Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2013:CA2032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
05-06-2013
Zaaknummer
201211698/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 september 2012 heeft het college een besluit tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting ingevolge artikel 83 Wet geluidhinder vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/6713
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211698/1/R2.

Datum uitspraak: 5 juni 2013

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de vereniging Vereniging "Oud Utrecht", de vereniging Bond Heemschut Vereniging tot Bescherming van cultuurmonumenten in Nederland en de stichting Cuypersgenootschap Stichting tot behoud van het negentiende en vroeg twintigste eeuws cultuurgoed in Nederland en tot ondersteuning van het Cuypersgenootschap, respectievelijk gevestigd te Utrecht, Amsterdam en Maasgouw,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 september 2012 heeft het college een besluit tot vaststelling van hogere waarden voor de ten hoogst toelaatbare geluidsbelasting ingevolge artikel 83 Wet geluidhinder vastgesteld.

Bij besluit van 25 oktober 2012 heeft de raad het bestemmingsplan Gerrit Rietveldcollege, Tuindorp vastgesteld.

Bij besluiten van 30 oktober 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de gemeente Utrecht omgevingsvergunningen verleend voor het bouwen van een schoolgebouw met ondersteunende functies en het kappen van bomen bij het Gerrit Rietveldcollege.

Tegen het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan hebben de Vereniging Oud Utrecht en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 maart 2013, waar de Vereniging Oud Utrecht en anderen, vertegenwoordigd door ing. Y Meihuizen en drs. J. de Leede, en de raad, vertegenwoordigd door mr. A.C. van Vliet, drs. K. Sam Sin-Vos en drs. K. Ulrich, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) is van toepassing.

2. De besluiten van 10 september 2012, 25 en 30 oktober 2012 zijn op grond van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.

3. Het plan maakt het mogelijk om op de locatie ten noorden van het Gerrit Rietveld College (hierna: de bestaande school) een nieuw schoolgebouw en ter plaatse van de bestaande school na sloop, woningbouw met voorzieningen te realiseren. Het plan ziet op een gebiedsontwikkeling uit te voeren in twee fasen. In fase 1 wordt op het sportveld ten noorden van de bestaande school een nieuwe school gerealiseerd. In fase 2 wordt de bestaande school gesloopt en de grond bouwrijp uitgegeven voor de ontwikkeling tot woningbouw met voorzieningen.

4. De Vereniging Oud Utrecht en anderen kunnen zich niet verenigen met het plan omdat dit leidt tot sloop van het bestaande schoolgebouw. Zij betogen dat ten onrechte onvoldoende rekening is gehouden met de cultuurhistorische waarden van het plangebied door de aanwezigheid van het bestaande schoolgebouw en dat dit in strijd is met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Voorts voeren zij aan dat de raad omtrent het plan ten onrechte geen advies heeft ingewonnen van de commissie Welstand en Monumenten. Dit klemt te meer daar de Vereniging Oud Utrecht en anderen wel advies hebben ingewonnen bij de commissie Welstand en Monumenten en deze commissie van mening is dat het bestaande schoolgebouw over voldoende architectonische en cultuurhistorische waarde beschikt om te kunnen worden voorgedragen als gemeentelijk monument. In de zienswijze hebben zij bovendien een integrale cultuurhistorische analyse van het Monumenten Advies Bureau overgelegd waarin tot eenzelfde conclusie wordt gekomen. De Vereniging Oud Utrecht en anderen betogen dat de raad ten onrechte niet heeft onderkend dat nieuwbouw niet noodzakelijk is. Ook het oude schoolgebouw kan - gelet op zijn omvang - ruimte bieden voor een nieuw onderwijsconcept. Evenmin is aangetoond dat renovatie van het gebouw voor een andere functie dan onderwijs niet haalbaar is waardoor het bestaande schoolgebouw niet hoeft te worden gesloopt. De Vereniging Oud Utrecht en anderen voeren aan dat bij het onderzoek naar herbestemming van het gebouw naar een te gering aantal vervangende functies is gekeken.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat nieuwbouw noodzakelijk is en heeft daarbij onder meer gewezen op verouderde onderwijsfaciliteiten, de ongeschiktheid van de bouwkundige structuur, de technische staat en het binnenklimaat van het bestaande gebouw en de hoge kosten van ingrijpende renovatie die nodig is om het bestaande schoolgebouw geschikt te maken voor hedendaagse onderwijsconcepten en aan te passen aan de wettelijke normen waar een schoolgebouw aan moet voldoen. Er is onderzocht of het bestaande schoolgebouw kan worden herstemd maar stedenbouwkundige- en financiële argumenten stonden daaraan in de weg, aldus de raad.

4.2. Ingevolge artikel 3.3 van de Wro, voor zover hier van belang, kan om een overeenkomstig het plan verwezenlijkte bestemming te handhaven en te beschermen, bij het bestemmingsplan worden bepaald dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder omgevingsvergunning bouwwerken te slopen. In een plan kan derhalve een sloopverbod worden opgenomen voor bepaalde, in het plan van een aanduiding voorziene bouwwerken. De ter plaatse van de bestaande school vastgestelde bestemming ten behoeve van woningbouw met voorzieningen noopt niet tot handhaving en bescherming van het bestaande schoolgebouw en daarmee tot het opnemen van een sloopverbod dat daarop is gericht. De Afdeling begrijpt het beroep voor zover dit tegen dit plandeel is gericht aldus dat de Vereniging Oud Utrecht en anderen aanvoeren dat het bestaande gebouw opnieuw positief had moeten worden bestemd met een sloopverbod ter bescherming van het gebouw.

