Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201208866/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:4203, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de Beukelsdijk 66c te Rotterdam (hierna: de woning) voor de duur van twaalf maanden te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2013/95 met annotatie van L.J.J. Rogier
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201208866/1/A3.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 26 juli 2012 in zaak

nr. 12/446 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 28 september 2011 heeft de burgemeester onder aanzegging van bestuursdwang gelast de woning aan de Beukelsdijk 66c te Rotterdam (hierna: de woning) voor de duur van twaalf maanden te sluiten.

Bij besluit van 27 december 2011 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 26 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2013, waar [appellant], bijgestaan door mr. A. Mojaed, werkzaam bij mr. J.S. Pols, advocaat te Vogelenzang, en de burgemeester, vertegenwoordigd door

mr. A.J.J. van der Vlist, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. In lijst I is heroïne, zijnde een harddrug, vermeld.

Ter uitvoering van de bevoegdheid, neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, heeft de burgemeester de 'Beleidsregel artikel 13b Opiumwet inzake een woning of lokaal 2011', in werking getreden op 21 april 2011, vastgesteld, welke onderdeel uitmaakt van de 'Beleidslijn Woonoverlast 2009' (Gemeenteblad 133, nr. 13). Volgens deze beleidsregel wordt een woning waarin voor de eerste maal een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen in beginsel gesloten, maar zal nadrukkelijk worden bezien of gelet op de feiten en omstandigheden van het specifieke geval met een waarschuwing kan worden volstaan. De beleidsregel bevat de volgende niet limitatieve opsomming van indicatoren die relevant zijn bij de zorgvuldige belangenafweging of sluiting noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de gewenste situatie van het woon- en leefklimaat en het weren en terugdringen van drugshandel gerelateerd aan de desbetreffende woning, dan wel wordt volstaan met een waarschuwing.

- De hoeveelheid aangetroffen middelen als bedoeld in lijst I en/of II van de Opiumwet. Hierbij kan gedacht worden aan de aangetroffen middelen, in hoeverre is sprake van handelshoeveelheden van verschillende middelen, combinatie van hard- en softdrugs, maar ook aan de hoeveelheid. Het aantreffen van een handelshoeveelheid op zichzelf is al voldoende om handel aan te nemen en daadwerkelijke verkoop, afleveren of verstrekken hoeft niet aangetoond te worden. Echter, een minieme overschrijding van wat als handelshoeveelheid wordt aangemerkt kan een andere afweging rechtvaardigen.

- De mate waarin de woning betrokken is bij, dan wel bekend staat als pand waar drugshandel of drugsbezit aanwezig is. Hierbij kan gedacht wordt aan (waarnemingen van) aanloop van personen die met drugshandel en/of -gebruik in verband kunnen worden gebracht, of het aantreffen van attributen die op handel in verdovende middelen wijzen zoals weegschalen, grote hoeveelheden cash geld, versnijdingsmaterialen, verpakkingsmaterialen, et cetera, in de woning.

- Strafbare feiten, geweldsdelicten, wapenbezit als bedoeld in de Wet wapens en munitie of andere openbare orde-delicten gerelateerd aan de woning. Hierbij kan gedacht worden aan gerelateerde feiten in de zin dat in de woning personen worden aangetroffen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit gedurende de afgelopen drie jaar, of zich ten aanzien van dergelijke feiten recidivist hebben getoond. Ook kan aantoonbare (drugs)overlast met betrekking tot het pand of andere panden van de eigenaar een rol spelen.

- Vermoedens van verwijtbaar gedrag van bewoner(s)/betrokkene(n) of betrokkenheid bij personen met antecedenten. Hierbij kan gedacht worden aan aantoonbare relaties van bewoner(s)/betrokkene(n) met personen die bij de politie bekend staan als drugshandelaren, al dan niet in georganiseerd verband, of die bekend staan in verband met georganiseerde criminaliteit.

- De mate van gevaar of risico voor het woon- en leefklimaat in de omgeving en/of omwonende(n). Hierbij kan gedacht worden aan een buurt waarin de woning zich bevindt (staat de omgeving van de woning al langer onder druk in verband met drugsoverlast bijvoorbeeld blijkend uit een negatieve score op de veiligheidsindex, dan kan worden overwogen dat een drugsvondst sneller het toch al broze woon- en leefklimaat in gevaar brengt) of de drugsoverlast die in de directe omgeving wordt ondervonden.

- De eigen getroffen maatregelen door de eigenaar om de openbare orde in en rond de woning in voldoende mate te herstellen.

De beleidsregel kent een sluitingstermijn van in beginsel zes maanden. Indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de burgemeester besluiten tot een sluiting van maximaal twaalf maanden.

