelt PB Aadorp dat er geen onderzoek naar de hedonische waarde van de schroei- en houtskoollucht heeft plaatsgevonden. Volgens haar heeft het college niet duidelijk gemaakt of een hedonische waarde van -2 een acceptabel hinderniveau is.

2.1. In tabel 5.14 op blz. 54 van het rapport "Nader onderzoek Ekoblok BV op geur en luchtkwaliteit" van 10 november 2008 van Buro Blauw B.V. staan de resultaten van de bepaling van de hedonische waarde. Op blz. 70 van dit rapport staat dat de hedonische waarde conform de Nederlandse Voornorm NVN 2818:2005 is bepaald met een panel van waarnemers. De stelling dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de hedonische waarde mist feitelijke grondslag.

2.2. Ingevolge vergunningvoorschrift 8.2.1 mag de geurimmissie vanwege de inrichting de concentratie van 2,4 ge/m3 (1,2 OUE/m3) als 98-percentiel ter plaatse van de bestaande woonbebouwing niet overschrijden.

2.3. Het college heeft bij de beoordeling van de geur vanwege de inrichting aansluiting gezocht bij het provinciaal geurbeleid van Overijssel. In dit geurbeleid zijn streef-, richt- en bovenwaarden voor geuremissies vastgesteld, afhankelijk van de mate van hinderlijkheid daarvan. Uit het rapport van Buro Blauw in samenhang met het geurbeleid volgt dat de geur vanwege de inrichting wordt geclassificeerd als 'hinderlijk'. De juistheid van het rapport van Buro Blauw is door PB Aadorp niet betwist. Volgens het geurbeleid geldt voor wonen een bovenwaarde van 3 ge/m3 (1,5 OUE/m3) voor geurimmissies die als 'hinderlijk' worden geclassificeerd. Nu de op grond van vergunningvoorschrift 8.2.1 ten hoogste toegestane concentratie van 2,4 ge/m3 (1,2 OUE/m3) lager is dan de bovenwaarde die volgens het geurbeleid geldt, kon het college die concentratie als een acceptabel hinderniveau beschouwen. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de voorschriften die het college aan de vergunning heeft verbonden, ontoereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van geurhinder.

De beroepsgrond faalt.

3. Ter zitting heeft PB Aadorp aangevoerd dat volgens paragraaf 6.3.4 van het rapport "Geuronderzoek ten behoeve van aanvraag revisievergunning Charbon International BV" van 20 mei 2011 van PRA Odournet niet aan het geurbeleid kan worden voldaan.

3.1. In paragraaf 6.3.4 van dit rapport staat dat in ieder geval aan de in het geurbeleid gestelde bovenwaarde kan worden voldaan door de aanleg van de aangevraagde schoorsteen van 20 m op het emissiepunt van de extruders. In dat geval bedraagt de hoogste geurimmissieconcentratie ter plaatse van de woonbebouwing van Aadorp 1,2 OUE/m3. Die waarde is in vergunningvoorschrift 8.2.1 als ten hoogste toegestane concentratie vastgelegd. Onder 2.3. is reeds overwogen dat die waarde lager is dan de bovenwaarde die in het geurbeleid is opgenomen. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat niet aan het geurbeleid kan worden voldaan.

De beroepsgrond faalt.

4. Ook met betrekking tot stof voert PB Aadorp aan dat de werkelijke emissies door het college worden onderschat. Daartoe voert zij aan dat er geen duidelijkheid bestaat over de stofemissie die vrijkomt vanuit de pyrolyseovens. Volgens haar heeft het college niet gemotiveerd dat de emissievracht minder dan 0,2 kg/uur bedraagt.

4.1. Bij de aanvraag is het rapport "Emissie-onderzoek stookinstallaties" van 6 mei 2011 van SCM Milieu B.V. gevoegd. Op blz. 10 van dit rapport wordt geconcludeerd dat de emissievracht van het totaal aan stof uit de pyrolyseovens 182 gram/uur bedraagt. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan die conclusie te twijfelen. Gelet daarop is het college terecht uitgegaan van een emissievracht van minder dan 0,2 kg/uur.

De beroepsgrond faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.H. Schoppers, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Schoppers

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

492-687.