4.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad toereikend gemotiveerd dat het bestaande schoolgebouw niet geschikt meer was voor de bestaande schoolvoorziening en daarmee dat nieuwbouw noodzakelijk was omdat een schoolvoorziening in de wijk Tuindorp - de wijk waar de school is gevestigd - moet worden behouden. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is immers naar voren gekomen dat het huidige uit de jaren 60 daterende schoolgebouw onderwijsvernieuwing en een duurzame ontwikkeling in het aanbod van onderwijsvoorzieningen in Tuindorp in de weg staat. Om te komen tot onderwijsvernieuwing in een schoolgebouw is niet alleen de omvang van het gebouw bepalend. Ook hebben financiële argumenten een rol gespeeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de kosten voor renovatie dermate hoog zijn dat een nieuw gebouw ook om financiële redenen meer voor de hand ligt.

4.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat is onderzocht of er andere functies in het bestaande schoolgebouw konden worden ondergebracht, in bijzonder woonvoorzieningen. De raad heeft toegelicht dat stedenbouwkundige- en financiële argumenten zich daartegen verzetten. De raad acht het behoud van het bestaande schoolgebouw bovendien vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk, omdat daarmee twee grote massale gebouwen binnen de grenzen van het plangebied mogelijk zijn. De stedenbouwkundige bezwaren verzetten zich daarmee tegen het behoud van de bestaande school als zodanig ongeacht de eventueel in het bestaande schoolgebouw onder te brengen functies. Mede gelet hierop heeft de raad niet alle door de stichting Oud Utrecht en anderen aangedragen functies nader onderzocht.

4.5. De Afdeling stelt vast dat de manier waarop met de cultuurhistorische waarden rekening is gehouden, is neergelegd in de plantoelichting. De raad heeft onderkend dat het bestaande schoolgebouw cultuurhistorische waarde heeft. In het bestemmingsplan staat beschreven dat de school een karakteristiek voorbeeld is van een middelbare school uit de jaren zestig en dat door de architectuur en de stedenbouwkundige situering het een beeldbepalend gebouw is in de omgeving. Het bestaande schoolgebouw is evenwel niet gesitueerd in een gebied dat als beschermd dorpsgezicht op grond van de Monumentenwet 1988 is aangemerkt en het gebouw is niet als monument aangewezen. De raad was derhalve niet gehouden advies te vragen aan de Advies Commissie welstand en monumenten.

4.6. Gelet op het vorenstaande heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling zich na afweging van alle betrokken belangen, waaronder de cultuurhistorische waarde van het bestaande schoolgebouw, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen de bestaande bestemming niet te handhaven. Voor een sloopverbod in vorenbedoelde zin is dan ook geen basis. Overigens heeft de raad ter zitting nog verklaard dat de karakteristieke elementen uit het gebouw zullen worden behouden. Het beroep slaagt in zoverre niet.

5. De Vereniging Oud Utrecht en anderen betogen tevens dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd als gevolg van risico voor budgetoverschrijding. Ten onrechte heeft de raad niet onderkend dat de ontwikkelaar de voorziene woningen wellicht niet gaat ontwikkelen waardoor er niet tot afzet van de woningen kan worden gekomen en er dus geen middelen uit de verkoop van de woningen zullen vrijkomen, die tot financiering van de planuitvoering moeten leiden. De raad heeft in het kader van de financiële uitvoerbaarheid volgens de Vereniging Oud Utrecht en anderen ten onrechte geen rekening gehouden met de huidige economische ontwikkelingen.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat niet hoeft te worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan.

5.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 15 februari 2012, zaak nr. 201008192/1/T1/R1, kan in het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financieel-economische uitvoerbaarheid is begrepen slechts leiden tot vernietiging van een bestemmingsplan indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen de planperiode van in beginsel tien jaar.

5.3. Het betoog van de Vereniging Oud Utrecht en anderen dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet is verzekerd door risico voor budgetoverschrijding vanwege het niet uitvoeren van woningen ten gevolge van de economische crisis, kan niet slagen, reeds omdat niet op voorhand realisering van het plan in de periode waarover het plan zich uitstrekt onmogelijk is. Bovendien heeft de raad gesteld dat zorg is gedragen voor de financiële dekking van de kosten van nieuwbouw, ook bij een verslechtering van het grondexploitatieresultaat. Daarvoor is niet alleen de grondexploitatieopzet (met reserve) van belang, maar ook de samenwerkingsovereenkomst, waarbij afspraken zijn gemaakt over ieders bijdrage aan de nieuwbouwkosten en de verdeling van risico bij overschrijding van het budget. De Vereniging Oud Utrecht en anderen hebben dit standpunt niet gemotiveerd weersproken.

5.4. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich op voorhand in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet hoeft te worden getwijfeld aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het betoog faalt.

5.5. Voor zover in deze uitspraak is geoordeeld dat de beroepsgronden falen, heeft de Afdeling zich niet uitgesproken over de vraag of artikel 1.9 van de Chw aan vernietiging van het besluit in de weg zou hebben gestaan.

5.6. Hetgeen de Vereniging Oud Utrecht en anderen hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Het beroep van de Vereniging Oud Utrecht en anderen is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. P.A. Koppen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2013

224.