2. De burgemeester heeft aan het besluit van 28 september 2011, zoals gehandhaafd bij besluit van 27 december 2011, ten grondslag gelegd dat de politie op 1 juli 2011 in de woning 428 g heroïne, 7.085,49 g versnijdingsmiddel, vier persmallen, twee weegschalen, twee mixers, rollen tape en verpakkingsmaterialen heeft aangetroffen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs een ruime handelshoeveelheid is. Hierdoor staat volgens de burgemeester vast dat in de woning verkoop, aflevering of verstrekking van harddrugs heeft plaatsgevonden, dan wel dat deze daartoe aanwezig zijn geweest.

Dit heeft de openbare orde en het woon- en leefklimaat in ernstige mate aangetast. De burgemeester acht een sluiting van twaalf maanden gerechtvaardigd ter herstel van de gewenste situatie van het woon- en leefklimaat en het weren en terugdringen van drugshandel gerelateerd aan de woning. Daarbij heeft de burgemeester in aanmerking genomen de hoeveelheid aangetroffen harddrugs, de aangetroffen attributen die op handel in verdovende middelen wijzen, de drugsoverlast in de wijk Middelland waarin de woning is gelegen en de omstandigheid dat een ernstig misdrijf de aanleiding was voor de politie om de woning te doorzoeken. Verder heeft de burgemeester bij het vaststellen van de sluitingstermijn in aanmerking genomen dat [appellant] door de wijze van verhuur van de woning een risico heeft genomen illegale activiteiten te faciliteren. De woning is verhuurd zonder informatie over het inkomen van de huurder die contant betaalde en niet stond ingeschreven op het adres van de woning in de gemeentelijke basisadministratie. Van een professionele verhuurder als [appellant] mag worden verwacht dat hij met zijn tussenpersoon N.A.S. Woningverhuur niet alleen afspraken maakt over de wijze van onderhuur maar ook over de wijze van controle op de woning. Daarnaast heeft [appellant] zelf geen maatregelen genomen om herhaling in de toekomst te voorkomen, aldus de burgemeester.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de sluiting van de woning voor de duur van twaalf maanden een zuiver bestraffend karakter heeft. De rechtbank heeft daarom ten onrechte volstaan met een terughoudende toets van de door de burgemeester verrichte belangenafweging, aldus [appellant]. Hij voert aan dat bij toepassing van de bevoegdheid neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet geen verstoring van de openbare orde of vrees daartoe nodig is en dat de Opiumwet tot het domein van het strafrecht behoort. Het sluiten van de woning heeft voor [appellant] ook vergaande financiële consequenties. Voorts staat volgens [appellant] vast dat in dit geval geen overlast heeft plaatsgevonden, zodat de sluiting van de woning niet kan zijn gericht op herstel van de gewenste situatie van het woon- en leefklimaat en het weren en terugdringen van drugshandel gerelateerd aan de woning. Hij stelt dat er geen klachten met betrekking tot overlast van het pand zijn geweest, dat het pand niet bekend stond als drugspand, dat de huurders in de toekomst niet meer over de woning kunnen beschikken en dat hijzelf op geen enkele wijze betrokken is geweest bij de criminele activiteiten die in de woning hebben plaatsgevonden. Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de burgemeester in redelijkheid sluiting van de woning voor de duur van twaalf maanden heeft kunnen gelasten, aldus [appellant].

4. De Afdeling stelt vast dat [appellant] niet betwist dat in de woning op 1 juli 2011 428 g heroïne, 7.085,49 g versnijdingsmiddel, vier persmallen, twee weegschalen, twee mixers, rollen tape en verpakkingsmaterialen zijn aangetroffen. Evenmin is in geschil dat de aangetroffen hoeveelheid harddrugs een ruime handelshoeveelheid is.

De burgemeester heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat de harddrugs voor handel waren bestemd. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2012 in zaak nr. 201104719/1/A3, heeft de rechtbank terecht overwogen dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen niet vereist is dat daadwerkelijk harddrugs dan wel softdrugs zijn verhandeld, maar volgt uit het woord "daartoe" in deze bepaling dat de enkele aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking de bevoegdheid verschaft tot sluiting van de woning. Dit brengt tevens met zich dat de omstandigheid dat [appellant], naar hij stelt, geen wetenschap had van de aanwezigheid van de heroïne in de door hem verhuurde woning, niet afdoet aan de bevoegdheid van de burgemeester tot sluiting van de woning. Gelet op de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is voor het ontstaan van de in dit artikel neergelegde bevoegdheid voorts niet noodzakelijk dat de burgemeester aannemelijk maakt dat de aanwezigheid van harddrugs in de woning overlast heeft veroorzaakt. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat nu niet in geschil is dat op 1 juli 2011 een handelshoeveelheid van een middel bedoeld in lijst I van de Opiumwet, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking in de woning aanwezig was, de burgemeester bevoegd was sluiting van de woning te gelasten.

