Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2037

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201207329/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2011 heeft het college aan maatschap Niehof een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het veranderen van het veebestand op een rundveehouderij, gevestigd aan de [locatie] te Lattrop-Breklenkamp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201207329/1/R2.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Dinkelland,

en

het college van gedeputeerde staten van Overijssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 december 2011 heeft het college aan maatschap Niehof een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het veranderen van het veebestand op een rundveehouderij, gevestigd aan de [locatie] te Lattrop-Breklenkamp.

Bij besluit van 14 juni 2012 heeft het college het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit nader gemotiveerd, en het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2013, waar [appellant], bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof en het college, vertegenwoordigd door H. Puttenstein en A.M. Rensen, beiden werkzaam bij de provincie Overijssel, zijn verschenen.

Overwegingen

Kennisgeving

1. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat van het besluit van 23 december 2011 ondeugdelijk kennis is gegeven, omdat in de kennisgeving niet stond vermeld binnen welke termijn en bij welk bestuursorgaan bezwaar kon worden gemaakt, overweegt de Afdeling dat [appellant] niet in zijn belang is geschaad nu hij tijdig bezwaar tegen dit besluit heeft gemaakt. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat niet kan worden uitgesloten dat ook de belangen van derden zijn geschaad, overweegt de Afdeling dat, nu van het besluit wel kennis is gegeven, maar voor de mogelijkheid voor het indienen van bezwaar werd verwezen naar de website van de provincie, niet aannemelijk is dat derden hierdoor geen bezwaar zouden hebben kunnen indienen. Het betoog faalt.

Natura-2000 gebieden

2. De rundveehouderij ligt, voor zover hier van belang, in de nabijheid van de Natura 2000-gebieden ‘Bergvennen en Brecklenkampse Veld’, ‘Dinkelland’, ‘Landgoederen Oldenzaal’, ‘Achter de Voort, Agelerbroek en Voltherbroek’, ‘Springeldal en Dal van de Mosbeek’. Deze gebieden zijn in mei 2003 aangemeld als speciale beschermingszone in de zin van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206; hierna: Habitatrichtlijn). Verder zijn deze gebieden bij beschikking van de Europese Commissie van 7 december 2004 geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang voor de Atlantische biogeografische regio.

Toetsingskader

2.1. Ingevolge artikel 19kd, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in verbinding met het derde lid, aanhef en onder c, van de Nbw 1998, zoals deze luidden ten tijde van belang, betrekt het bevoegd gezag bij besluiten over het verlenen van een vergunning als bedoeld in artikel 19d, eerste lid, niet de gevolgen die een handeling kan hebben door het veroorzaken van stikstofdepositie op voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied indien de handeling een gebruik is dat na 7 december 2004 in betekenende mate is gewijzigd, waarbij is verzekerd dat, in samenhang met voor de activiteit getroffen maatregelen, de stikstofdepositie op de voor stikstof gevoelige habitats in een Natura 2000-gebied als gevolg van dat gebruik per saldo niet zal toenemen.

Uit hetgeen de Afdeling in haar uitspraak van 7 september 2011 in zaak nr. 201003301/1/R2 heeft overwogen en waarbij de Afdeling blijft, volgt dat de toepasselijkheid van artikel 19kd omdat de stikstofdepositie per saldo niet zal toenemen, niet meebrengt dat ingevolge artikel 19d geen vergunningplicht geldt, maar dat bij het verlenen van die vergunning de gevolgen van de stikstofdepositie niet mogen worden betrokken.

Behandeling beroepsgronden

3. [appellant] betoogt dat artikel 19kd van de Nbw 1998 niet van toepassing is. Hij voert daartoe aan dat interne saldering niet in het kader van de Nbw 1998 kan worden toegepast, nu de term ‘per saldo’ uit artikel 19kd, eerste lid, onder b, van de Nbw 1998 niet op interne saldering ziet. Als artikel 19kd wel van toepassing zou zijn, is daaraan in dit geval geen toepassing gegeven, nu interne saldering volgens [appellant] inhoudt dat in samenhang met het gewijzigde gebruik maatregelen worden getroffen, waarvan in het onderhavige geval geen sprake is.

[appellant] voert vervolgens aan dat, nu artikel 19kd niet van toepassing is, althans niet is toegepast, het college had moeten toetsen aan de Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen (hierna: de Beleidsregel). In dit verband wijst hij erop dat het college de Beleidsregel wel heeft toegepast voor zover het voorschrift 4 van de vergunning betreft, nu daarin een eis uit de Beleidsregel is neergelegd.

Voorts betoogt [appellant] dat ten onrechte niet is uitgegaan van de feitelijke ammoniakdepositie op de referentiedatum, maar van de vergunde situatie.

3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat artikel 19kd van de Nbw 1998 van toepassing is, nu de stikstofdepositie in de nieuwe situatie niet toeneemt ten opzichte van de vergunde situatie. Met betrekking tot de Beleidsregel stelt het college dat het bestendige beleid is toegepast, dat een aanvraag niet wordt getoetst aan de Beleidsregel als artikel 19kd van de Nbw 1998 van toepassing is. Voorts stelt het college dat bij toepassing van artikel 19kd van de vergunde situatie dient te worden uitgegaan.

3.2. Bij besluit van 14 november 2000 is voor de rundveehouderij een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend. Deze vergunning zag op het houden van 41 melkkoeien, 29 stuks vrouwelijk jongvee en 144 rosévleeskalveren, met een ammoniakemissie van 833,9 kg/jaar. De op 23 december 2011 verleende vergunning ziet op het houden van 91 melkkoeien en 35 stuks jongvee, met een ammoniakemissie van 782,6 kg/jaar. Uit deze vergelijking blijkt dat de stikstofdepositie op de eerder genoemde Natura 2000-gebieden vanwege de rundveehouderij lager wordt. Artikel 19kd brengt met zich dat in een dergelijk geval de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden niet bij de vergunningverlening worden betrokken. Anders dan [appellant] betoogt, is voor toepassing van deze bepaling niet vereist dat specifieke maatregelen ter reductie van de depositie van stikstof worden vorgeschreven. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte artikel 19kd van de Nbw 1998 van toepassing heeft geacht. Gelet hierop, wordt aan hetgeen in de Beleidsregel is bepaald niet toegekomen. Het betoog faalt.

3.3. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat het college ten onrechte is uitgegaan van de vergunde situatie overweegt de Afdeling als volgt. Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 7 september 2011, in zaak nr. 201003301/1/R2 mag bij de beoordeling of sprake is van significante gevolgen door stikstofdepositie in het kader van de vergunningverlening bij deze Natura 2000-gebieden worden uitgegaan van de situatie waarvoor reeds toestemming is verleend op de referentiedatum als bedoeld in artikel 19kd, derde lid, van de Nbw 1998. Onder het verlenen van toestemming als hiervoor bedoeld, moet naar het oordeel van de Afdeling in gevallen als deze de vergunning, dan wel de melding, krachtens de Wet milieubeheer of de daaraan voorafgaande Hinderwet worden verstaan. Het college is bij toepassing van artikel 19kd dan ook terecht uitgegaan van de vergunde situatie. Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het recht. Het beroep is ongegrond.

4.1. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Van Baaren

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

579-704.