Uit de beleidsregel volgt dat de burgemeester de bevoegdheid aanwendt indien in een woning een handelshoeveelheid verdovende middelen is aangetroffen. Indien de ernst en de aard van de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven kan de burgemeester besluiten tot een sluiting van maximaal twaalf maanden. Met de rechtbank wordt dit beleid in het algemeen niet onredelijk geacht. De in dit geval gelaste sluiting voor de duur van twaalf maanden is in overeenstemming met dit beleid. De burgemeester heeft verschillende verzwarende omstandigheden aan het besluit ten grondslag gelegd. Wat betreft de vraag of deze termijn evenredig is, is van belang dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 8 september 2010 in zaak nr. 200910265/1/H3), de burgemeester over beslissingsruimte beschikt bij de vaststelling van de termijn van een op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelaste sluiting. Dit brengt met zich dat de rechter een dergelijk bevel terughoudend dient te toetsen. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de sluiting van de coffeeshop geen bestraffend karakter. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in evenvermelde uitspraak), strekt een op artikel 13b van de Opiumwet gebaseerd sluitingsbevel tot uitoefening van bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht, waarmee wordt opgetreden tegen schending van verboden, neergelegd in de Opiumwet. In overeenstemming met laatstgenoemde bepaling mag de toepassing van bestuursdwang slechts strekken tot beëindiging en voorkoming van overtredingen van de Opiumwet, zoals geconstateerd door de burgemeester. Indien toepassing van deze bevoegdheid in een concreet geval verder zou strekken, zou de sanctie niet meer uitsluitend het karakter van een herstelsanctie, maar ook een leedtoevoegend karakter hebben en daarom als een bestraffende sanctie moeten worden beschouwd. Evenals de rechtbank ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] in dat verband heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat een dergelijke situatie zich hier voordoet. Dat de financiële consequenties van de sluiting van de woning voor [appellant] aanzienlijk zouden zijn, doet hieraan niet af. Het is inherent aan de sluiting van een woning dat daarmee financiële consequenties gepaard gaan.

Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester in redelijkheid na afweging van de betrokken belangen een sluiting voor de duur van twaalf maanden heeft kunnen gelasten. De burgemeester heeft in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat de situatie in dit geval zo ernstig was dat een sluiting van twaalf maanden nodig was voor het herstel van het woon- en leefklimaat en het weren en terugdringen van drugshandel gerelateerd aan de woning. Daarbij heeft de burgemeester naast de hoeveelheid aangetroffen harddrugs, de aangetroffen attributen die op handel in verdovende middelen wijzen en de drugsoverlast in de wijk Middelland waarin de woning is gelegen terecht in aanmerking genomen dat een ernstig misdrijf de aanleiding was voor de politie om de woning te doorzoeken. De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat de burgemeester in [appellant]s stellingen dat geen sprake was van aan de woning gerelateerde overlast, dat hij niet op de hoogte was van de drugsactiviteiten in de woning, dat problemen als de onderhavige in zijn andere panden niet of nauwelijks voorkomen en dat hij kort na de vooraankondiging van het bestuurlijke optreden de huurovereenkomst met N.A.S. Woningverhuur heeft opgezegd, wat daarvan ook zij, geen aanleiding heeft hoeven zien om te volstaan met een sluiting voor de duur van zes maanden dan wel een waarschuwing. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals de burgemeester heeft gesteld, [appellant] niet voldoende maatregelen heeft getroffen om de openbare orde in en rond de woning in voldoende mate te herstellen. Hij heeft in ieder geval in zoverre niet slechts kunnen volstaan met eenzijdige opzegging van de huurovereenkomst met N.A.S. Woningverhuur. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2010 in zaak nr. 200907145/1/H3 terecht van belang geacht dat de gevolgen die drugshandel vanuit een huurpand heeft voor de bestuurlijke handhaving voor rekening van de verhuurder komen, in dit geval [appellant]. Daargelaten wanneer de overeenkomst tussen N.A.S. Woningverhuur en [appellant] daadwerkelijk is geëindigd, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de overeenkomst tussen N.A.S. Woningverhuur en de huurder op enig moment is geëindigd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de burgemeester dit heeft mogen meewegen bij de beoordeling. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, zoals de burgemeester in het verweerschrift in hoger beroep heeft gesteld, [appellant] dit nog altijd niet aannemelijk heeft gemaakt, hetgeen mede de aanleiding is geweest om het door [appellant] ingediende verzoek om de sluiting van de woning vroegtijdig op te heffen bij besluit van 22 maart 2012 af te wijzen.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Nell, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Nell

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

597.